Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX7050

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-06-2006
Datum publicatie
07-06-2006
Zaaknummer
200506181/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 april 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Swalmen (hierna: het college) aan appellant, onder ontheffing van het in artikel 9 van het geldende bestemmingsplan opgenomen bouwverbod, bouwvergunning verleend voor het bouwen van een varkensstal op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te Swalmen (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2006, 176 met annotatie van J. Meulman
Milieurecht Totaal 2006/4988
JOM 2007/106
OGR-Updates.nl 1001215
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200506181/1.

Datum uitspraak: 7 juni 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Swalmen,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/22 van de rechtbank Roermond van 3 juni 2005 in het geding tussen:

[wederpartijen], gevestigd en wonend te Swalmen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Swalmen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 april 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Swalmen (hierna: het college) aan appellant, onder ontheffing van het in artikel 9 van het geldende bestemmingsplan opgenomen bouwverbod, bouwvergunning verleend voor het bouwen van een varkensstal op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te Swalmen (hierna: het perceel).

Bij besluit van 23 november 2004 heeft het college het daartegen door de [wederpartijen] (hierna: de vereniging en anderen) gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 juni 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vereniging en anderen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 14 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn ingediend bij brief van 5 augustus 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 april 2006, waar appellant, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. J.A.J.M. van Houtum, advocaat te Tilburg, en de vereniging en anderen, vertegenwoordigd door T. Wuts, zijn gehoord.  

2.    Overwegingen

2.1.    Appellant keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het college niet met gebruikmaking van de door het college van gedeputeerde staten verleende verklaring van geen bezwaar bouwvergunning had mogen verlenen, omdat onzeker is of het bouwplan schadelijke gevolgen heeft voor het Swalmdal, dat is aangemeld als speciale beschermingszone (hierna: SBZ) in het kader van de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora- en fauna (hierna: de richtlijn). Daartoe betoogt hij allereerst dat de richtlijn niet bij de beoordeling van het bouwplan had mogen worden betrokken, omdat reeds in een eerder stadium, namelijk in het kader van de voor zijn varkenshouderij onherroepelijk verleende milieuvergunning van 28 november 2001, is getoetst of de richtlijn in acht wordt genomen.

2.1.1.    De varkensstal is voorzien op een afstand van ongeveer 50 meter van het gebied "Het Haestert", dat onderdeel is van het Swalmdal. Het Swalmdal stond ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar vermeld op de lijst van Habitatgebieden die de Nederlandse regering aan de Europese Commissie heeft toegezonden op grond van artikel 4, eerste lid, van de richtlijn.

   Ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar was de communautaire lijst als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de richtlijn nog niet vastgesteld, zodat de bepalingen van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de richtlijn nog niet rechtstreeks van toepassing waren. Die bepalingen gelden ingevolge artikel 4, vijfde lid, van de richtlijn voor een gebied zodra dat op de communautaire lijst is geplaatst. Hoewel de rechtbank dit niet heeft onderkend, volgt hieruit niet dat zij de doelstellingen van de richtlijn ten onrechte in haar beoordeling heeft betrokken. Daartoe wordt het volgende overwogen.

2.1.2.    In zijn arrest van 13 januari 2005 in zaak nr. C-117/03 heeft het Hof van Justitie voor de Europese Gemeenschappen overwogen:

   "(…) dat artikel 4, lid 5, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de beschermingsmaatregelen van artikel 6, leden 2 tot en met 4, van de richtlijn enkel moeten worden vastgesteld voor de gebieden die overeenkomstig artikel 4, lid 2, derde alinea, van de richtlijn zijn opgenomen in de door de Commissie volgens de procedure van artikel 21 van deze richtlijn vastgestelde lijst van gebieden van communautair belang.

   Hieruit volgt evenwel niet dat de lidstaten de gebieden niet moeten beschermen vanaf het moment dat zij deze krachtens artikel 4, lid 1, van de richtlijn op de aan de Commissie toegezonden nationale lijst voorstellen als gebieden die kunnen aangewezen worden als gebieden van communautair belang.

   Wanneer er met ingang van dat moment geen afdoende bescherming aan deze gebieden wordt geboden, zou de realisatie van de doelstellingen van de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde fauna en flora, zoals vermeld in onder meer de zesde overweging van de considerans en artikel 3, lid 1, van de richtlijn, immers in het gedrang dreigen te komen. (…)".

2.1.3.    In het kader van de krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning zijn de gevolgen van ammoniakdepositie voor het voor verzuring gevoelige gebied "De Leucker" beoordeeld. Reeds omdat het Swalmdal een groter gebied omvat, waaronder het op kortere afstand van de voorziene varkensstal gelegen gebied "Het Haestert", faalt het betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat de onherroepelijk verleende milieuvergunning in de weg staat aan een toets aan de richtlijn.

2.1.4.    Daarmee wordt toegekomen aan de vraag of de vergunde varkensstal, gelet op de met het gebruik daarvan samenhangende ammoniakdepositie, een activiteit is waardoor de realisatie van de doelstellingen van de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde fauna en flora, zoals vermeld in onder meer de zesde overweging van de considerans en artikel 3, eerste lid, van de richtlijn, in het gedrang dreigt te komen.

2.1.5.    Blijkens door de vereniging en anderen in beroep overgelegde gegevens, waarvan de juistheid niet is betwist, neemt als gevolg van de vergunde varkensstal de ammoniakdepositie op het gebied "Het Haestert" toe met 703 mol/ha/jaar. Op basis van het door de vereniging en anderen in beroep overgelegde rapport "Teveel van het goede" van juni 2004, dat is gebaseerd op onderzoek van Alterra en TNO (hierna: het rapport), moet worden aangenomen dat een toename van de ammoniakdepositie nadelige gevolgen zou kunnen hebben voor de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde fauna en flora.

   De omstandigheid dat, zoals appellant betoogt en ook als uitgangspunt is genomen in de beslissing op bezwaar, de ammoniakdepositie op het eveneens van het Swalmdal onderdeel uitmakende gebied "De Leucker" afneemt, betekent op zichzelf niet dat mogelijke nadelige gevolgen van het bouwplan op een dichterbij gelegen deel van het Swalmdal niet langer beoordeeld zouden behoeven te worden.

2.1.6.    Aldus is niet uitgesloten dat door de activiteit die met de bouw van de varkensstal mogelijk wordt gemaakt, de realisatie van de doelstellingen van de instandhouding van de natuurlijke habitats en wilde fauna en flora, zoals vermeld in onder meer de zesde overweging van de considerans en artikel 3, eerste lid, van de richtlijn, in het gedrang dreigt te komen. De rechtbank is dan ook tot de juiste slotsom gekomen dat de beslissing op bezwaar is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en niet berust op een deugdelijke motivering, hetgeen in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.2.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.P. Zwart, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Zwart    w.g. Klein Nulent

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2006

275.