Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX7074

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-06-2006
Datum publicatie
07-06-2006
Zaaknummer
200507988/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 3 december 2003 heeft de voorzitter van de examencommissie Algemene Sociale Wetenschappen van de faculteit Sociale Wetenschappen van de Universiteit Utrecht (hierna: examencommissie) appellant laten weten, dat hij geen antwoord geeft op concrete vragen die in het verleden gesteld zijn, dat zijn schrijven van 17 november 2003 geen nieuwe feiten aan het licht brengt en dat de examencommissie zich niet meer verplicht voelt op zijn brieven te reageren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200507988/1.

Datum uitspraak: 7 juni 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Utrecht,

tegen de uitspraak in zaak no. SBR 04/1627 van de rechtbank Utrecht van 11 augustus 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het College van beroep voor de examens aan de Universiteit Utrecht.

1.    Procesverloop

Bij brief van 3 december 2003 heeft de voorzitter van de examencommissie Algemene Sociale Wetenschappen van de faculteit Sociale Wetenschappen van de Universiteit Utrecht (hierna: examencommissie) appellant laten weten, dat hij geen antwoord geeft op concrete vragen die in het verleden gesteld zijn, dat zijn schrijven van 17 november 2003 geen nieuwe feiten aan het licht brengt en dat de examencommissie zich niet meer verplicht voelt op zijn brieven te reageren.

Bij besluit van 11 mei 2004 heeft het College van beroep voor de examens aan de Universiteit Utrecht (hierna: het College) het bij hem daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 augustus 2005, verzonden op 12 augustus 2005, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 8 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op 14 september 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 13 oktober 2005 heeft het College van antwoord gediend.

Bij brieven van 29 oktober 2005 en 1 oktober 2005 (lees: 1 november 2005) heeft appellant een memorie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 25 april 2006, waar partijen niet zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 7.13, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: de WHW) stelt het instellingsbestuur voor elke door de instelling aangeboden opleiding of groep van opleidingen een onderwijs- en examenregeling vast.

   Ingevolge artikel 7.61, eerste lid, aanhef en onder f, van de WHW kan een betrokkene beroep instellen bij het college van beroep voor de examens tegen beslissingen van examencommissies en examinatoren.

2.1.1.    Ingevolge artikel 2, aanhef en onder b, van de op grond van artikel 7.13, eerste lid, van de WHW vastgestelde Onderwijs- en Examenregeling, ASW (hierna: de OER), wordt in deze regeling verstaan onder student: hij/zij die is ingeschreven aan de universiteit voor het volgen van onderwijs en/of het afleggen van de tentamens en de examens van de opleiding.

   Ingevolge artikel 18 van de OER, voor zover hier van belang, kan de examencommissie Algemene Sociale Wetenschappen op een daartoe strekkend verzoek van een examinandus met betrekking tot een door hem af te leggen tentamen een of meer gehele of gedeeltelijke vrijstellingen van de af te leggen tentamens verlenen op grond van door hem tijdens een opleiding opgedane kennis of ervaring dan wel van door hem in ander verband reeds verrichte werkzaamheden.

2.2.    Bij brief van 10 november 2003 heeft appellant de examencommissie gevraagd of hij de draad weer zou mogen oppakken van de door hem in het verleden aan de Universiteit Utrecht gevolgde studie op het gebied van sociale wetenschappen en welke (neven)eisen worden gesteld aan het alsnog behalen van het doctoraalexamen. Bij brief van 17 november 2003 heeft appellant zijn verzoek nader toegelicht. Bij de brief van 3 december 2003 is hierop gereageerd.

   Uit de stukken is de Afdeling gebleken dat appellant ten tijde van zijn verzoek en de reactie daarop van de examencommissie in november en december 2003 niet aan de universiteit stond ingeschreven als student. Dit heeft de rechtbank niet onderkend. De WHW en de daarop gebaseerde OER bieden de examencommissie niet de mogelijkheid om beslissingen te nemen ten aanzien van niet-ingeschreven personen. Er is geen sprake van een beslissing waartegen ingevolge artikel 7.61, eerste lid, aanhef en onder f, van de WHW beroep bij het College openstond. Het College had het bij hem door appellant ingestelde administratief beroep dan ook niet-ontvankelijk moeten verklaren.

2.3.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaren, de bestreden beslissing op administratief beroep van het College vernietigen en het administratief beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaren. Tevens zal de Afdeling bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.4.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 11 augustus 2005, reg.nr. SBR 04/1627;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het College van beroep voor de examens van de Universiteit Utrecht van 11 mei 2004, kenmerk CBE-1196;

V.    verklaart het bij het College ingestelde beroep niet-ontvankelijk;

VI.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII.    gelast dat de Universiteit Utrecht aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 343,00 (zegge: driehonderdrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. G.J. van Muijen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Dallinga

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2006

18-420.