Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX7045

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-06-2006
Datum publicatie
07-06-2006
Zaaknummer
200508421/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 augustus 2005 heeft verweerder geweigerd appellante een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet milieubeheer te verlenen voor een inrichting voor de opslag van cosmetica en drogisterijartikelen gelegen aan de Wenckebachstraat 14 te Kerkrade. Dit besluit is op 18 augustus 2005 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer
Wet milieugevaarlijke stoffen
Wet milieugevaarlijke stoffen 34
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.40
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2006/552
JOM 2006/1370
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200508421/1.

Datum uitspraak: 7 juni 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Coscentra B.V.", gevestigd te Kerkrade,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 augustus 2005 heeft verweerder geweigerd appellante een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet milieubeheer te verlenen voor een inrichting voor de opslag van cosmetica en drogisterijartikelen gelegen aan de Wenckebachstraat 14 te Kerkrade. Dit besluit is op 18 augustus 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 28 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Bij brief van 1 november 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 2 februari 2006. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 april 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. R. van Eck, advocaat te Groenlo, en [directeur], en verweerder, vertegenwoordigd door T.H.M. Mertens, A.P.F. Rompen en M.T.F. Stevens, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

   Op 1 december 2005 zijn de wet van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 2005, 432), en het besluit van 8 oktober 2005, houdende wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Stb. 2005, 527), in werking getreden. Nu het bestreden besluit vóór 1 december 2005 is genomen, moet dit worden beoordeeld aan de hand van het recht dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet en dit besluit.

2.2.    Ingevolge artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voorzover hier van belang, is het verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting op te richten of in werking te hebben.

   Ingevolge het tweede lid geldt dit verbod niet voor inrichtingen die behoren tot een categorie die bij een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40, eerste lid, is aangewezen, behoudens in gevallen waarin de bij die algemene maatregel gestelde regels niet gelden voor een zodanige inrichting. Het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer (hierna te noemen: het Besluit) is een dergelijke algemene maatregel van bestuur.

2.3.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit is dit Besluit van toepassing op een inrichting die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is voor het opslaan, overslaan en transporteren over de weg, van goederen of producten. Niet betwist is dat de inrichting van appellante als zodanig is aan te merken.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder n, van het Besluit, voorzover hier van belang, is dit Besluit niet van toepassing op een inrichting als bedoeld in artikel 2, indien in de inrichting meer dan in totaal 30.000 kg aan gevaarlijke stoffen en brandbare vloeistoffen in emballage als bedoeld in de voorschriften 2.1.4, 2.2.6 en 2.2.8 worden opgeslagen.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van het Besluit wordt in dit Besluit en de daarop berustende bepalingen onder brandbare vloeistof verstaan: vloeistof of een verfproduct waarvan het vlampunt gelegen is op 55ºC of hoger (K3-vloeistof).

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder e, van het Besluit wordt in dit Besluit en de daarop berustende bepalingen onder gevaarlijke stof verstaan: stof die of preparaat dat bij of krachtens het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten is ingedeeld in een categorie als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen (hierna te noemen: Wms).

   Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Besluit meldt degene die een inrichting opricht dit ten minste vier weken voor de oprichting aan het bevoegd gezag.

   Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wms, voorzover hier van belang, wordt voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde onder preparaten verstaan: mengsels of oplossingen van stoffen.

   Ingevolge artikel 34, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wms is één van de in het eerste lid van dat artikel bedoelde categorieën: de categorie licht ontvlambaar.

   Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten, voorzover hier van belang, is artikel 34 van de Wms van overeenkomstige toepassing op preparaten, met uitzondering van cosmetica als bedoeld in het Warenwetbesluit cosmetische producten.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het Warenwetbesluit cosmetische producten wordt in dit besluit en de daarop berustende bepalingen onder cosmetische producten verstaan: alle stoffen en preparaten die bestemd zijn om in aanraking te worden gebracht met de verschillende delen van het menselijk lichaamsoppervlak (opperhuid, beharing, haar, nagels, lippen en uitwendige geslachtsorganen) of met de tanden en kiezen en de mondslijmvliezen, met het uitsluitende of hoofdzakelijke oogmerk deze te reinigen, te parfumeren, het uiterlijk ervan te wijzigen of lichaamsgeuren te corrigeren of voornoemde lichaamsdelen te beschermen of in goede staat te houden.

2.4.    Appellante kan zich niet verenigen met het uitgangspunt van verweerder dat de inrichting niet valt onder de werking van het Besluit, omdat in de inrichting meer dan in totaal 30.000 kg aan gevaarlijke stoffen en/of brandbare vloeistoffen zouden worden opgeslagen. Appellante betoogt dat de uitzonderingssituatie van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder n, van het Besluit zich in dit geval niet voordoet, omdat parfum - één van de door haar op het terrein van de inrichting opgeslagen producten - niet is aan te merken als een gevaarlijke stof in de zin van het Besluit.

   Doordat verweerder volgens appellante bij de kwalificatie van parfum als gevaarlijke stof ten onrechte het Besluit externe veiligheid inrichtingen heeft gehanteerd, is verweerder bij het bestreden besluit vervolgens uitgegaan van richtlijnen voor het opstellen van voorschriften die volgens appellante voor het onderhavige geval niet gelden.

2.4.1.    Verweerder betoogt dat parfum is aan te merken als een gevaarlijke stof in de zin van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. In een dergelijk geval dient volgens verweerder richtlijn 15 van de Commissie Preventie van Rampen door gevaarlijke stoffen (CPR-15) te worden gehanteerd bij het opstellen van de aan de vergunning te verbinden voorschriften. Omdat de grondslag van de aanvraag daarmee echter zou worden verlaten, stelt verweerder niet positief te hebben kunnen beschikken op de aanvraag.

2.4.2.    De Afdeling overweegt, gezien het deskundigenbericht en het ter zitting verhandelde, dat het vlampunt van parfum lager ligt dan 55ºC, zodat deze stof geen brandbare vloeistof is in de zin van artikel 1, onder d, van het Besluit.

   Voorts overweegt de Afdeling dat artikel 6, eerste lid, van het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten, voorzover hier van belang, bepaalt dat artikel 34 van de Wms van overeenkomstige toepassing is op preparaten, met uitzondering van cosmetica als bedoeld in het Warenwetbesluit cosmetische producten. Mede gezien het deskundigenbericht overweegt de Afdeling dat parfum een preparaat is in de zin van de Wms, doch valt onder de werking van het Warenwetbesluit cosmetische producten. Gelet hierop is parfum geen stof of preparaat die of dat bij of krachtens het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten is ingedeeld in een categorie als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Wms. Parfum valt derhalve niet aan te merken als een gevaarlijke stof in de zin van artikel 1, onder e, van het Besluit.

   Nu parfum geen brandbare stof is in de zin van artikel 1, onder d, van het Besluit of gevaarlijke stof in de zin van artikel 1, onder e, van het Besluit, is geen sprake van een situatie als bedoeld artikel 3, eerste lid, onder n, van het Besluit.

   Op grond van het voorgaande zijn er geen aanwijzingen dat de inrichting niet onder de werking van het Besluit valt, zodat had kunnen worden volstaan met een melding als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Besluit.

   Ter zitting heeft verweerder erkend dat parfum niet is aan te merken als een gevaarlijke stof of brandbare vloeistof in de zin van het Besluit. Omdat dit naar zeggen van verweerder echter "te dol voor woorden" is, is toepassing van het Besluit volgens hem onaanvaardbaar. In dit betoog van verweerder ziet de Afdeling echter geen grond voor het oordeel dat het Besluit niet voldoet aan artikel 8.40, derde lid, in samenhang met artikel 8.11, derde lid (oud), van de Wet milieubeheer.

   Verweerder heeft de aanvraag om vergunning op grond van de Wet milieubeheer in behandeling genomen en op de grondslag daarvan een besluit genomen. Gelet op het vorenstaande verdraagt dit besluit zich niet met artikel 8.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer.

2.5.    Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Gelet hierop komt de Afdeling aan een bespreking van de overige beroepsgronden niet toe. De Afdeling zal op de hierna te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.6.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade van 9 augustus 2005, kenmerk 04i0011037 / SMO-TMR 05u0012176;

III.    bepaalt dat de aanvraag om vergunning buiten behandeling wordt gelaten en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 686,57 (zegge: zeshonderdzesentachtig euro en zevenenvijftig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Kerkrade aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V.    gelast dat de gemeente Kerkrade aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt    w.g. Kuipers

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2006

271-509.