Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX8501

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-06-2006
Datum publicatie
14-06-2006
Zaaknummer
200603249/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 januari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal (hierna: het college) de bij het besluit van 9 augustus 1994 verleende gebruiksvergunning voor café 't Markthuys aan de Markt 5 te Veenendaal (hierna: het café) gewijzigd ten behoeve van uitbreiding van het gebruik en daarbij het maximum aantal toe te laten personen op 250 vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2006/1365
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200603249/2.

Datum uitspraak: 6 juni 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

de vennootschap onder firma "Café 't Markthuys", waarvan de vennoten zijn [vennoot sub 1] en [vennoot sub 2], beiden wonend te [woonplaats],

verzoekster,

tegen de uitspraak in zaak nos. SBR 06/395 en SBR 06/639 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 22 maart 2006 in het geding tussen:

verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal (hierna: het college) de bij het besluit van 9 augustus 1994 verleende gebruiksvergunning voor café 't Markthuys aan de Markt 5 te Veenendaal (hierna: het café) gewijzigd ten behoeve van uitbreiding van het gebruik en daarbij het maximum aantal toe te laten personen op 250 vastgesteld.

Bij besluit van 23 september 2003 heeft het college het daartegen door verzoekster gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 oktober 2004 heeft de rechtbank Utrecht het daartegen door verzoekster ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen.

Bij besluit van 15 december 2004 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 18 januari 2002 wederom ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 augustus 2005 heeft de Afdeling het tegen de uitspraak van 11 oktober 2004 door verzoekster ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden waarop zij rust bevestigd, het beroep tegen het besluit van 15 december 2004 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

Bij besluit van 5 januari 2006 heeft het college het tegen het besluit van 18 januari 2002 gemaakte bezwaar wederom ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 maart 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven.

Tegen deze uitspraak heeft verzoekster bij brief van 28 april 2006, bij de Raad van State ingekomen op 1 mei 2006, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 28 april 2006, bij de Raad van State ingekomen op 1 mei 2006, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 mei 2006, waar verzoekster vertegenwoordigd door [vennoot sub 2], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door H.G. van Olderen en H.L.J. Bussing, ambtenaren van de gemeente, en J. Bouman, werkzaam bij de brandweer Veenendaal, zijn verschenen. Voorts zijn als deskundigen van de zijde van verzoekster gehoord [deskundigen] en als deskundige van de zijde van het college ing. C.E. Haas.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Het college heeft bij het besluit van 5 januari 2006 zijn standpunt gehandhaafd dat uit een oogpunt van brandveilig gebruik van het café niet meer dan 250 personen tegelijkertijd daarin aanwezig mogen zijn. Het college heeft daarbij aangesloten bij de beleidsnota Brandpreventiebeleid Bestaande Bouw. In beroep heeft het college dat standpunt nader onderbouwd met een onderzoeksrapport van European Fire Protection Consultants B.V. van 13 februari 2006. Verzoekster heeft dat standpunt betwist en heeft haar stelling dat een brandveilig gebruik van het café niet in de weg staat aan het toelaten van maximaal 382 personen onderbouwd met een deskundigenrapport van Stichting Expertisecentrum Regelgeving Bouw van 23 januari 2006, een reactie van die stichting van 25 februari 2006 op genoemd onderzoeksrapport van European Fire Protection Consultants B.V., alsmede memoranda van die stichting van 28 april 2006 en 15 mei 2006.

2.3.    Het verzoek strekt ertoe dat in afwachting van de uitspraak in de bodemprocedure, 382 personen tegelijkertijd in het café mogen worden toegelaten. De vraag of uiteindelijk een gebruiksvergunning voor een zodanig aantal personen zal dienen te worden verleend, leent zich naar het oordeel van de Voorzitter minder goed voor beantwoording in de voorlopige voorzieningsprocedure. Daarbij neemt de Voorzitter in aanmerking dat de gevraagde voorziening verstrekkend is en dat bovendien een geschilpunt aan de orde is, waarbij het gaat over de mate van veiligheid van personen in verband met brandgevaar. Gesteld noch gebleken is dat de continuïteit van het bedrijf van verzoekster in geding komt indien niet meer dan 250 personen tegelijkertijd in het café mogen worden toegelaten. Voor zover uiteindelijk mocht blijken dat het college de gebruiksvergunning ten onrechte tot dat aantal heeft beperkt, kan dat worden betrokken bij de hoogte van de aan verzoekster toe te kennen schadevergoeding waartoe, naar niet in geschil is, het college is gehouden.

2.4.    Gelet op het vorenstaande en in aanmerking nemende de betrokken belangen ziet de Voorzitter geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Willems

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2006

412.