Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX8504

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-06-2006
Datum publicatie
14-06-2006
Zaaknummer
200603462/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 mei 2006 heeft verweerder verzoeker een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van voorschriften verbonden aan de voor de door verzoeker gedreven inrichting geldende revisievergunning in samenhang met artikelen van de Wet milieubeheer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200603462/1.

Datum uitspraak: 7 juni 2006.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 4 mei 2006 heeft verweerder verzoeker een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van voorschriften verbonden aan de voor de door verzoeker gedreven inrichting geldende revisievergunning in samenhang met artikelen van de Wet milieubeheer.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.

Bij brief van 9 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen per fax op dezelfde dag, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 29 mei 2006, waar verzoeker, in persoon, bijgestaan door mr. M.K. Weterings, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. R. van der Molen, C. van den Akker, ambtenaren van de gemeente, ing. R.A.M. van Oosterhout en ing. Mollen, medewerkers van het waterschap de Brabantse Delta, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Aan het onderhavige dwangsombesluit ligt ten grondslag een op 4 mei 2006 geconstateerde lozing van een melkachtige substantie op de openbare riolering welke volgens verweerder in strijd is met de aan verzoeker verleende vergunning. Gezien het spoedeisende belang is verweerder overgegaan tot het opleggen van een last onder dwangsom inhoudende dat verzoeker direct dient te stoppen met het lozen van enig goed of vloeistof afkomstig van de inrichting. Indien verzoeker kan aantonen conform de vergunningvoorschriften te kunnen lozen kunnen lozingen vanuit de inrichting worden hervat.

2.2.    Verzoeker betoogt dat verweerder hem ten onrechte een last onder dwangsom heeft opgelegd, omdat niet is aangetoond dat de geconstateerde lozing van een melkachtige substantie afkomstig was van de door hem gedreven inrichting. Verzoeker betoogt voorts dat, mede gelet op de verstrekkende gevolgen van de opgelegde last, ten onrechte geen vooraanschrijving heeft plaatsgevonden. Volgens hem was er geen noodzaak om per direct een last onder dwangsom op te leggen.

2.2.1.    Voor zover verzoeker betoogt dat de last niet had mogen worden opgelegd voordat hem de gelegenheid was geboden te worden gehoord, ziet de Voorzitter hierin geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Voorshands bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat in dit geval de vereiste spoed zich verzette tegen de toepassing van artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht. Overigens gaat de Voorzitter ervan uit dat verzoeker in het kader van de bezwaarprocedure in voldoende mate de gelegenheid zal worden geboden zijn standpunt uiteen te zetten.

2.2.2.    Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting stelt de Voorzitter vast dat voldoende aannemelijk is geworden dat de op 4 mei 2006 geconstateerde lozing op het riool afkomstig was van de inrichting van verzoeker. Niet bestreden is dat een dergelijke lozing in strijd is met de voor de inrichting geldende vergunningvoorschriften. De conclusie is daarom dat verweerder terzake handhavend kon optreden. Dat verzoeker geen vooraanschrijving heeft ontvangen betekent niet dat verweerder niet bevoegd was te handhaven.

2.3.    Verzoeker betoogt voorts dat hij betwijfelt of het noodzakelijk is de lozingen op het riool geheel te verbieden aangezien niet is aangetoond dat het afvalwater van het bedrijf nu niet geloosd kan worden. Daarbij heeft hij erop gewezen dat momenteel een daartoe gespecialiseerd bedrijf de bedrijfsvoering van de inrichting doorlicht en dat een proefzuiveringsinstallatie is opgesteld om het afvalwater op het bedrijf zelf te kunnen zuiveren. Verzoeker betoogt wat meer tijd nodig te hebben om aan te tonen dat middels de vergunning kan worden geloosd.

2.3.1.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3.2.    Gebleken is dat het een overtreding betreft met aanzienlijke gevolgen. Zodra, bijvoorbeeld via een monstername, is aangetoond dat conform de vergunning kan worden geloosd kunnen de lozingen van het afvalwater worden hervat. Naar het oordeel van de Voorzitter is niet gebleken dat een monstername niet binnen een kort tijdbestek zou kunnen plaatsvinden. Verweerder heeft overigens aangegeven dat zo'n monstername via het waterschap zou kunnen plaatsvinden. Verzoeker heeft tot op heden niet aangetoond conform de vergunning te kunnen handelen. De Voorzitter ziet gelet op het vorenstaande, en ook overigens, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder na afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het opleggen van de bestreden last onder dwangsom. Dat verzoeker doende is maatregelen te nemen om conform de vergunning te kunnen lozen maakt dit niet anders.

2.4.    Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink    w.g. Van Leeuwen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2006.

373.