Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX7071

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-06-2006
Datum publicatie
07-06-2006
Zaaknummer
200508253/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 juni 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Cuijk (hierna: het college) het verzoek van appellant om ligplaats te mogen innemen in de Kraaijenbergse Plassen afgewezen en geweigerd toestemming c.q. ontheffing te verlenen voor het innemen van ligplaats met twee schepen in de periode mei-oktober.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200508253/1.

Datum uitspraak: 7 juni 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/3559 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 15 augustus 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Cuijk.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Cuijk (hierna: het college) het verzoek van appellant om ligplaats te mogen innemen in de Kraaijenbergse Plassen afgewezen en geweigerd toestemming c.q. ontheffing te verlenen voor het innemen van ligplaats met twee schepen in de periode mei-oktober.

Bij besluit van 8 november 2004 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 augustus 2005, verzonden op 17 augustus 2005, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 26 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 26 oktober 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 14 november 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 mei 2006, waar het college, vertegenwoordigd door C.M. Peters, werkzaam bij de gemeente, is verschenen. Appellant is, met kennisgeving, niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    De begripsomschrijvingen in de Verordening Kraaijenbergse Plassen 1995 van de gemeente Cuijk, zoals deze is gewijzigd bij de Verordening tot eerste wijziging van de "Verordening Kraaijenbergse Plassen 1995" (hierna: de Verordening), luiden voor zover hier van belang, ingevolge artikel 1, aanhef en onder f, i, j en k, van de Verordening als volgt:

Schip: elk vaartuig […] gebruikt of geschikt om te worden gebruikt als middel van vervoer te water;

Vrachtschip: een schip dat is gebouwd of bestemd voor het bedrijfsmatig vervoer van goederen;

Bedrijfsschip: een schip, waarin of waarmede een bedrijf of beroep wordt of kan worden uitgeoefend;

Woonschip: een vaartuig, uitsluitend of in hoofdzaak als woning gebezigd of bestemd tot woon- of nachtverblijf van één of meer personen, als bedoeld in de Wet op de Woonwagens en Woonschepen […].

Ingevolge artikel 5, derde lid, van de Verordening is het verboden om met een schip ligplaats te nemen of te hebben anders dan op de daarvoor door burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen.

Ingevolge artikel 5, zesde lid, van de Verordening is het verboden als rechthebbende op een schip, met uitzondering van de schoolvakanties, langer te verblijven van 3 maal 24 uur op dezelfde ligplaats, met dien verstande, dat wanneer een schip wordt verplaatst naar een plek, hemelsbreed liggend op minder dan 2.000 meter gemeten van de oude ligplaats, het wordt geacht niet van plaats te zijn veranderd.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Verordening is het verboden met een woonschip een ligplaats in te nemen of te hebben, elders dan op een plaats, welke daartoe is aangewezen bij besluit van burgemeester en wethouders. Ingevolge het tweede lid van dit artikel mag een krachtens het eerste lid aangewezen plaats niet worden ingenomen zonder vergunning van burgemeester en wethouders.

Ingevolge artikel 12 van de Verordening is het, onverminderd het bepaalde in artikel 10, verboden met een woon- en/of vrachtschip het gebied te bevaren, een ligplaats in te nemen of te hebben binnen het gebied of met een schip dat is bestemd voor de sloop ter plaatse of elders ligplaats te nemen of te hebben binnen het gebied.

Ingevolge artikel 13 kunnen burgemeester en wethouders ten aanzien van een woon- en/of vrachtschip dat direct betrokken is bij de ontgronding dan wel bij de inrichting van het gebied, alsmede in bijzondere gevallen te hunner beoordeling, ontheffing verlenen van het verbod gesteld in artikel 10, lid 1 en van artikel 12.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de Verordening kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van een krachtens de Verordening geldend verbod. Ingevolge het tweede lid van dat artikel kunnen aan een vergunning of ontheffing voorschriften en beperkingen worden verbonden die slechts mogen strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

2.2.    Appellant is vennoot van de vennootschap onder firma "Evenementenbureau De Lachende Pelikaan", die zich blijkens de bedrijfsomschrijving bezighoudt met het organiseren van evenementen, bedrijfsbegeleiding en projectontwikkeling. De bedrijfsvoering is er met name op gericht om vakantieweken te organiseren ten behoeve van personen en instellingen binnen de jeugdhulpverlening en de gehandicaptenzorg. Deze vakantieweken worden georganiseerd op de schepen van appellant, welke ligplaats hebben in [locatie] van de Kraaijenbergse Plassen.

2.3.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte en zonder motivering de mogelijkheid om ontheffing te verlenen op basis van artikel 20, eerste lid, van de Verordening buiten beschouwing heeft gelaten.

2.3.1.    De Afdeling constateert dat de aanvraag die aan deze procedure ten grondslag ligt is vervat in een brief van 12 februari 2004, waarin, naar aanleiding van een gesprek tussen appellant en een medewerker van de gemeente, in algemene bewoordingen wordt verzocht om toestemming c.q. ontheffing voor het innemen van ligplaats met de twee schepen.

Weliswaar heeft de gemachtigde van appellant bij brief van 17 mei 2004 gewezen op artikel 13 van de Verordening, maar naar het oordeel van de Afdeling is dit onvoldoende om - zoals het college en de rechtbank hebben gedaan - de toetsing uitsluitend toe te spitsen op de vraag of ontheffing op grond van artikel 13 van de Verordening kon worden verleend. Appellant beoogde en vroeg immers om ligplaats ter plaatse te mogen innemen terwijl geen gerede aanwijzing bestond om aan te nemen dat de aard van de daartoe strekkende vergunning of ontheffing voor hem verschil maakte.

In zoverre slaagt dus het betoog van appellant. De Afdeling zal alsnog artikel 20 van de Verordening betrekken in de beoordeling.

2.4.    Het college heeft betoogd, dat artikel 20, eerste lid, van de Verordening geen zelfstandige mogelijkheid biedt om ontheffing te verlenen, maar slechts in combinatie met het tweede lid van dat artikel een grondslag biedt om voorschriften en beperkingen aan een ontheffing te verbinden.

De Afdeling kan het college niet volgen in dit betoog. De tekst van artikel 20, eerste lid, van de Verordening is niet voor een andere uitleg vatbaar, dan dat dit lid een uitdrukkelijke ontheffingsbevoegdheid biedt. Dat bij de invoering van deze bepaling ontheffingsmogelijkheden die de Verordening elders bood niet zijn komen te vervallen en dat er dus verschillende ontheffingsmogelijkheden met verschillende criteria in het leven zijn geroepen, doet daaraan niet af.

Ook het betoog dat dit eerste lid nodig zou zijn om als grondslag te dienen voor het verbinden van voorschriften en beperkingen aan vergunningen en ontheffingen, is onjuist. Daartoe dient juist het tweede lid van artikel 20 van de Verordening, zoals dit artikel luidde ten tijde hier van belang. Dat tweede lid was overigens voorheen als eerste lid reeds in de Verordening opgenomen.

Dit leidt ertoe, dat er twee mogelijke ontheffingsgrondslagen zijn voor   [schip 1], te weten artikel 13 en artikel 20, eerste lid, van de Verordening en dat er één mogelijke ontheffingsgrondslag is voor [schip 2], te weten artikel 20, eerste lid, van de Verordening.

2.5.    In zowel artikel 13, als artikel 20, eerste lid, van de Verordening wordt het college een bevoegdheid verleend, maar geen plicht tot ontheffingverlening in bepaalde gevallen opgelegd. Het is derhalve aan het college om een afweging te maken van de relevante belangen, waarbij de rechter de uitkomst van die belangenafweging slechts terughoudend kan toetsen.

De Afdeling is van oordeel, dat het college alle relevante belangen op evenwichtige wijze tegen elkaar heeft afgewogen. Het college heeft zich daarbij in redelijkheid op het standpunt gesteld dat de gevraagde ontheffingverlening niet past binnen het beleid dat het met de - kwetsbare - plassen voor ogen heeft. Voorts kan niet met vrucht worden staande gehouden dat de situatie waarin appellant verkeert zodanig bijzonder is dat het college gehouden was een uitzondering op zijn beleid te maken.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Matulewicz

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2006

45-514.