Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX7069

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-06-2006
Datum publicatie
07-06-2006
Zaaknummer
200508351/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 september 2003 heeft appellant sub 2 (hierna: het college) het verzoek tot handhaving van een voorschrift van de huidige ten behoeve van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Tuin en Plantencentrum De Driesprong B.V." (hierna: het tuincentrum) verleende uitritvergunning aan de Vierde Stationsstraat 462 te Zoetermeer - door middel van het opleggen van een last onder dwangsom - afgewezen en aan het verzoek de voorschriften van deze uitritvergunning uit te breiden met een aanvullend voorschrift geen gevolg gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200508351/1.

Datum uitspraak: 7 juni 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Tuin en  Plantencentrum De Driesprong B.V.", gevestigd te Zoetermeer,

2.    het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer,

appellanten,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/4643 van de rechtbank 's-Gravenhage van 22 augustus 2005 in het geding tussen:

1.    de vereniging "Vereniging Agata Nostra", gevestigd te Zoetermeer,

2.    [wederpartijen sub 2], beiden wonend te Zoetermeer

en

appellant sub 2.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 september 2003 heeft appellant sub 2 (hierna: het college) het verzoek tot handhaving van een voorschrift van de huidige ten behoeve van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Tuin en Plantencentrum De Driesprong B.V." (hierna: het tuincentrum) verleende uitritvergunning aan de Vierde Stationsstraat 462 te Zoetermeer - door middel van het opleggen van een last onder dwangsom - afgewezen en aan het verzoek de voorschriften van deze uitritvergunning uit te breiden met een aanvullend voorschrift geen gevolg gegeven.

Bij besluit van 18 oktober 2004 heeft het college de daartegen door de Vereniging Agata Nostra (hierna: de vereniging) alsmede door [wederpartijen sub 2] gemaakte bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 22 augustus 2005, verzonden op 23 augustus 2005, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vereniging ingestelde beroep ongegrond verklaard en het daartegen door [wederpartijen sub 2] ingestelde beroep gegrond verklaard, en het college opgedragen opnieuw op het bezwaar van [wederpartijen sub 2] te beslissen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het tuincentrum bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 september 2005, en het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 november 2005, hoger beroep ingesteld. Het college heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 31 oktober 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 7 november 2005 heeft de vereniging van antwoord gediend.

Bij besluit van 10 november 2005 heeft het college, opnieuw beslissend op het door [wederpartijen sub 2] gemaakte bezwaar, dat bezwaar ongegrond verklaard.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 april 2006, waar het tuincentrum, vertegenwoordigd door mr. J. Hiemstra, advocaat te Delft, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.L. Al, advocaat te Zoetermeer, en [wederpartijen sub 2], bijgestaan door mr. P.J.L.J. Duijsens, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    De rechtbank heeft het besluit van 18 oktober 2004 vernietigd, voor zover daarbij [wederpartijen sub 2] in hun bezwaar niet-ontvankelijk zijn verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank zijn [wederpartijen sub 2] woonachtig in de onmiddellijke nabijheid van de sluiproute, nu hun achtertuinen slechts door een sloot van de Vierde Stationsstraat worden gescheiden. De aanwezigheid van sluipverkeer is, naar het oordeel van de rechtbank, een omstandigheid die van invloed kan zijn op de kwaliteit van de directe leefomgeving van [wederpartijen sub 2], hetgeen met zich brengt dat zij een voldoende objectiveerbaar bepaalbaar eigen en persoonlijk belang hebben dat rechtstreeks is betrokken bij het primaire en het bestreden besluit.

2.2.    Appellanten betogen allereerst dat de rechtbank ten onrechte een te ruime uitleg heeft gegeven aan het begrip belanghebbende. Appellanten stellen zich op het standpunt dat [wederpartijen sub 2] geen belanghebbenden zijn bij het besluit waarbij het verzoek om handhaving is afgewezen en is geweigerd een nader voorschrift aan de onderhavige uitritvergunning te verbinden. Het college stelt zich op het standpunt dat de mogelijke last die [wederpartijen sub 2] van de situatie ter plaatse kunnen ondervinden, het geluid van het sluipverkeer is, dat echter volgens objectieve meetgegevens valt binnen de op grond van de Wet Milieubeheer gestelde norm. Mitsdien had de rechtbank, naar stellen van appellanten, moeten concluderen dat de aanwezigheid van sluipverkeer niet van invloed is op de kwaliteit van de directe woonomgeving. Appellanten stellen voorts dat [wederpartijen sub 2] geen belanghebbenden zijn, omdat zij niet een eigen, zich in voldoende mate onderscheidend belang hebben en zij niet op het gebruik van de Vierde Stationsstraat zijn aangewezen, omdat van hun kant een inrijverbod geldt.

2.3.    De Afdeling stelt voorop dat [wederpartijen sub 2] in de directe omgeving van de Vierde Stationsstraat wonen, nu de achtertuinen van de woningen van [wederpartijen sub 2] grenzen aan een sloot die langs de Vierde Stationsstraat loopt. De afstand van de woningen van [wederpartijen sub 2] tot de omstreden uitrit van het tuincentrum bedraagt ongeveer 100 meter en voor beiden geldt dat het sluipverkeer over het parkeerterrein van het tuincentrum en over de Vierde Stationsstraat - veroorzaakt door de onderhavige uitrit - hoorbaar is. Mitsdien heeft de rechtbank met juistheid geconcludeerd dat [wederpartijen sub 2] als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) zijn aan te merken. Dat [wederpartijen sub 2] van de Vierde Stationsstraat geen gebruik maken, wat hier ook van zij, maakt dit niet anders, nu reeds voldoende is dat zij in de onmiddellijke nabijheid wonen van de uitrit en het als gevolg daarvan ontstane sluipverkeer direct van invloed is op hun woongenot. De vraag of de door betrokkenen ondervonden overlast binnen objectief bepaalde grenzen valt, is een vraag die speelt bij de inhoudelijke beoordeling van de verzoeken van [wederpartijen sub 2], maar raakt niet aan hun rechtstreekse betrokkenheid bij de besluitvorming rond de uitrit.

2.4.    De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak diende het college opnieuw op het bezwaar van [wederpartijen sub 2] tegen het besluit van 9 september 2003 te beslissen. Bij besluit van 10 november 2005 heeft het college, hieraan gevolg gevend, opnieuw op dit bezwaar beslist. Tegen dit besluit hebben [wederpartijen sub 2] beroep ingediend bij de rechtbank. Niet gebleken is dat dit beroep door de rechtbank aan de Afdeling is doorgezonden. Naar stellen van partijen heeft de rechtbank hen gelegenheid gegeven het beroepschrift nader te motiveren. Hoewel het hernieuwde besluit op bezwaar ingevolge artikel 6:19 van de Awb in hoger beroep aan de orde is, ziet de Afdeling in dit geval aanleiding de behandeling van het beroep tegen het besluit van 10 november 2005 met toepassing van artikel 6:19, tweede lid, van de Awb aan de rechtbank te laten.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. J.G. Treffers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Matulewicz

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2006

45-497.