Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX7075

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-06-2006
Datum publicatie
07-06-2006
Zaaknummer
200508571/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 april 2005, heeft het college van burgemeester en wethouders van Sluis (hierna: het college) het wijzigingsplan "Herenweg 34" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200508571/1.

Datum uitspraak: 7 juni 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zeeland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 april 2005, heeft het college van burgemeester en wethouders van Sluis (hierna: het college) het wijzigingsplan "Herenweg 34" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 16 augustus 2005, kenmerk 0508259/105/16 beslist over de goedkeuring van het wijzigingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 10 oktober 2005, bij de Raad van State ingekomen op 12 oktober 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 25 november 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere reacties ontvangen van het college en van de Kerkvoogdij der Nederlands Hervormde Gemeente, die als partij tot het geding is toegelaten. De stukken zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 april 2006, waar appellant in persoon, en het college, vertegenwoordigd door S.M. den Haan, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Verweerder en de Kerkvoogdij der Nederlands Hervormde Gemeente zijn niet verschenen.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voor zover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij de beslissing omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan overigens niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het standpunt van appellant

2.3.    Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het wijzigingsplan. Hij voert daartoe aan dat de wijziging van de bestemming "Agrarische doeleinden, klasse F -AF(o)-" van het perceel Herenweg 34 in de bestemming "Burgerwoningen" de verdere ontwikkeling van zijn akkerbouwbedrijf kan belemmeren.

Het standpunt van verweerder

2.4.    Verweerder heeft geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan goedgekeurd.

Verweerder acht het plan passend in het provinciaal beleid en is van mening dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de wijzigings-bevoegdheid. Hij stelt dat de bestemmingswijziging de positie van de agrarische functie niet zal wijzigen. Voorts stemt verweerder in met de weerlegging van de door appellant ingebrachte zienswijze door het college in het besluit tot vaststelling van het plan.

Vaststelling van de feiten

2.5.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.1.    Het plan betreft een wijziging van het bestemmingsplan "Buitengebied" van de voormalige gemeente Sluis-Aardenburg. Met het plan wordt de bestemming "Agrarische doeleinden, klasse F -AF(o)-" ten aanzien van het perceel Herenweg 34 te Sluis gewijzigd in de bestemming "Burgerwoningen".

2.5.2.    Aan de [locatie] te [plaats] heeft appellant een akkerbouwbedrijf, dat met name is gericht op de teelt van tulpen. Tevens vindt opslag van mest plaats. Het perceel van appellant heeft ingevolge het bestemmingsplan de bestemming "Agrarische doeleinden, klasse F -AF(o)-". Aan de overzijde van de weg langs zijn perceel bevinden zich de gronden en de bijbehorende woning van het perceel Herenweg 34.

2.5.3.     Ingevolge artikel 4.1, eerste lid, onder 1.1, onder a, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied" zijn de voor "Agrarische doeleinden, klasse F -AF(o)-" aangewezen gronden (…) bestemd voor de bedrijfsvoering van grondgebonden agrarische bedrijven.

   Ingevolge het tweede lid, onder b, van dit artikel, mag op deze gronden per bedrijf ten hoogste één bedrijfswoning worden gebouwd, uitsluitend ten dienste van de in lid 1 genoemde doeleinden. Ingevolge het derde lid, onder 3.2, onder b, van dit artikel is het toevoegen van een tak intensieve veehouderij niet toegestaan.

   Ingevolge artikel 4.3, eerste lid, onder 1.5, van de planvoorschriften kan in de klasse F en L een agrarische bedrijfswoning, die niet meer als zodanig wordt gebruikt, worden gewijzigd in burgerwoning. Hierbij gelden de volgende voorwaarden:

- er is sprake van een algehele bedrijfsbeëindiging,

- er zijn (door hervestiging van een ander grondgebonden agrarisch bedrijf) geen mogelijkheden voor continuering van agrarische bedrijfsvoering.

Verder geldt het volgende toetsingscriterium:

   d. geen ernstige beperking agrarische functie.

2.5.4.    In het besluit tot vaststelling van het plan overweegt het college dat ten aanzien van het perceel Herenweg 34 sprake is van algehele bedrijfsbeëindiging en dat ter plaatse geen mogelijkheden zijn voor continuering van de agrarische bedrijfsvoering. Hervestiging van een agrarisch bedrijf is gelet op de ontwikkelingen in de agrarische sector absoluut niet aannemelijk. Voorts mag geen ernstige beperking van de agrarische functie optreden.

Ten aanzien van de door appellant ingediende zienswijze stelt het college dat het plan geen verslechtering van de positie van appellant tot gevolg heeft, omdat de woning aan de Herenweg 34 al geruime tijd feitelijk als burgerwoning wordt gebruikt en het feitelijk gebruik in het milieurecht bepalend is. Voorts merkt het college op dat de afstand van de woning tot het agrarisch bedrijf van appellant weliswaar wordt verkleind met ongeveer 40 meter, maar dat deze afstand nog minstens 130 meter bedraagt. Gelet op de afstandsnorm van 50 meter in het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer en de toepasselijke geluidsnormen zijn er volgens het college geen beperkingen ten aanzien van de huidige agrarische activiteiten van appellant.

Wat betreft potentiële toekomstige agrarische activiteiten is ingevolge het bestemmingsplan een intensieve veehouderij niet toegestaan. Ter plaatse is aldus een akkerbouwbedrijf en melkrundveehouderij mogelijk en geldt slechts de beperking dat een afstand van 50 meter ten opzichte van omliggende woningen moet worden aangehouden. Appellant heeft op dit moment geen concrete plannen tot het wijzigen van zijn bedrijfsactiviteiten, aldus het college.

2.5.5.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer, dient degene die een akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondteelt drijft, te voldoen aan de voorschriften die zijn opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage I (…).

Ingevolge artikel 1.1.9, aanhef en onder b, van bijlage I bij dit besluit, moet een opslag van vaste dierlijke mest zijn gelegen op ten minste 50 meter van een woning van derden of een gevoelig object.

Het oordeel van de Afdeling

2.6.    Met het bestaan van de door verweerder goedgekeurde wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan mag de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven worden beschouwd, indien is voldaan aan de bij het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit neemt echter niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat aan de in een bestemmingsplan opgenomen wijzigingsvoorwaarden is voldaan, laat de plicht van verweerder onverlet om in de besluitvorming omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming is gerechtvaardigd.

2.6.1.    Niet bestreden is dat ten aanzien van het perceel Herenweg 34 sprake is van algehele bedrijfsbeëindiging en dat er geen mogelijkheden zijn voor continuering van de agrarische bedrijfsvoering. Ten aanzien van de wijzigingsvoorwaarde dat geen ernstige beperking van de agrarische functie optreedt, overweegt de Afdeling als volgt.

Ter zitting is gebleken dat, ten behoeve van onder meer het bedrijf van appellant, op korte afstand tegenover het perceel Herenweg 34 een zoetwaterbassin is gelegen, waarop een pompinstallatie met een dieselmotor kan worden aangesloten indien beregening nodig is. Met appellant kan worden betwijfeld of ten gevolge van de geluidsproductie van deze installatie een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het perceel Herenweg 34 kan worden gewaarborgd. Voorts kan worden betwijfeld of appellant hierdoor niet in de uitoefening van zijn bedrijfsactiviteiten zal worden beperkt.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat in het besluit tot vaststelling van het plan geen acht is geslagen op het zoetwaterbassin met pompinstallatie en de geluidproductie afkomstig van deze installatie. Ook verweerder heeft in het bestreden besluit niet van een dergelijk onderzoek doen blijken. Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

2.6.2.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zeeland van 16 augustus 2005, no. 0508259/105/16;

III.    gelast dat provincie Zeeland aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren    w.g. Soede

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2006

270-516.