Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX7040

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-06-2006
Datum publicatie
07-06-2006
Zaaknummer
200505623/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 maart 2005 heeft de verenigde vergadering van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (hierna: het algemeen bestuur), op voorstel van het college van dijkgraaf en hoogheemraden van 22 februari 2005, vastgesteld het dijkversterkingsplan "Nederlek".

Wetsverwijzingen
Flora- en faunawet
Flora- en faunawet 75
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2006/1368
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200505623/1.

Datum uitspraak: 7 juni 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellanten sub 1], gevestigd respectievelijk wonend te [woonplaats],

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    [appellante sub 3], wonend te [woonplaats],

4.    [appellanten sub 4], wonend te [woonplaats],

5.    [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],

6.    [appellanten sub 6], wonend te [woonplaats],

7.    [appellant sub 7], wonend te [woonplaats],

8.    [appellanten sub 8], handelend onder de naam Dijkcommissie Lekkerkerk, wonend te [woonplaats],

9.    [appellante sub 9], gevestigd te [plaats],

10.    [appellant sub 10], wonend te [woonplaats],

11.    [appellant sub 11], wonend te [woonplaats],

12.    [appellant sub 12], wonend te [woonplaats],

13.    [appellante sub 13], wonend te [woonplaats],

14.    [appellante sub 14A] en [appellante sub 14 B] en [appellant sub 14C] en [appellante sub 14D], gevestigd respectievelijk wonend te [plaats],

15.    [appellanten sub 15], wonend te [woonplaats],

16.    [appellanten sub 16], wonend te [woonplaats],

17.    [appellanten sub 17], handelend onder de naam Bezorgde Bewoners Opperduit, wonend te [woonplaats],

18.    [appellant sub 18], wonend te [woonplaats],

19.    [appellante sub 19], wonend te [woonplaats],

20.    [appellant sub 20], wonend te [woonplaats],

21.    [appellanten sub 21], wonend te [woonplaats],

en

1.    de verenigde vergadering van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard,

2.    het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard,

3.    het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

4.    het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nederlek,

5.    de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

6.    de Minister van Verkeer en Waterstaat,

verweerders.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2005 heeft de verenigde vergadering van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (hierna: het algemeen bestuur), op voorstel van het college van dijkgraaf en hoogheemraden van 22 februari 2005, vastgesteld het dijkversterkingsplan "Nederlek".

Bij ongedateerd besluit, verzonden op 18 mei 2005, kenmerk DGWM/2005/5372A, heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland het dijkversterkingsplan goedgekeurd.

Bij besluit van 21 januari 2005, kenmerk toek.FF2004C.638.nh, heeft de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op grond van artikel 75 van de Flora- en faunawet ontheffing verleend van de verbodsbepalingen genoemd in artikel 8 en 13 van de Flora- en faunawet voor zover dit betreft de spindotterbloem, alsmede van de verbodsbepalingen genoemd in artikel 10 en 11 van de Flora- en faunawet voor zover dit betreft de bosmuis, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, mol, rosse woelmuis, veldmuis, wezel en de woelrat, en van de verbodsbepalingen genoemd in artikel 9, 10, 11 en 13 van de Flora- en faunawet voor zover dit betreft de egel, bruine kikker, gewone pad, groene kikker en de kleine watersalamander.

Bij ongedateerde besluiten, kenmerken 0403187, 0403667 en 0403268, heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nederlek aan het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard vergunningen verleend voor het slopen van panden aan de Voorstraat 236, 244, 244a, 250 en 252 en aan Opperduit 1c, 69, 73, 75, 83, 85 en 392 te Lekkerkerk.

Bij ongedateerd besluit, kenmerk 0403803, heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nederlek op de aanvraag van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard van een reguliere bouwvergunning voor het plaatsen van een laad- en loswal op het adres Opperduit 83 te Lekkerkerk, beslist dat geen bouwvergunning is vereist.

Het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard heeft aan het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland melding gedaan van een vrijgestelde ontgronding als bedoeld in artikel 7 van de Ontgrondingenverordening Zuid-Holland 1998.

Bij besluit van 4 februari 2005, kenmerk AVM-2005-00200, heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat aan het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard vergunning ingevolge artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken verleend voor dijkverbeteringswerkzaamheden Schuwacht-Voorstraat-Opperduit van de Lekdijk, aan de rechteroever van de Lek in de gemeente Nederlek, tussen kmr(n) 980 en 981.

Bij besluit van 21 februari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nederlek aan het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard vergunning ingevolge de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een opslagterrein ten behoeve van de dijkverzwaring op het perceel Opperduit 83 te Lekkerkerk, kadastraal bekend gemeente Nederlek, sectie C, nummers 5950, 5372, 8003 en 7686 voor een periode van zes jaar.

Bij besluit van 7 april 2005, kenmerk DGWM/2004/19863, heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland een beschikking afgegeven tot vaststelling van de ernst van de bodemverontreiniging ter plaatse van percelen op de locatie Dijkvak Lekdijk, gedeelte Schuwacht-Voorstraat-Opperduit en ingestemd met het raamsaneringsplan ter sanering van deze percelen.

Bij besluit van 29 april 2005, kenmerk 2401267(155) heeft het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard aan het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard vergunning ingevolge de keur van de Krimpenerwaard verleend tot het realiseren van een dijkversterking aan de Lekdijk, Opperduit/Voorstraat hmp 9.5+50 tot en met hmp 13.7+75 en Voorstraat/Schuwacht hmp 14.2+40 tot en met hmp 15.4 te Lekkerkerk.

Bij besluit van 31 mei 2005, kenmerk B 2004-122, heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nederlek aan het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een damwandconstructie in de dijk op het perceel, kadastraal bekend gemeente Lekkerkerk, sectie C, plaatselijk bekend Opperduit-Voorstraat-Schuwacht te Lekkerkerk.

Tegen een of meer van deze besluiten hebben appellanten beroep ingesteld.

Het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Verkeer en Waterstaat hebben verweerschriften ingediend. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nederlek heeft meegedeeld af te zien van het voeren van verweer.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 13 januari 2006. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [appellanten sub 6], [appellanten sub 8], handelend onder de naam Dijkcommissie Lekkerkerk, en [appellante sub 9]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 maart 2006, waar appellanten, al dan niet vertegenwoordigd, het college van dijkgraaf en hoogheemraden en de verenigde vergadering van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, vertegenwoordigd door mr. P. Vliegenthart, Y.L. de Zwart en C. voor den Dag, ambtenaren van het hoogheemraadschap, het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, vertegenwoordigd door mr. drs. S. Hoitinga, ambtenaar van de provincie, en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, vertegenwoordigd door mr. C.A.H.J. Anthonissen, ambtenaar van het ministerie, zijn verschenen.

Niet verschenen zijn [appellant sub 5], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellante sub 13] en [appellanten sub 17], handelend onder de naam Bezorgde Bewoners Opperduit.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

2.2.    Op 28 september 2005 is de Wet tot wijziging van de Wet op de waterkering en intrekking van de Deltawet grote rivieren, de Deltawet, de Deltaschadewet, de Wet schade oesterkwekers, de Vergunningwet Westerschelde, de Zuiderzeewet en de Zuiderzeesteunwet (hierna: Wijzigingswet) in werking getreden. Uit artikel XII van deze wet volgt dat de artikelen 17 tot en met 31 van de Wet op de waterkering, zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van deze wet, van toepassing blijven met betrekking tot plannen en daarmee verband houdende besluiten ten aanzien van primaire waterkeringen als bedoeld in artikel 17.

Toetsingskader

2.3.    Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wet op de waterkering (hierna: Wwk), zoals dit artikel luidde tot 28 september 2005, geschieden de aanleg van een primaire waterkering alsmede de wijziging in richting, vorm, afmeting of constructie van een primaire waterkering overeenkomstig een door de beheerder vastgesteld en door het college van gedeputeerde staten goedgekeurd plan. De goedkeuring kan ingevolge artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) slechts aan het plan worden onthouden wegens strijd met het recht of op een grond, neergelegd in de wet waarin of krachtens welke de goedkeuring is voorgeschreven.

2.4.    Ingevolge artikel 17 van de Wwk (oud) zijn, onverminderd het bepaalde in de artikelen 7 en 8, de artikelen 18 tot en met 31 van toepassing ten aanzien van primaire waterkeringen die bestemd zijn tot directe kering van het buitenwater, voor zover ter zake:

a. nieuwe of versterkingswerken worden uitgevoerd om daarmee voor de eerste maal te voldoen aan de ingevolgde artikel 3, eerste lid, vastgestelde veiligheidsnorm, en

b. de Deltawet grote rivieren niet van toepassing is.

Planbeschrijving

2.5.    Het plan heeft betrekking op het noordelijke deel van de Lekdijk, dijktraject Schuwacht - Voorstraat - Opperduit, tussen hmp 9.5+50 en 15.4 met uitzondering van de keermuur tussen hmp 13.7+75 en 14.2+40. Met het dijkversterkingsplan Nederlek wordt beoogd voor de eerste keer te voldoen aan de in artikel 3 van de Wwk voorgeschreven veiligheidsnorm, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de aanwezige landschappelijke, natuur- en cultuurhistorische waarden.

   De doelstellingen van de voorgenomen activiteit worden als volgt omschreven:

- Het versterken van het dijktraject Schuwacht-Voorstraat-Opperduit zodanig dat deze voldoet aan de voor deze waterkering geldende veiligheidseisen.

- Het zoveel mogelijk ontzien en waar mogelijk versterken van ecologische, landschappelijke en cultuurhistorische waarden.

- Het zoveel mogelijk behouden en waar mogelijk versterken van (de ontwikkeling van) functies op en langs de dijk.

Formele bezwaren

Het standpunt van appellanten

2.6.    Een aantal appellanten stelt in beroep onder meer dat het dijkversterkingsplan ten onrechte is vastgesteld en goedgekeurd, omdat de procedure ter voorbereiding van de besluitvorming onzorgvuldig was en op diverse aspecten tekort schoot.

   De Dijkcommissie Lekkerkerk voert hiertoe aan dat niet op haar petitie is gereageerd en dat de belangrijkste zienswijzen lange tijd zoek zijn geweest en daardoor niet door het algemeen bestuur in de besluitvorming zijn meegenomen.

   [appellant sub 20] voert hiertoe aan dat de wijze waarop de stukken ter inzage zijn gelegd zeer onzorgvuldig was en hij hierdoor van deze stukken onvoldoende kennis heeft kunnen nemen. Ook de procedure voor schadeloosstelling is volgens hem onduidelijk en niet goed gecommuniceerd.

   [appellanten sub 1]) voeren hiertoe aan dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijzen mondeling toe te lichten.

   [appellanten sub 6] voeren hiertoe aan dat zij niet persoonlijk antwoord hebben gekregen op hun zienswijze.

   [appellant sub 7] voert hiertoe aan dat niet alle stukken op het gemeentehuis ter inzage hebben gelegen.

   [appellante sub 3] voert hiertoe aan dat niet serieus naar haar is geluisterd.

   [appellanten sub 21] voeren hiertoe aan dat de communicatie over de plannen onduidelijk en onzorgvuldig is geweest.

Het standpunt van verweerders

2.7.    Het algemeen bestuur stelt zich op het standpunt dat alle benodigde procedures op een juiste wijze zijn doorlopen.

   Volgens het college van gedeputeerde staten hebben de definitieve besluiten met de daarop betrekking hebbende stukken ter inzage gelegen, tezamen met de bijbehorende inventarisatielijst. Indien relevante stukken hebben ontbroken tijdens het bezoek van appellanten zou een bericht aan de in de publicatie genoemde contactpersonen voldoende zijn geweest om daaraan tegemoet te komen. Dit is niet gebeurd, aldus het college. Bovendien zijn volgens hem de primaire besluiten ook zonder de daarop betrekking hebbende stukken voldoende duidelijk.

De vaststelling van de feiten

2.8.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.8.1.    Tijdens de voorbereiding en de ontwerpfase van het dijkversterkingsplan is een aantal informatieavonden georganiseerd, waarbij de noodzaak tot versterking, de procedure, de planvorming, de verwerving van de benodigde gronden en schadeloosstelling/schadevergoeding zijn toegelicht. Verder hebben zogenoemde keukentafelgesprekken plaatsgevonden. In deze gesprekken is uitleg verstrekt over de alternatieven die in beeld waren, zijn vragen beantwoord en heeft uitwisseling van informatie plaatsgevonden. De planvorming is voorts getoetst door de Coördinatiecommissie Dijkverzwaring, die daarvoor openbare bijeenkomsten heeft gehouden. Ten slotte is tijdens de termijn van terinzagelegging van het ontwerpdijkversterkingsplan een hoorzitting gehouden waar zienswijzen mondeling konden worden ingebracht. In de kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerpdijkversterkingsplan is voorts meegedeeld dat bij het indienen van een schriftelijke reactie kan worden verzocht om in de gelegenheid te worden gesteld deze mondeling toe te lichten. De mondeling en schriftelijk naar voren gebrachte zienswijzen zijn samengevat weergegeven en voorzien van een antwoord in de Nota van beantwoording van 22 februari 2005. Na de vaststelling van het plan is geen hoorzitting gehouden om ingebrachte zienswijzen te kunnen toelichten.

2.8.2.    De zienswijze van [appellanten sub 6] is weergegeven en beantwoord onder nummer 126 van de Nota van beantwoording. Op hun bezwaren tegen het verdwijnen van een strandje is daar niet ingegaan. In de Projectnota/MER dijkversterking Nederlek is expliciet vermeld dat eventuele strandjes permanent kunnen worden aangetast.

2.8.3.    De inventarisatielijst is een lijst van op het plan betrekking hebbende stukken. Niet genoemd daarin is de Nota Dijkversterking Nederlek, Ontwerpfase, projectnummer CO-398203-0082, Versie 02, definitief (hierna: de Nota Dijkversterking Nederlek).

2.8.4.    Ingevolge artikel 19 van de Wwk (oud) is de in afdeling 3.4 (oud) van de Awb geregelde procedure, op enkele uitzonderingen na, van toepassing met betrekking tot de voorbereiding van het plan en van de in artikel 18, eerste lid, bedoelde besluiten.

2.8.5.    Ingevolge artikel 3:11 (oud) van de Awb wordt het ontwerp, met de daarop betrekking hebbende stukken, ter inzage gelegd.

Het oordeel van de Afdeling

2.9.    De Afdeling stelt voorop dat, gelet op het grote aantal klachten van appellanten over de wijze waarop zij van informatie zijn voorzien over de gevolgen van het plan voor hun situatie, de wijze waarop met hen werd gecommuniceerd en de onoverzichtelijke situatie die zij aantroffen bij het inzien van de stukken, aannemelijk is dat de informatievoorziening en communicatie beter had kunnen zijn. Gelet op de informatieavonden en keukentafelgesprekken kan evenwel niet met vrucht worden staande gehouden dat in algemene zin onvoldoende met belanghebbenden over het plan is gecommuniceerd.

   Voorts is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat is voldaan aan de wettelijke vereisten ter zake van de kennisgeving van de terinzagelegging, behoudens de omstandigheid dat de Nota Dijkversterking Nederlek, die moet worden aangemerkt als een op het plan betrekking hebbend stuk als bedoeld in artikel 3:11 (oud) van de Awb, niet overeenkomstig dat artikel ter inzage heeft gelegen. Deze nota bevat echter in relatie tot de overige stukken niet zodanig specifieke informatie, dat verweerders reeds hierom niet tot besluitvorming hadden kunnen overgaan. Bovendien staat vast dat [appellant sub 7] van genoemd rapport kennis heeft genomen, zodat hij niet in zijn belangen is geschaad.

   Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de zienswijzen samengevat worden weergegeven. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat de bestreden besluiten onvoldoende zijn gemotiveerd. Gebleken is dat de zienswijze van [appellanten sub 6] met betrekking tot het verdwijnen van een strandje in de Nota van Beantwoording ten onrechte niet is beantwoord. Aangezien aantasting van eventuele strandjes in het desbetreffende dijkvak in de Projectnota/MER is onderkend en het college van gedeputeerde staten in het verweerschrift is ingegaan op hetgeen appellanten ter zake hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel aan genoemd gebrek gevolgen te verbinden. Verder is niet aannemelijk gemaakt dat niet alle zienswijzen door het algemeen bestuur bij de besluitvorming zijn betrokken. De strekking van de petitie die door de Dijkcommissie Lekkerkerk is ingediend bij het algemeen bestuur is niet anders dan de door haar ingediende zienswijze en is derhalve als zodanig in de besluitvorming betrokken.

   [appellanten sub 1] heeft in zijn zienswijze niet verzocht om zijn zienswijze mondeling te mogen toelichten. Voorts valt in afdeling 3.4 (oud) van de Awb, noch in enig ander wettelijk voorschrift, een bepaling aan te wijzen op grond waarvan een hoorzitting moet worden gehouden waar de schriftelijk ingediende zienswijzen mondeling kunnen worden toegelicht. Gelet hierop bestond voor verweerders geen verplichting om [appellanten sub 1] daartoe in de gelegenheid te stellen.

   Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in de formele bezwaren van appellanten geen aanleiding tot vernietiging van de besluiten tot vaststelling en goedkeuring van het dijkversterkingsplan over te gaan.

Algemene aspecten betreffende schade en onteigening

Het standpunt van appellanten

2.10.    Een aantal appellanten, waaronder de Dijkcommissie Lekkerkerk, stelt in beroep dat het dijkversterkingsplan ten onrechte is vastgesteld en goedgekeurd, omdat zij als gevolg daarvan schade zullen lijden. In het bijzonder stellen zij dat onteigening te ver gaat en dat kan worden volstaan met het vestigen van een recht van opstal ten gunste van het hoogheemraadschap.

Het standpunt van verweerders

2.11.    Het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten stellen zich op het standpunt dat de dijkversterking wordt gediend wanneer de benodigde gronden eigendom zijn van de beheerder van de waterkering, het hoogheemraadschap. Voorts wijzen verweerders erop dat betrokkenen die gronden verliezen volledig schadeloos zullen worden gesteld en dat de belanghebbende die overigens schade lijdt, of zal lijden, een verzoek tot schadevergoeding kan indienen op basis van de Nadeelcompensatieregeling Schieland en de Krimpenerwaard (hierna: de Nadeelcompensatieregeling).

De vaststelling van de feiten

2.12.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.12.1.    Voor de uitvoering van het dijkversterkingsplan dient een aantal betrokkenen gronden af te staan. In het grondplan en de lijst van te onteigenen onroerende zaken, welke onderdeel zijn van het dijkversterkingsplan, is vastgelegd om welke gronden het gaat.

   In het Beheerplan waterkeringen uit 2001 van het hoogheemraadschap is als beleidsregel opgenomen dat bij dijkversterkingen de gronden binnen het dijkversterkingsprofiel worden aangekocht. Dit betreft de gronden tussen de binnen- en buitenteenlijn van de (nieuwe) dijk en aansluitend daarbuiten een onderhoudsstrook van vijf meter. Volgens het Beheerplan biedt verwerving van de gronden door het hoogheemraadschap de beste waarborg voor uniformiteit en continuïteit bij dijkversterkingen, duurzaamheid bij beheer en onderhoud, bereikbaarheid bij calamiteiten en efficiënte handhaving van de keur.

2.12.2.    In de Nota van beantwoording, alsmede in de verweerschriften van het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten, staat vermeld dat onevenredige nadelen die ontstaan door het rechtmatig uitvoeren van de dijkversterking zullen worden gecompenseerd, met toepassing van de Nadeelcompensatieregeling.

   Ingevolge artikel 2 van de Nadeelcompensatieregeling kan een belanghebbende die schade lijdt of zal lijden als gevolg van

a. het nemen, intrekken of wijzigen van een besluit;

b. het aanleggen, wijzigen of onderhouden van waterstaatswerken;

bij het hoogheemraadschap een aanvraag tot verlening van een schadevergoeding indienen.

   Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Nadeelcompensatieregeling, wordt aan de aanvrager die schade lijdt als gevolg van rechtmatige besluiten of handelingen van het hoogheemraadschap als bedoeld in artikel 2, aanhef onder a en b, een schadevergoeding verstrekt, indien die schade redelijkerwijze niet of niet geheel ten laste van belanghebbende behoort te blijven en de vergoeding van die schade niet anderszins is verzekerd.

Het oordeel van de Afdeling

2.13.    Bij de beoordeling van de vraag of het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten het dijkversterkingsplan in redelijkheid hebben kunnen vaststellen respectievelijk goedkeuren, dient onder meer te worden betrokken of zij hebben onderzocht welke schade mogelijkerwijs kan optreden en of hierbij sprake is van zodanige schade dat deze zwaarder zou moeten wegen dan het belang dat is gediend met de dijkversterking. Voorts dient hierbij te worden betrokken dat ten aanzien van mogelijk optredende schade als gevolg van het dijkversterkingsplan in ieder geval dient vast te staan dat er een regeling is voor de afhandeling van deze schade en welke regeling dat is.

   Uit de stukken, waaronder het milieueffectrapport (hierna: MER), blijkt dat verweerders onderzoek hebben gedaan naar de effecten van de mogelijke oplossingen die bijdragen aan het halen van de doelstellingen op de aspecten landschap, natuur, cultuurhistorie, bodem en water, woon-, werk- en leefmilieu, beheer en onderhoud, kosten en invloed op de rivierwaterstand. Niet te vermijden valt dat het project lokaal de aanwezige landschappelijke, natuur- en cultuurhistorische waarden zal aantasten. Deze aantasting is in kaart gebracht, waarbij voorts is aangegeven met welke mitigerende en compenserende maatregelen deze aantasting kan worden beperkt door de effecten te verzachten.

   Zoals de Afdeling al verscheidene malen heeft geoordeeld, is het uitgangspunt van het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten, dat de ondergrond van de dijk eigendom is van de beheerder, redelijk. Hiermee is de uniformiteit en continuïteit bij versterkingen en de duurzaamheid van de waterkering het beste gewaarborgd. Het vestigen van een recht van opstal of een erfdienstbaarheid ten behoeve van het hoogheemraadschap hebben zij in redelijkheid ontoereikend kunnen achten, omdat daarmee afbreuk wordt gedaan aan het uitgangspunt dat het beheer van de dijk niet afhankelijk dient te zijn van de medewerking van particulieren.

   Ten aanzien van de door enkele appellanten gemaakte vergelijking met een dijkversterkingsproject 50 meter verderop, waarbij geen gronden zijn verworven, overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat die situatie zodanig overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie, dat het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten om deze reden niet hebben kunnen overgaan tot vaststelling en goedkeuring van het plan, reeds omdat dit andere project dateert van voor de vaststelling van het Beheerplan waterkeringen uit 2001, waarin het verwervingsbeleid is vastgelegd.

   Voor zover betrokkenen gronden moeten afstaan die nodig zijn voor het ruimtebeslag van de voorziene dijkversterking, blijkt uit de toelichting op het ontwerpplan, die tevens de toelichting is op het vastgestelde plan, dat verwerving van de gronden in eerste instantie op minnelijke basis zal geschieden. In een later stadium kan, indien het minnelijke verwervingstraject niet tot resultaat heeft geleid, tot onteigening worden overgegaan. Voor schade die ontstaat door de onteigening van de gronden wordt een volledige schadeloosstelling verstrekt op basis van de Onteigeningswet. Ten aanzien van het ruimtebeslag is van belang dat uit de toelichting op het ontwerpplan blijkt dat is gepoogd het ruimtebeslag zo klein mogelijk te houden. Zo is onder meer afgezien van de aankoop van de onderhoudsstrook van vijf meter, omdat geen effectief gebruik van deze strook kan worden gemaakt door de aanwezigheid van vele afritten.

   Voorts is van belang dat in overleg met de betrokkenen aan de hand van een uit te voeren grondmechanisch onderzoek zal worden beoordeeld welke panden langs de dijk risico lopen en dat van alle panden in de directe nabijheid van de te versterken dijk bouwkundige vooropnames worden gemaakt. Samen met de bevestiging van zettingboutjes aan de panden gebeurt dit kort voor de daadwerkelijke uitvoering van de werkzaamheden. In geval uitvoeringsschade optreedt, kan deze met behulp van een eindopname worden vastgesteld. Uit de stukken blijkt, hetgeen ter zitting is bevestigd, dat de schade die op deze wijze wordt vastgesteld, door het hoogheemraadschap zal worden vergoed.

   Voor zover betrokkenen overigens schade lijden als gevolg van de uitvoering van het dijkversterkingsplan bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de Nadeelcompensatieregeling niet voldoet voor vergoeding van deze schade. In dit verband is van belang dat het project zoveel mogelijk schadevoorkomend en schadebeperkend zal worden uitgevoerd.

   Uit hetgeen appellanten hebben aangevoerd wordt niet aannemelijk dat de schade die kan optreden zodanig is dat deze in de weg staat aan de uitvoering van het dijkversterkingsplan. Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat in algemene zin onvoldoende rekening is gehouden met de negatieve gevolgen van het dijkversterkingsplan voor betrokkenen. Ook het ruimtebeslag dat nodig is voor de dijkversterking is in het algemeen niet onredelijk. Of in concrete gevallen voldoende aan de belangen van appellanten is tegemoet gekomen, zal, in verband met de verschillende situaties die zich kunnen voordoen, worden bezien bij de behandeling van de verschillende individuele beroepen.

2.14.    Aangezien de Dijkcommissie Lekkerkerk voor het overige geen inhoudelijke bezwaren heeft aangevoerd tegen de vaststelling en goedkeuring van het dijkversterkingsplan, is het beroep van de Dijkcommissie Lekkerkerk ongegrond.

Algemene aspecten betreffende schade en onteigening in verband met de kap van bomen

Het standpunt van appellanten

2.15.    Een aantal appellanten stelt in beroep dat het dijkversterkingsplan ten onrechte is vastgesteld en goedgekeurd, voor zover hierin gronden zijn opgenomen waar bomen staan die gekapt moeten worden. Appellanten stellen zich op het standpunt dat onteigening te ver gaat.

   [appellanten sub 6], alsmede [appellanten sub 21], stellen in beroep onder meer dat het dijkversterkingsplan ten onrechte is vastgesteld en goedgekeurd, omdat het kapplan niet correct en onvolledig is en de voorgestelde kaalslag veel te ver gaat. Appellanten hebben bezwaar tegen de grootschalige kap van beeldbepalende bomen. Voorts stelt een aantal appellanten in beroep dat een aantal specifieke, met nummers aangeduide bomen, niet gekapt mag worden, omdat in de belangenafweging dienaangaande onvoldoende rekening is gehouden met de landschappelijke waarde van deze bomen en de gevolgen van de kap voor de fauna.

Het standpunt van verweerders

2.16.    Volgens de besluiten tot vaststelling, respectievelijk goedkeuring van het dijkversterkingsplan is het voor de uitvoering van het project nodig een aantal bomen en struiken te rooien. Omdat ten tijde van deze besluiten slechts de eigenaar van de bomen ingevolge de Algemene Verordening Krimpenerwaard voor het kappen van bomen gerechtigd is een vergunning aan te vragen, zijn de gronden waar te kappen bomen staan in het onteigeningsplan en het bijbehorende grondplan opgenomen, aldus genoemde besluiten. Daardoor heeft het hoogheemraadschap de mogelijkheid eigenaar te worden van de desbetreffende gronden en de daarop staande bomen en kan hij vervolgens een kapvergunning aanvragen.

   Volgens het verweerschrift van het algemeen bestuur is de aankoop van de gronden thans niet meer nodig als gevolg van de inwerkingtreding van de Wijzigingswet. Het college van gedeputeerde staten heeft dit ter zitting bevestigd.

   Verweerders achten de noodzaak voor de kap van een groot aantal bomen voldoende aangetoond.

De vaststelling van de feiten

2.17.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.17.1.    Bij de voorbereiding van het dijkversterkingsplan is geïnventariseerd welke maatregelen moeten worden getroffen om de dijkversterking uit te kunnen voeren. Daartoe is onder meer een inventarisatie gemaakt van alle bomen op de dijk, in het dijktalud, in de teen van de dijk en binnen vier meter achter de teen van de dijk. Van 970 bomen is een aantal gegevens vastgelegd in zogenoemde registratieformulieren. De inventarisatie is uitgevoerd door Bomenwacht Nederland B.V. en de resultaten zijn vastgelegd in het rapport "Inventarisatie & Visuele boomcontrole 970 bomen Nederlek Hoogheemraadschap van de Krimpenerwaard". Op basis van het inventarisatierapport is een kapplan opgesteld waarin staat aangegeven welke bomen moeten worden gerooid en welke moeten worden gesnoeid.

   Uit de stukken volgt dat er redenen kunnen zijn, waarom het noodzakelijk is bepaalde bomen te kappen. Zo kan het zijn dat de gronden waarop bomen staan, moeten worden ontgraven in verband met een verlegging van de waterkering. Verder heeft beplanting invloed op de erosiebestendigheid van het (binnen)talud van de dijk en dus op de veiligheid. Om te kunnen voldoen aan de veiligheidsnorm uit de Wwk moet de bekleding van het binnentalud een gesloten begroeiing (gras) hebben. Voorts komt het voor dat de dijkversterking leidt tot aanpassing van de afritten die dienen ter ontsluiting van de aanliggende percelen. Indien zich ter plaatse van deze (nieuwe) afritten bomen bevinden, kunnen deze niet worden gehandhaafd.

   Naar aanleiding van een groot aantal zienswijzen met betrekking tot het kapplan heeft een nadere beoordeling plaatsgevonden. Deze beoordeling heeft ertoe geleid dat het kapplan is aangepast, omdat van 33 bomen is gebleken dat het niet nodig is deze te kappen en van 5 bomen is gebleken dat deze door de Bomenstichting te Utrecht zijn aangewezen als monumentale bomen. Alle overige bomen moeten volgens het kapplan worden gekapt. Hiervoor is een kapvergunning vereist.

2.17.2.    Artikel 4.5.3. van de Algemene Verordening Krimpenerwaard, eerste lid, luidt als volgt:

"De vergunning moet worden aangevraagd door of namens dan wel met toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken."

2.17.3.    Met de inwerkingtreding van de Wijzigingswet is onder meer artikel 7f aan de Wwk toegevoegd. Het derde lid van dit artikel luidt:

"Ten aanzien van de aanvragen tot het nemen van de in artikel 7d, eerste lid, bedoelde besluiten is de beheerder mede bevoegd deze in te dienen bij de bevoegde bestuursorganen."

   Ten aanzien van dit artikel bevat de Wijzigingswet geen overgangsrecht, zodat dit artikel met ingang van 28 september 2005 van toepassing is.

2.17.4.    Ten tijde van de goedkeuring van het dijkversterkingsplan was nog geen kapvergunning verleend. Inmiddels is op 16 maart 2006 een kapvergunning verleend.

Het oordeel van de Afdeling

2.18.    Gelet op artikel 4.5.3. van de Algemene Verordening Krimpenerwaard was ten tijde van de vaststelling en de goedkeuring van het dijkversterkingsplan expliciet voorzien in de mogelijkheid dat door de beheerder, ondanks dat hij niet eigenaar was van de desbetreffende gronden, vergunning zou worden aangevraagd voor de kap van bomen. Het standpunt van het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten dat ten tijde van de besluitvorming vast stond dat het hoogheemraadschap niet gerechtigd was een vergunning aan te vragen voor de kap van de bomen, is dan ook onjuist. Niet is gebleken dat het algemeen bestuur heeft onderzocht of toestemming kon worden verkregen van de eigenaren van de gronden waarop zich bomen bevinden die blijkens het kapplan moeten worden gekapt. Gelet hierop is het dijkversterkingsplan in zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

   Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wijzigingswet is het standpunt van het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten gewijzigd. Hun nieuwe standpunt dat verwerving van deze gronden niet noodzakelijk is, omdat artikel 7f, derde lid, van de Wwk, gelezen in samenhang met artikel 4.5.3. van de Algemene Verordening Krimpenerwaard, voldoende mogelijkheden biedt voor het aanvragen van de benodigde kapvergunning, is juist. Als gevolg hiervan is de situatie ontstaan dat het hoogheemraadschap zal afzien van de verwerving van de eigendom van deze gronden, terwijl het grondplan en de lijst van te onteigenen onroerende zaken als onderdelen van het dijkversterkingsplan hier wel een grondslag voor bieden. Er blijft dus een grondslag om tot onteigening over te gaan. Dat inmiddels nieuwe kaarten zijn gemaakt, waarop een kleiner grondbeslag is aangegeven, maakt dit niet anders, aangezien deze kaarten dateren van na de besluitvorming en derhalve geen deel uitmaken van de besluiten tot vaststelling en goedkeuring van het dijkversterkingsplan. De Afdeling acht deze situatie voor de betrokken eigenaren van de gronden rechtsonzeker.

   Uit het vorenstaande volgt dat het dijkversterkingsplan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb en in strijd met het beginsel van de rechtszekerheid. Door het plan in zoverre niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met dit artikel en dit rechtsbeginsel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Deze onderdelen van de besluiten tot vaststelling en goedkeuring van het dijkversterkingsplan dienen dan ook te worden vernietigd. In verband met de verschillende situaties die zich kunnen voordoen, zal de uitwerking hiervan plaatsvinden bij de behandeling van de verschillende beroepen.

2.18.1.    Voor zover appellanten in beroep zijn gekomen tegen een kapvergunning, vat de Afdeling deze beroepen op als te zijn gericht tegen het kapplan als onderdeel van het dijkversterkingsplan. Tegen de kapvergunning van 16 maart 2006 staan aparte rechtsmiddelen open.

   In hetgeen appellanten aanvoeren met betrekking tot het kapplan en het hieraan ten grondslag liggende inventarisatierapport ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit rapport in het algemeen zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat verweerders zich bij het nemen van hun besluiten hierop niet hebben kunnen baseren. [appellanten sub 6], alsmede [appellanten sub 21], hebben niet aannemelijk gemaakt dat in het kapplan bomen zijn opgenomen waarvan niet duidelijk is of deze dienen te verdwijnen. Voorts hebben verweerders in het algemeen voldoende gemotiveerd waarom het noodzakelijk is de bomen te rooien.

   Voor zover appellanten stellen dat bepaalde, met nummers aangeduide bomen, niet gekapt mogen worden, wordt hierop ingegaan bij de behandeling van het desbetreffende individuele beroep.

[locatie 1]

Het standpunt van appellant

2.19.    [appellant sub 20] stelt in beroep, naast hetgeen reeds is weergegeven onder 2.6, dat het dijkversterkingsplan ten onrechte is vastgesteld en goedgekeurd voor zover het betreft zijn percelen aan de [locatie 1]. Hij voert hiertoe aan dat de grondverwerving door het hoogheemraadschap een te vergaande maatregel is, die leidt tot een aanzienlijke waardevermindering van zijn eigendom. Met zijn belang is onvoldoende rekening gehouden. Verder wordt gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, aldus appellant, omdat bij andere dijkversterkingen is afgezien van verwerving van de gronden. Appellant stelt voorts dat de tijdelijke ingebruikname van een ander deel van zijn percelen niet reëel is en een buitengewone aantasting van de rechten van hem en zijn buren, omdat deze gronden de ontsluiting vormen voor hun percelen.

Het standpunt van verweerders

2.20.    Het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten hebben het dijkversterkingsplan in zoverre niet in strijd met het recht geacht en hebben dit vastgesteld, respectievelijk goedgekeurd. Zij stellen zich op het standpunt dat een optimale beschikkingsbevoegdheid over de primaire waterkering het best te realiseren is via de verwerving van de eigendom van de benodigde gronden. Voorts stellen verweerders dat de belangen voldoende zijn afgewogen.

De vaststelling van de feiten

2.21.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.21.1.    [appellant sub 20] is onder meer eigenaar van het binnendijkse perceel [locatie 1], dat bestaat uit twee kadastrale percelen, bekend als gemeente Lekkerkerk, sectie C, de nummers 7114 en 7113, met een gezamenlijke oppervlakte van 795 m2. Van deze percelen is volgens het grondplan en de lijst van te onteigenen onroerende zaken 100 m2 nodig voor de dijkversterking, omdat dit gedeelte binnen het dijkversterkingsprofiel van de nieuwe dijk ligt. Deze gronden beslaan de gehele oppervlakte tussen de Schuwacht en de voorgevel van het huis van appellant. Dit gedeelte bestaat uit dijktalud, een terrasje van grind met wat groen, alsmede uit een erf/afrit welke dient ter ontsluiting van het perceel van appellant en van de percelen Schuwacht 132, 126, 128 en 130. Ten behoeve van de eigenaars en bewoners van deze percelen is een (beperkt) recht van overpad gevestigd op de afrit.

   Appellant is voorts eigenaar van twee buitendijkse percelen, kadastraal bekend als gemeente Lekkerkerk, sectie C, nummer 6818, met een oppervlakte van 124 m2 en nummer 6820, met een oppervlakte van 153 m2. Deze percelen zijn volgens het grondplan en de te onteigenen onroerende zaken in hun geheel nodig voor de dijkversterking, omdat deze percelen binnen het dijkversterkingsprofiel van de nieuwe dijk liggen. De percelen zijn begroeid met gras, dat wordt gemaaid en gebruikt als veevoer.

   Van het perceel met het kadastrale nummer 7114 is voorts volgens het grondplan 63 m2 tijdelijk nodig voor de uitvoering van de werkzaamheden. Deze gronden zijn thans in gebruik als erf en als afrit/ontsluiting voor het perceel van appellant en de percelen Schuwacht 132, 126, 128 en 130. Voor het gebruik van deze gronden wenst het hoogheemraadschap een overeenkomst te sluiten.

2.21.2.    De binnenteen van de dijk komt te liggen op twee meter van de voorgevel van de woning van appellant.

2.21.3.    Voor de algemene feiten met betrekking tot het afstaan van gronden en de hieruit voortvloeiende schade wordt verwezen naar overweging 2.12.1.

   Uit de stukken volgt dat als uitgangspunt wordt gehanteerd dat door het hoogheemraadschap in beginsel geen gronden worden verworven die liggen binnen een strook van twee meter rond een woning. Ter zitting is toegelicht dat dit uitgangspunt tot uitdrukking komt in de weergave op de kaarten van het grondplan. Voorts heeft het algemeen bestuur een kaart getoond waaruit blijkt dat een kleiner deel van de gronden van appellant zal worden verworven dan in het grondplan is aangegeven.

Het oordeel van de Afdeling

2.22.    Uit de feiten zoals weergegeven onder 2.21.3 volgt dat het hoogheemraadschap zal afzien van de verwerving van de eigendom van de gronden binnen twee meter van de voorgevel van de woning van appellant terwijl het grondplan en de lijst van te onteigenen onroerende zaken als onderdelen van het dijkversterkingsplan hier niettemin wel een grondslag voor bieden. Het standpunt van het algemeen bestuur dat dit te maken heeft met de aanwezigheid van bomen op deze gronden, vindt geen steun in de dossierstukken. Wat hier verder ook van zij, het algemeen bestuur heeft ter zitting erkend dat een kleiner deel van de gronden van appellant dan in het grondplan is aangegeven, zal moeten worden verworven.

   Hieruit volgt dat het dijkversterkingsplan op dit punt is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb en dat het gewijzigde standpunt van verweerders ten aanzien van de verwerving van de eigendom van de gronden, leidt tot een situatie die onzeker is voor de eigenaar van de gronden, [appellant sub 20].

2.22.1.    Voor een beoordeling van het standpunt van het algemeen bestuur dat gronden die nodig zijn voor de dijkversterking zelf door het hoogheemraadschap zullen worden verworven, en de goedkeuring van dit standpunt door het college van gedeputeerde staten, verwijst de Afdeling allereerst naar hetgeen zij heeft overwogen onder 2.13.

   Met betrekking tot de individuele situatie van [appellant sub 20] is de Afdeling niet gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden dat verweerders hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan het belang dat is gediend met de voortgang van het dijkversterkingsproject. In dit verband is van belang dat een mogelijke eigendomsoverdracht van de betrokken gronden het hierop gevestigde recht van overpad in stand laat. Weliswaar is appellant na de overdracht niet meer gerechtigd om toe te zien op de handhaving van het recht van overpad, doch het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten hebben zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat op voorhand niet valt te verwachten dat dit leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woongenot van appellant.

2.22.2.    Met betrekking tot de tijdelijke ingebruikneming van een deel van het perceel van appellant, is van belang dat gedurende de uitvoering van de werkzaamheden alle woningen bereikbaar zullen blijven. Voorts kunnen deze gronden niet in gebruik worden genomen voordat hierover overeenstemming is bereikt met de eigenaar.

2.22.3.    Gelet op het voorgaande zijn de besluiten tot vaststelling en goedkeuring van het dijkversterkingsplan voor zover het betreft het gedeelte van de gronden op het perceel [locatie 1] binnen twee meter van de voorgevel van de woning van appellant kadastraal bekend gemeente Lekkerkerk, sectie C, nummers 7114 en 7113, in strijd met artikel 3:2 van de Awb en de rechtszekerheid in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Hierin ziet de Afdeling aanleiding dit gedeelte van beide besluiten te vernietigen. Voor de exacte weergave van het gedeelte van de gronden zal de Afdeling zich baseren op een ter zitting door het algemeen bestuur overgelegde kaart. Het beroep van [appellant sub 20] is in zoverre gegrond.

   In hetgeen [appellant sub 20] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten overigens niet in redelijkheid het dijkversterkingsplan in zoverre hebben kunnen vaststellen, respectievelijk goedkeuren. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de besluiten tot vaststelling en goedkeuring van het dijkversterkingsplan in zoverre anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 20] is voor het overige ongegrond.

[locatie 2] en [locatie 3]

Het standpunt van appellanten

2.23.    [appellanten sub 4] stellen in beroep dat het dijkversterkingsplan ten onrechte is vastgesteld en goedgekeurd voor zover hierdoor de oprit van [locatie 3] verder voor de woning aan [locatie 2] komt te liggen. Volgens hen is het mogelijk de oprit iets meer in westelijke richting te verplaatsen.

Het standpunt van verweerders

2.24.    Het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten hebben het dijkversterkingsplan in zoverre niet in strijd met het recht geacht en hebben dit vastgesteld, respectievelijk goedgekeurd. Het algemeen bestuur stelt zich op het standpunt dat uitgangspunt is om de afrit terug te brengen met eenzelfde helling als de bestaande afrit en dat de afrit daardoor langer moet worden. Het is bereid om bij de nadere detaillering te onderzoeken of de bovenzijde van de afrit iets in westelijke richting verplaatst kan worden.

Vaststelling van de feiten

2.25.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.25.1.    De oprit bij de woning [locatie 3] van [appellant sub 4B] ligt deels op gronden van [appellant sub 4A] en wordt in het plan doorgetrokken vóór diens woning [locatie 2], zodat de oprit onder dezelfde hoek van 38 graden aantakt op de ter plaatse te verleggen weg. De hellinghoek wordt hierdoor minder scherp dan in de huidige situatie, maar de nieuwe oprit begint, vanaf de rijweg gezien, ongeveer halverwege de voorgevel van [locatie 2], waardoor de auto's langer visueel waarneembaar zijn vanuit deze woning. Door de flauwere helling is het niet meer noodzakelijk dat de oprit aantakt onder een hoek van 38 graden, maar is een grotere hoek mogelijk. In dat geval kan de oprit in meer westelijke richting beginnen, aldus het deskundigenbericht.

2.25.2.    Volgens de toelichting op het plan is het uitgangspunt een afrit terug te brengen met een zelfde helling als de bestaande afrit.

Het oordeel van de Afdeling

2.26.    Ter zitting is door de vertegenwoordiger van het algemeen bestuur toegezegd dat in de bestekfase zoveel mogelijk rekening zal worden gehouden met de wens van appellanten, maar dat de mate waarin daaraan kan worden tegemoet gekomen, afhangt van de vraag in hoeverre eventuele technische problemen kunnen worden opgelost. De precieze ligging van de oprit betreft derhalve een optimalisatie in de aanbestedingsfase. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten niet in redelijkheid het dijkversterkingsplan in zoverre hebben kunnen vaststellen, respectievelijk goedkeuren. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de besluiten tot vaststelling en goedkeuring van het dijkversterkingsplan in zoverre anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 4] is ongegrond.

[locatie 4]

Het standpunt van appellant

2.27.    [appellant sub 5] stelt in beroep dat het dijkversterkingsplan ten onrechte is vastgesteld en goedgekeurd voor zover het betreft zijn perceel aan de [locatie 4]. Hij voert hiertoe aan dat de grondverwerving door het hoogheemraadschap niet nodig is en de mogelijkheid om een en ander te regelen via het recht van opstal op onvoldoende gronden is afgewezen. Hij vreest hierdoor aanzienlijke financiële schade. Voorts acht hij de noodzaak van de kap van enkele bomen ter plaatse niet aangetoond.

Het standpunt van verweerders

2.28.    Het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten hebben het dijkversterkingsplan in zoverre niet in strijd met het recht geacht en hebben dit vastgesteld, respectievelijk goedgekeurd. Zij stellen zich op het standpunt dat een optimale beschikkingsbevoegdheid over de primaire waterkering het best te realiseren is via de verwerving van de eigendom van de benodigde gronden.

   Volgens het algemeen bestuur is het verder noodzakelijk om ruim één meter grond af te graven voor het aanbrengen van een damwand, waardoor twee leibomen niet kunnen worden gehandhaafd. De landschappelijke waarde van de bomen is dusdanig, dat verplaatsing niet in de rede ligt, aldus het algemeen bestuur.

Vaststelling van de feiten

2.29.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.29.1.    Het perceel [locatie 4] heeft een oppervlakte van ongeveer 873 m2. Het plan voorziet in de verwerving van een deel van het perceel ter grootte van 178 m2. Het betreft een strookje grind, dijktalud met daarin een betonnen trap en een keermuurtje. Nog juist in het dijktalud staat een grote appelboom. Pal tegen de dijkzijde van het keermuurtje staan twee leilinden. Deze bomen moeten volgens het kapplan worden gekapt. Uit de stukken is gebleken dat een deel van de te verwerven gronden daartoe in het grondplan is opgenomen. Nu eigendomsverwerving van deze gronden niet langer nodig is, zal hiervan worden afgezien. Ter zitting heeft het algemeen bestuur een kaart getoond waarop de nieuwe situatie is aangegeven.

2.29.2.    Ten aanzien van de twee leilinden heeft Bomenwacht in haar inventarisatierapport vastgesteld dat zij in de groeifase "jeugdig" verkeren, dat de stamdiameter minder dan 10 cm is, dat de kroon, de stam en de wortelvoet een goede mechanische kwaliteit hebben en dat de conditie, de veiligheid en de toekomstverwachting ook goed zijn.

   Ten aanzien van de grote appelboom wordt vermeld dat elk van de vier stammen een diameter van 10 cm heeft.

   Volgens het deskundigenbericht brengt het vellen van deze bomen geen onomkeerbare schade toe aan natuur en landschap, gelet op de omstandigheid dat het perceel is gelegen in de bebouwde kom en dat zich aan de overzijde van de weg een deel van een appartementencomplex bevindt.

2.29.3.    Voor de algemene feiten met betrekking tot het afstaan van gronden en de hieruit voortvloeiende schade, alsmede de kap van bomen, wordt verwezen naar overweging 2.12.1 en 2.17.1 tot en met 2.17.3.

Het oordeel van de Afdeling

2.30.    Met betrekking tot de twee leilinden en de grote appelboom op het perceel van [appellant sub 5] is niet gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden dat verweerders hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan het belang dat is gediend met de voortgang van het dijkversterkingsproject. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat volgens het deskundigenbericht het vellen van deze bomen geen onomkeerbare schade toebrengt aan natuur en landschap. Appellant heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat de bomen kunnen worden gehandhaafd.

2.30.1.    Voor een beoordeling van het standpunt van het algemeen bestuur dat gronden waarop zich bomen bevinden die gekapt moeten worden, door het hoogheemraadschap moeten worden verworven, en de goedkeuring van dit standpunt door het college van gedeputeerde staten, verwijst de Afdeling allereerst naar hetgeen zij heeft overwogen onder 2.18.

   Hieruit volgt dat het dijkversterkingsplan op dit punt is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb en dat het gewijzigde standpunt van verweerders ten aanzien van de verwerving van de eigendom van gronden waarop zich te kappen bomen bevinden, leidt tot een situatie die onzeker is voor de eigenaar van de gronden, [appellant sub 5].

2.30.2.    Voor een beoordeling van het standpunt van het algemeen bestuur dat gronden die nodig zijn voor de dijkversterking zelf door het hoogheemraadschap zullen worden verworven, en de goedkeuring van dit standpunt door het college van gedeputeerde staten, verwijst de Afdeling allereerst naar hetgeen zij heeft overwogen onder 2.13.

   Met betrekking tot de individuele situatie van [appellant sub 5] is de Afdeling, afgezien van hetgeen hiervoor onder 2.30.1 is overwogen, overigens niet gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden dat verweerders hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan het belang dat is gediend met de voortgang van het dijkversterkingsproject.

2.30.3.    Gelet op het voorgaande zijn de besluiten tot vaststelling en goedkeuring van het dijkversterkingsplan voor zover het betreft een gedeelte van de gronden op het perceel [locatie 4], kadastraal bekend gemeente Lekkerkerk, sectie C, nummer 6657, in strijd met artikel 3:2 van de Awb en de rechtszekerheid, in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Hierin ziet de Afdeling aanleiding dit gedeelte van beide besluiten te vernietigen. Voor de exacte weergave van het gedeelte van de gronden zal de Afdeling zich baseren op een ter zitting door het algemeen bestuur overgelegde kaart. Het beroep van [appellant sub 5] is in zoverre gegrond.

   In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten overigens niet in redelijkheid het dijkversterkingsplan in zoverre hebben kunnen vaststellen, respectievelijk goedkeuren. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de besluiten tot vaststelling en goedkeuring van het dijkversterkingsplan in zoverre anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 5] is voor het overige ongegrond.

Voorstraat 220-Schuwacht 2

Het standpunt van appellant

2.31.    [appellant sub 10] stelt in beroep dat het dijkversterkingsplan ten onrechte is vastgesteld en goedgekeurd voor zover het betreft dijksectie K, tussen hmp 14.5 en hmp 14.6+40. Hiertoe voert hij aan dat het aanbrengen van een stalen damwand op deze locatie reeds in de voorbereidende fase van het plan was afgevallen en nu zonder deugdelijke belangenafweging alsnog in het plan is opgenomen. Appellant vraagt zich af of wellicht andere belangen dan waterkerings- en veiligheidsbelangen een rol hebben gespeeld bij de besluitvorming. Hij acht dit onzorgvuldig.

Het standpunt van verweerders

2.32.    Het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten hebben het dijkversterkingsplan in zoverre niet in strijd met het recht geacht en hebben dit vastgesteld, respectievelijk goedgekeurd. Zij stellen zich op het standpunt dat een zorgvuldige afweging van de verschillende mogelijkheden heeft plaatsgevonden.

De vaststelling van de feiten

2.33.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.33.1.    [appellant sub 10] woont aan de [locatie 5], in de nabijheid van sectie K van het dijkversterkingsplan.

2.33.2.    Volgens het MER zijn op basis van de effecten van diverse uitvoeringsvarianten twee alternatieven ontwikkeld: het meest milieuvriendelijk alternatief (MMA) en het voorkeursalternatief (VA). Het MMA wordt gevormd door zogenoemde constructieve oplossingen, omdat deze de minste gevolgen hebben voor landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Het VA is geformuleerd vanuit het MMA, waarbij met name is gekeken naar kosten, beheer en onderhoud (onder andere duurzaamheid) en bodem en water. In het VA is op een aantal trajecten gemotiveerd afgeweken van het MMA. In paragraaf 3.4. van het MER zijn per dijksectie de gemaakte keuze en afwegingen verwoord.

2.33.3.    In het ontwerpdijkversterkingsplan was voor het gedeelte tussen hmp 14.5 en hmp 14.6+40 gekozen voor een versterkingsvariant waarbij sprake is van een binnenwaartse grondversterking door de aanleg van een berm met een breedte van minimaal 34 meter. Volgens het MER is deze variant een duurzame, financieel aantrekkelijke en beter te beheren en onderhouden oplossing dan het plaatsen van een diepwand, een zogenoemde constructieve oplossing, die deel uitmaakt van het MMA. Bovendien zouden de panden Voorstraat 246 en 248 bij een keuze voor het MMA moeten worden verwijderd.

   Na vaststelling van het ontwerpdijkversterkingsplan en het MER heeft nader grondmechanisch onderzoek plaatsgevonden, op basis waarvan nader overleg heeft plaatsgevonden tussen de gemeente Nederlek, rijkswaterstaat en het hoogheemraadschap over de gekozen variant. Uit het onderzoek bleek dat de voorgenomen grondberm niet stabiel genoeg zou zijn, zodat deze gecombineerd zou moeten worden met een damwand. Voorts bleek dat een eventuele damwand minder zwaar zou hoeven worden uitgevoerd dan eerder werd voorzien. Verder bleek de verwerving van de benodigde grond voor een aan te leggen grondberm kostbaarder dan eerder voorzien. Ook werd duidelijk dat de panden Voorstraat 246 en 248 bij een keuze voor het MMA, niet zouden hoeven worden verwijderd. Op basis van deze inzichten heeft het algemeen bestuur alsnog gekozen voor een constructieve oplossing in de vorm van een damwand voor het gedeelte tussen hmp 14.5 en hmp 14.6+40. Deze keuze is verantwoord in de "Oplegnotitie dijkversterking Nederlek traject Schuwacht-Voorstraat-Opperduit" van 12 maart 2004.

Het oordeel van de Afdeling

2.34.    Zoals uit het voorgaande blijkt, heeft het algemeen bestuur op basis van onderzoek en overleg besloten de oorspronkelijke keuze voor een grondberm te wijzigen in een keuze voor een damwand. Niet is gebleken dat dit onderzoek en de op basis hiervan opgestelde rapporten zodanige gebreken of leemten in kennis vertonen, dat het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten zich hierop bij het nemen van hun besluiten niet hebben mogen baseren. Gelet hierop kan niet worden gesteld dat verweerders hun besluiten zonder deugdelijke belangenafweging hebben genomen. Dat in deze afweging de aspecten kosten, beheer en onderhoud een belangrijke rol hebben gespeeld, maakt de besluiten nog niet onrechtmatig, nu verweerders in hun afweging tevens de waterkerings- en veiligheidsbelangen hebben betrokken.

2.34.1.    In hetgeen [appellant sub 10] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten niet in redelijkheid het dijkversterkingsplan in zoverre hebben kunnen vaststellen, respectievelijk goedkeuren. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de besluiten tot vaststelling en goedkeuring van het dijkversterkingsplan in zoverre anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 10] is ongegrond.

[locatie 6]

Het standpunt van appellante

2.35.    [appellante sub 13] stelt in beroep dat het dijkversterkingsplan ten onrechte is vastgesteld en goedgekeurd voor zover het betreft haar percelen aan de [locatie 6]. Zij voert hiertoe aan dat de grondverwerving door het hoogheemraadschap niet nodig is en de mogelijkheid om een en ander te regelen via het recht van opstal op onvoldoende gronden is afgewezen. Appellante vreest aanzienlijke financiële schade.

Het standpunt van verweerders

2.36.    Het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten hebben het dijkversterkingsplan in zoverre niet in strijd met het recht geacht en hebben dit vastgesteld, respectievelijk goedgekeurd. Zij stellen zich op het standpunt dat een optimale beschikkingsbevoegdheid over de primaire waterkering het best te realiseren is via de verwerving van de eigendom van de benodigde gronden.

De vaststelling van de feiten

2.37.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.37.1.    [appellante sub 13] is eigenaar van het buitendijkse perceel [locatie 6], kadastraal bekend gemeente Lekkerkerk, sectie C, nummer 7525, dat een oppervlakte heeft van 2.295 m2. Van dit perceel is volgens het grondplan en de lijst van te onteigenen onroerende zaken 267 m2 nodig voor de dijkversterking, omdat dit gedeelte binnen het dijkversterkingsprofiel van de nieuwe dijk ligt. Dit gedeelte bestaat uit dijktalud dat is ingericht als tuin en uit water. Tevens bevinden zich hier twee parkeerplaatsen.

   Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat een deel van de te verwerven gronden in het grondplan is opgenomen in verband met de noodzakelijke kap van een aantal bomen. Nu eigendomsverwerving van deze gronden niet nodig is, zal hiervan worden afgezien. Ter zitting heeft het algemeen bestuur een kaart getoond waarop de nieuwe situatie is aangegeven.

2.37.2.    Voor de algemene feiten met betrekking tot het afstaan van gronden en de hieruit voortvloeiende schade, alsmede de kap van bomen, wordt verwezen naar overweging 2.12.1 en 2.17.1 tot en met 2.17.3.

Het oordeel van de Afdeling

2.38.    Voor een beoordeling van het standpunt van het algemeen bestuur dat gronden waarop zich bomen bevinden die gekapt moeten worden, door het hoogheemraadschap moeten worden verworven, en de goedkeuring van dit standpunt door het college van gedeputeerde staten, verwijst de Afdeling allereerst naar hetgeen zij heeft overwogen onder 2.18.

   Hieruit volgt dat het dijkversterkingsplan op dit punt is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb en dat het gewijzigde standpunt van verweerders ten aanzien van de verwerving van de eigendom van gronden waarop zich te kappen bomen bevinden, leidt tot een situatie die onzeker is voor de eigenaar van de gronden, [appellante sub 13].

2.38.1.    Voor een beoordeling van het standpunt van het algemeen bestuur dat gronden die nodig zijn voor de dijkversterking zelf door het hoogheemraadschap zullen worden verworven, en de goedkeuring van dit standpunt door het college van gedeputeerde staten, verwijst de Afdeling allereerst naar hetgeen zij heeft overwogen onder 2.13.

   Met betrekking tot de individuele situatie van [appellante sub 13] is de Afdeling, afgezien van hetgeen hiervoor onder 2.38. is overwogen, overigens niet gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden dat verweerders hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan het belang dat is gediend met de voortgang van het dijkversterkingsproject.

2.38.2.    Gelet op het voorgaande zijn de besluiten tot vaststelling en goedkeuring van het dijkversterkingsplan voor zover het betreft een gedeelte van de gronden op het perceel [locatie 6], kadastraal bekend gemeente Lekkerkerk, sectie C, nummer 7525, in strijd met artikel 3:2 van de Awb en de rechtszekerheid in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Hierin ziet de Afdeling aanleiding dit gedeelte van beide besluiten te vernietigen. Voor de exacte weergave van het gedeelte van de gronden zal de Afdeling zich baseren op de ter zitting door het algemeen bestuur overgelegde kaart. Het beroep van [appellante sub 13] is in zoverre gegrond.

   In hetgeen [appellante sub 13] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten overigens niet in redelijkheid het dijkversterkingsplan in zoverre hebben kunnen vaststellen, respectievelijk goedkeuren. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de besluiten tot vaststelling en goedkeuring van het dijkversterkingsplan in zoverre anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante sub 13] is voor het overige ongegrond.

[locatie 7] (gedeeltelijk)

Het standpunt van appellanten

2.39.    [appellanten sub 15] stellen in beroep dat het dijkversterkingsplan ten onrechte is vastgesteld en goedgekeurd voor zover het betreft hun percelen aan de [locatie 7]. Het betreft het perceel dat voorheen werd aangeduid als [locatie 8], maar sinds kort als [locatie 7]. Zij voeren hiertoe aan dat de grondverwerving door het hoogheemraadschap niet nodig is en onduidelijk blijft waarom reële alternatieven niet worden overwogen. Voorts wensen appellanten zekerheid omtrent het doen van bouwkundig onderzoek voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden, teneinde de mogelijke uitvoeringsschade te kunnen vaststellen en te laten vergoeden.

Het standpunt van verweerders

2.40.    Het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten hebben het dijkversterkingsplan in zoverre niet in strijd met het recht geacht en hebben dit vastgesteld, respectievelijk goedgekeurd. Zij stellen zich op het standpunt dat een optimale beschikkingsbevoegdheid over de primaire waterkering het best te realiseren is via de verwerving van de eigendom van de benodigde gronden. Voorts is vergoeding van de uitvoeringsschade volgens hen voldoende verzekerd.

De vaststelling van de feiten

2.41.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.41.1.    [appellanten sub 15] zijn eigenaars van het buitendijkse perceel [locatie 7], kadastraal bekend gemeente Lekkerkerk, sectie C, nummer 9847, met een oppervlakte van 240 m2. Van dit perceel is volgens het grondplan en de lijst van te onteigenen onroerende zaken 13 m2 nodig voor de dijkversterking, omdat dit gedeelte binnen het dijkversterkingsprofiel van de nieuwe dijk ligt. Dit gedeelte is in gebruik als stoep.

2.41.2.    Voor de algemene feiten met betrekking tot het afstaan van gronden en de hieruit voortvloeiende schade, alsmede de vergoeding van overige vormen van schade, wordt verwezen naar overweging 2.12.1 en 2.12.2.

Het oordeel van de Afdeling

2.42.    Voor een beoordeling van het standpunt van het algemeen bestuur dat gronden die nodig zijn voor de dijkversterking zelf door het hoogheemraadschap zullen worden verworven, en de goedkeuring van dit standpunt door het college van gedeputeerde staten, alsmede het standpunt dat voorzien is in een afdoende schaderegeling, verwijst de Afdeling allereerst naar hetgeen zij heeft overwogen onder 2.13.

   Met betrekking tot de individuele situatie van [appellanten sub 15] is de Afdeling niet gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden dat verweerders hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan het belang dat is gediend met de voortgang van het dijkversterkingsproject. In dit verband is van belang dat uit de stukken volgt dat ook de woning van appellanten in aanmerking komt voor de bouwkundige vooropnames en hierbij in het bijzonder onderzocht zal worden wat de effecten zijn van de werkzaamheden op de fundering van de woning, gelet op het feit dat deze rust op of deels bestaat uit een ondergrondse betonnen plaat.

2.42.1.    In hetgeen [appellanten sub 15] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten niet in redelijkheid het dijkversterkingsplan in zoverre hebben kunnen vaststellen, respectievelijk goedkeuren. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de besluiten tot vaststelling en goedkeuring van het dijkversterkingsplan in zoverre anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 15] is ongegrond.

[locatie 9]-[locatie 7] (gedeeltelijk)

Het standpunt van appellanten

2.43.    [appellante sub 14A], [appellante sub 14B] [appellant sub 14C] en [appellante sub 14D] stellen in beroep dat het dijkversterkingsplan ten onrechte is vastgesteld en goedgekeurd voor zover het betreft hun percelen aan de [locatie 9] en [locatie 8], alsmede een deel van het perceel [locatie 7]. Het betreft de percelen die voorheen werden aangeduid als [locatie 9], [locatie 10] en [locatie 8], maar sinds kort als [locatie 9], [locatie 8] en [locatie 7]. Zij voeren hiertoe aan dat zij aanzienlijke schade zullen lijden als hun benzinestation met kantoor en loodsen lange tijd niet bereikbaar zal zijn voor klanten. In dit verband stellen zij dat in 2000 tegen hen is gezegd dat de eerste tien jaar geen werkzaamheden aan de dijk waren voorzien. Appellanten stellen dat niet duidelijk is of na afloop van de werkzaamheden herbouw mogelijk is, dan wel in een alternatieve locatie zal worden voorzien, mede gelet op de technische aspecten van het slaan van een damwand. Voorts stellen appellanten dat de grondverwerving door het hoogheemraadschap niet nodig is en onduidelijk blijft waarom reële alternatieven niet worden overwogen.

Het standpunt van verweerders

2.44.    Het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten hebben het dijkversterkingsplan in zoverre niet in strijd met het recht geacht en hebben dit vastgesteld, respectievelijk goedgekeurd. Zij stellen zich op het standpunt dat een optimale beschikkingsbevoegdheid over de primaire waterkering het best te realiseren is via de verwerving van de eigendom van de benodigde gronden. Voorts is vergoeding van de uitvoeringsschade volgens hen voldoende verzekerd.

De vaststelling van de feiten

2.45.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.45.1.    [appellant sub 14C] en [appellante sub 14D] zijn onder meer eigenaars van het buitendijkse perceel [locatie 9], kadastraal bekend gemeente Lekkerkerk, sectie C, nummer 9850, dat een oppervlakte heeft van 708 m2. Van dit perceel is volgens het grondplan en de lijst van te onteigenen onroerende zaken 99 m2 nodig voor de dijkversterking, omdat dit gedeelte binnen het dijkversterkingsprofiel van de nieuwe dijk ligt. Dit gedeelte is in gebruik als tuin.

   Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat een deel van deze te verwerven gronden in het grondplan is opgenomen in verband met de noodzakelijke kap van een aantal bomen. Nu eigendomsverwerving van deze gronden niet langer nodig is, zal hiervan worden afgezien. Ter zitting heeft het algemeen bestuur kaarten getoond waarop de nieuwe situatie is aangegeven.

   [appellant sub 14C] en [appellante sub 14D] zijn voorts eigenaars van het buitendijkse perceel [locatie 9]-[locatie 8], kadastraal bekend gemeente Lekkerkerk, sectie C, nummer 9848, dat een oppervlakte heeft van 215 m2. Van dit perceel is volgens het grondplan en de lijst van te onteigenen onroerende zaken 38 m2 nodig voor de dijkversterking, omdat dit gedeelte binnen het dijkversterkingsprofiel van de nieuwe dijk ligt. Dit gedeelte is in gebruik als tuin bij [locatie 9] en als erf bij [locatie 8].

   [appellante sub 14A] is het moederbedrijf van [appellante sub 14B] en eigenaar van het buitendijkse perceel [locatie 8], kadastraal bekend gemeente Lekkerkerk, sectie C, nummer 9849, dat een oppervlakte heeft van 988 m2. Van dit perceel is volgens het grondplan en de lijst van te onteigenen onroerende zaken 14 m2 nodig voor de dijkversterking, omdat dit gedeelte binnen het dijkversterkingsprofiel van de nieuwe dijk ligt. Dit gedeelte is in gebruik als benzinestation. Ter plaatse bevindt zich de opstelplaats van de benzinepompen. Het benzinestation bevindt zich overigens gedeeltelijk op het perceel [locatie 7], kadastraal bekend gemeente Lekkerkerk, sectie C, nummer 9847, in eigendom bij [appellanten sub 15]. [appellant sub 14C] en [appellante sub 14D]] hebben de zeggenschap over [appellante sub 14A]

2.45.2.    Het dijkversterkingsplan voorziet voor het perceel [locatie 8] in plaatsing van een diepwand ter plaatse van de opstelplaats van de benzinepompen. Deze diepwand wordt aangebracht onder het niveau van het bestaande maaiveld. Uit het dwarsprofiel voor deze diepwand blijkt dat de bovenzijde van de diepwand onder de vloeistofdichte vloer van het benzinestation, op minder dan 50 centimeter van de bovenzijde van deze vloer komt te liggen.

2.45.3.    Voor de algemene feiten met betrekking tot het afstaan van gronden en de hieruit voortvloeiende schade, alsmede de vergoeding van overige vormen van schade en de kap van bomen, wordt verwezen naar overweging 2.12.1 en 2.17.1 tot en met 2.17.3.

Het oordeel van de Afdeling

2.46.    Voor een beoordeling van het standpunt van het algemeen bestuur dat gronden waarop zich bomen bevinden die gekapt moeten worden, door het hoogheemraadschap moeten worden verworven, en de goedkeuring van dit standpunt door het college van gedeputeerde staten, verwijst de Afdeling allereerst naar hetgeen zij heeft overwogen onder 2.18.

   Hieruit volgt dat het dijkversterkingsplan op dit punt is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb en dat het gewijzigde standpunt van verweerders ten aanzien van de verwerving van de eigendom van gronden waarop zich te kappen bomen bevinden, in dit geval [locatie 9], leidt tot een situatie die onzeker is voor de eigenaars van de gronden, [appellant sub 14C] en [appellante sub 14D].

2.46.1.    Voor een beoordeling van het standpunt van het algemeen bestuur dat gronden die nodig zijn voor de dijkversterking zelf door het hoogheemraadschap zullen worden verworven, en de goedkeuring van dit standpunt door het college van gedeputeerde staten, alsmede het standpunt dat voorzien is in een afdoende schaderegeling, verwijst de Afdeling allereerst naar hetgeen zij heeft overwogen onder 2.13.

   Met betrekking tot de individuele situatie van [appellant sub 14C] en [appellante sub 14D] is de Afdeling met betrekking tot de kadastrale percelen 9850 en 9848, afgezien van hetgeen hiervoor onder 2.46 is overwogen, overigens niet gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden dat verweerders hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan het belang dat is gediend met de voortgang van het dijkversterkingsproject.

2.46.2.    Met betrekking tot het kadastrale perceel 9849, waar zich het benzinestation bevindt, is ter zitting door het algemeen bestuur toegezegd dat in de bestekfase zoveel mogelijk rekening zal worden gehouden met de benodigde 50 centimeter tussen de bovenzijde van de diepwand en de bovenzijde van de vloeistofdichte vloer. Met de huidige stand van de techniek is het mogelijk om de diepwand aan te brengen en vervolgens ook het functioneren van het benzinestation mogelijk te maken. De precieze uitvoering betreft derhalve een optimalisatie in de aanbestedingsfase.

   Voorts is ter zitting nogmaals bevestigd dat alle schade die appellanten zullen lijden, voor vergoeding in aanmerking komt. Bij de uitvoering van het project zal de bestaande situatie zoveel als mogelijk worden hersteld. Dat verweerders hiervoor de bestaande situatie als uitgangspunt nemen, is redelijk. De kosten die het herstel van de bestaande situatie met zich brengt, alsmede de kosten van eventuele noodzakelijke aanpassingen aan de vloeistofdichte vloer en de olie-benzineafscheider, zijn voor rekening van het hoogheemraadschap, evenals eventuele schade aan de eigendommen van appellanten.

   Voor zover appellanten schade lijden door de tijdelijke onbereikbaarheid van het benzinestation en het opnieuw opstarten van het station, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de Nadeelcompensatieregeling niet voldoet voor vergoeding van deze schade, zoals reeds overwogen onder 2.13. In dit verband is van belang dat het project zoveel mogelijk schadevoorkomend en schadebeperkend zal worden uitgevoerd. Voorts is van belang dat niet is gebleken dat reeds thans ervan moet worden uitgegaan dat het benzinestation ter plaatse niet kan worden voortgezet. Mocht deze situatie zich, als gevolg van het dijkversterkingsproject, toch voordoen, dan zal hier een passende schadeloosstelling tegenover te staan.

   Met betrekking tot het bezwaar van appellanten dat onduidelijk is wanneer gestart zal worden met de uitvoering van het project op de aan- en afvoerroute naar en van het benzinestation, alsmede ter plaatse van het station, hebben verweerders ter zitting toegezegd hierover tijdig en duidelijk met appellanten te communiceren.

2.46.3.    Gelet op het voorgaande zijn de besluiten tot vaststelling en goedkeuring van het dijkversterkingsplan voor zover het betreft een gedeelte van de gronden op het perceel [locatie 9], kadastraal bekend gemeente Lekkerkerk, sectie C, nummer 9850, in strijd met artikel 3:2 van de Awb en de rechtszekerheid in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Hierin ziet de Afdeling aanleiding dit gedeelte van beide besluiten te vernietigen. Voor de exacte weergave van het gedeelte van de gronden zal de Afdeling zich baseren op de ter zitting door het algemeen bestuur overgelegde kaarten. Het beroep van [appellante sub 14A] en [appellante sub 14B] en [appellant sub 14C] en [appellante sub 14D] is in zoverre gegrond.

   In hetgeen [appellante sub 14A] en [appellante sub 14B] en [appellant sub 14C] en [appellante sub 14D] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten overigens niet in redelijkheid het dijkversterkingsplan, voor zover het betreft de kadastrale percelen 9850, 9848 en 9849, hebben kunnen vaststellen, respectievelijk goedkeuren. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de besluiten tot vaststelling en goedkeuring van het dijkversterkingsplan in zoverre anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante sub 14A] en [appellante sub 14B] en [appellant sub 14C] en [appellante sub 14D] is voor het overige ongegrond.

[locatie 11]

Het standpunt van appellant

2.47.    [appellante sub 19] stelt in beroep dat het dijkversterkingsplan ten onrechte is vastgesteld en goedgekeurd voor zover het betreft zijn percelen aan de [locatie 11]. Hij voert hiertoe aan dat de grondverwerving door het hoogheemraadschap als een te grote vanzelfsprekendheid wordt gezien en de belangen van de particulieren onvoldoende zijn afgewogen door geen onderzoek te doen naar de mogelijkheid om een en ander te regelen via het recht van opstal. Voorts stelt appellant dat de begrenzing van de gronden die hij zou moeten afstaan willekeurig is en hij om oneigenlijke redenen bijna 50% van zijn perceel moet afstaan. Appellant stelt verder dat de ligging van de diepwand zeer ongelukkig is en zonder overleg is bepaald.

Het standpunt van verweerders

2.48.    Het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten hebben het dijkversterkingsplan in zoverre niet in strijd met het recht geacht en hebben dit vastgesteld, respectievelijk goedgekeurd. Zij stellen zich op het standpunt dat een optimale beschikkingsbevoegdheid over de primaire waterkering het best te realiseren is via de verwerving van de eigendom van de benodigde gronden. Voorts stellen verweerders dat de keuze voor een diepwand en de exacte ligging van deze diepwand voldoende zijn onderzocht en onderbouwd.

De vaststelling van de feiten

2.49.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.49.1.    [appellante sub 19] is eigenaar van het buitendijkse perceel [locatie 11], dat bestaat uit twee kadastrale percelen, bekend als gemeente Lekkerkerk, sectie C, de nummers 7532 en 9552, met een gezamenlijke oppervlakte van 693 m2. Van deze percelen is volgens het grondplan en de lijst van te onteigenen onroerende zaken 279 m2 nodig voor de dijkversterking, omdat dit gedeelte binnen het dijkversterkingsprofiel van de nieuwe dijk ligt. Dit gedeelte omvat de gehele voortuin van appellant, welke gedeeltelijk is ingericht als tuin en gedeeltelijk als verharding ten behoeve van de inrit ter ontsluiting van het perceel.

   Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat een deel van de te verwerven gronden in het grondplan is opgenomen in verband met de noodzakelijke kap van een aantal bomen. Nu eigendomsverwerving van deze gronden niet nodig is, zal hiervan worden afgezien. Ter zitting heeft het algemeen bestuur een kaart getoond waarop de nieuwe situatie is aangegeven.

2.49.2.    Het dijkversterkingsplan voorziet voor het perceel van appellant tussen hmp 14.2+40 en 14.3+30 in een versterkingsvariant waarbij een diepwand met een breedte van een meter wordt aangelegd in de buitenkruinlijn van de dijk op een afstand van maximaal vier meter van de grens van het perceel. Deze diepwand moet een minimale hoogte hebben om te voldoen aan de veiligheidsnorm en komt daardoor hoger te liggen dan het niveau van de rijweg naast het perceel van appellant. Om het auto's mogelijk te maken het hoogteverschil tussen het niveau van de rijweg en de bovenkant van de aan te leggen diepwand te overbruggen, zal tussen de rijweg en de diepwand ruimte moeten worden gecreëerd voor het maken van een niet te steile helling. Dit verklaart de afstand tussen de grens van het perceel en de locatie van de diepwand.

2.49.3.    Voor de algemene feiten met betrekking tot het afstaan van gronden en de hieruit voortvloeiende schade, alsmede de kap van bomen wordt verwezen naar overweging 2.12.1 en 2.17.1 tot en met 2.17.3.

Het oordeel van de Afdeling

2.50.    Voor een beoordeling van het standpunt van het algemeen bestuur dat gronden waarop zich bomen bevinden die gekapt moeten worden, door het hoogheemraadschap moeten worden verworven, en de goedkeuring van dit standpunt door het college van gedeputeerde staten, verwijst de Afdeling allereerst naar hetgeen zij heeft overwogen onder 2.18.

   Hieruit volgt dat het dijkversterkingsplan op dit punt is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb en dat het gewijzigde standpunt van verweerders ten aanzien van de verwerving van de eigendom van gronden waarop zich te kappen bomen bevinden, leidt tot een situatie die onzeker is voor de eigenaar van de gronden, [appellante sub 19].

2.50.1.    Voor een beoordeling van het standpunt van het algemeen bestuur dat gronden die nodig zijn voor de dijkversterking zelf door het hoogheemraadschap zullen worden verworven, en de goedkeuring van dit standpunt door het college van gedeputeerde staten, verwijst de Afdeling allereerst naar hetgeen zij heeft overwogen onder 2.13.

   Met betrekking tot de individuele situatie van [appellante sub 19] is de Afdeling niet gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden dat verweerders hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan het belang dat is gediend met de voortgang van het dijkversterkingsproject. In dit verband is van belang dat uit de hiervoor weergegeven feiten genoegzaam blijkt op grond waarvan de ligging van de diepwand is bepaald. Voorts is de bijzondere vormgeving van de tuin van appellant niet een zodanig bijzondere omstandigheid dat verweerders reeds op grond hiervan tot een andere uitvoeringsvariant hadden moeten besluiten. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat bij de uitvoering van het project de bestaande situatie zoveel als mogelijk wordt hersteld. Dat verweerders hiervoor de bestaande situatie als uitgangspunt nemen, is redelijk. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn plannen om de tuin te veranderen zo concreet zijn, dat verweerders hieraan in redelijkheid niet voorbij konden gaan.

2.50.2.    Gelet op het voorgaande zijn de besluiten tot vaststelling en goedkeuring van het dijkversterkingsplan voor zover het betreft een gedeelte van de gronden op het perceel [locatie 11], kadastraal bekend gemeente Lekkerkerk, sectie C, de nummers 7532 en 9552, in strijd met artikel 3:2 van de Awb en de rechtszekerheid in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Hierin ziet de Afdeling aanleiding dit gedeelte van beide besluiten te vernietigen. Voor de exacte weergave van het gedeelte van de gronden zal de Afdeling zich baseren op de ter zitting door het algemeen bestuur overgelegde kaart. Het beroep van [appellante sub 19] is in zoverre gegrond.

   In hetgeen [appellante sub 19] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten overigens niet in redelijkheid het dijkversterkingsplan in zoverre hebben kunnen vaststellen, respectievelijk goedkeuren. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de besluiten tot vaststelling en goedkeuring van het dijkversterkingsplan in zoverre anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante sub 19] is voor het overige ongegrond.

[locatie 12]

Het standpunt van appellant

2.51.    [appellant sub 18] stelt in beroep onder meer dat het dijkversterkingsplan ten onrechte is vastgesteld en goedgekeurd voor zover het betreft zijn percelen aan de [locatie 12]. Hij voert hiertoe aan dat de grondverwerving door het hoogheemraadschap disproportioneel is, hiervoor geen dwingende noodzaak aanwezig is en het gestelde doel op een minder belastende wijze bereikt kan worden.

   Appellant stelt in beroep voorts dat de overige besluiten, waarmee wordt bedoeld de besluiten voor de kap van bomen en de verleende ontheffing van de verbodsbepalingen in de Flora- en faunawet, ten onrechte zijn genomen. Hij voert hiertoe aan dat onvoldoende rekening is gehouden met zowel de landschappelijke waarde van een enkele al zeer oude boom als de gevolgen van de kap voor de fauna. Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.18.1 wordt dit onderdeel van het beroep, voor zover gericht tegen de kap van bomen, opgevat als te zijn gericht tegen het kapplan.

Het standpunt van verweerders

2.52.    Het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten hebben het dijkversterkingsplan in zoverre niet in strijd met het recht geacht en hebben dit vastgesteld, respectievelijk goedgekeurd. Zij stellen zich op het standpunt dat een optimale beschikkingsbevoegdheid over de primaire waterkering het best te realiseren is via de verwerving van de eigendom van de benodigde gronden.

   Met betrekking tot de kap van de bomen en de verleende ontheffing stellen het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten, evenals de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, dat de noodzaak hiertoe voldoende is aangetoond.

De vaststelling van de feiten

2.53.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.53.1.    [appellant sub 18] is eigenaar van het buitendijkse perceel [locatie 12], kadastraal bekend gemeente Lekkerkerk, sectie C, nummer 7934, met een oppervlakte van 611 m2. Van dit perceel is volgens het grondplan en de lijst van te onteigenen onroerende zaken 101 m2 nodig voor de dijkversterking, omdat dit gedeelte binnen het dijkversterkingsprofiel van de nieuwe dijk ligt. Dit gedeelte is in gebruik als tuin en als ontsluiting van het perceel.

   Op het perceel bevindt zich een aantal bomen die blijkens het kapplan moeten worden gerooid. Het betreft de bomen die zijn aangeduid met de nummers 666 tot en met 671. Uit het kapplan volgen geen bijzonderheden met betrekking tot deze bomen.

2.53.2.    Met betrekking tot de aanwezige fauna heeft bij de voorbereiding van het dijkversterkingsplan een natuurtoets plaatsgevonden, welke als bijlage bij de toelichting op het ontwerpplan is gevoegd. Uit deze toets volgt onder meer dat geen sprake is van verboden handelingen ten aanzien van vleermuizen. Voorts volgt uit deze toets dat een aantal algemeen voorkomende soorten mogelijk wordt verstoord of gedood tijdens de werkzaamheden en/of dat nest-, verblijfs- en voortplantingsplaatsen mogelijk worden vernietigd. Op de gunstige staat van instandhouding van deze algemeen voorkomende soorten zal het plan geen negatieve effecten hebben, zo blijkt uit de natuurtoets. Voor verboden handelingen ten aanzien van deze soorten is een ontheffing nodig van de Flora- en faunawet, welke op 21 januari 2005 is verleend.

2.53.3.    Voor de algemene feiten met betrekking tot het afstaan van gronden en de hieruit voortvloeiende schade, alsmede de kap van bomen, wordt verwezen naar overweging 2.12.1 en 2.17.1 tot en met 2.17.3.

Het oordeel van de Afdeling

2.54.    Voor een beoordeling van het standpunt van het algemeen bestuur dat gronden die nodig zijn voor de dijkversterking zelf door het hoogheemraadschap zullen worden verworven, en de goedkeuring van dit standpunt door het college van gedeputeerde staten, verwijst de Afdeling allereerst naar hetgeen zij heeft overwogen onder 2.13.

   Met betrekking tot de individuele situatie van [appellant sub 18] is de Afdeling niet gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden dat verweerders hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan het belang dat is gediend met de voortgang van het dijkversterkingsproject.

   In dit verband is van belang dat niet aannemelijk is dat het hoogheemraadschap onvoldoende onderhoud zal plegen nadat het de gronden heeft verworven. Ter zitting is hierover gesteld dat het hoogheemraadschap onderhoud pleegt volgens een maairegime waarbij twee keer per jaar het gras op het dijktalud wordt gemaaid en de ervaring heeft geleerd dat een dergelijk regime voldoende is voor het creëren en onderhouden van een erosiebestendige grasmat.

2.54.1.    Voor een beoordeling van het standpunt van het algemeen bestuur dat de bomen die zich op het binnentalud van de dijk bevinden, moeten worden gekapt, en de goedkeuring van dit standpunt door het college van gedeputeerde staten, verwijst de afdeling allereerst naar hetgeen zij heeft overwogen onder 2.18.1.

   Met betrekking tot de bomen op het perceel van [appellant sub 18] is de Afdeling niet gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden dat verweerders hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan het belang dat is gediend met de voortgang van het dijkversterkingsproject. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat uit het kapplan volgt dat deze bomen geen bijzondere landschappelijke kwaliteiten bezitten en appellant het tegendeel niet aannemelijk heeft gemaakt.

2.54.2.    In hetgeen [appellant sub 18] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten niet in redelijkheid het dijkversterkingsplan in zoverre hebben kunnen vaststellen, respectievelijk goedkeuren. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de besluiten tot vaststelling en goedkeuring van het dijkversterkingsplan in zoverre anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 18] is in zoverre ongegrond.

2.54.3.    Met betrekking tot de ontheffing van de verbodsbepalingen uit de Flora- en faunawet blijkt uit de natuurtoets dat verweerders onderzoek hebben gedaan naar en rekening hebben gehouden met de aanwezige flora en fauna. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat deze natuurtoets in het algemeen zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit zich bij het nemen van zijn besluit hierop niet heeft kunnen baseren.

   Nu de motivering van appellant voor dit beroepsonderdeel overigens gelijk is aan de motivering van zijn beroep tegen de vaststelling en goedkeuring van het dijkversterkingsplan, en deze motivering niet leidt tot vernietiging van enig onderdeel van het dijkversterkingsplan, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de ontheffing niet verleend kon worden.

2.54.4.    In hetgeen [appellant sub 18] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit niet in redelijkheid de ontheffing van de verbodsbepalingen uit de Flora- en faunawet heeft kunnen verlenen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het besluit tot verlening van de ontheffing anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 18] is ook in zoverre ongegrond.

[appellante sub 9]

Het standpunt van appellante

2.55.    [appellante sub 9] stelt in beroep dat het dijkversterkingsplan ten onrechte is vastgesteld en goedgekeurd. Volgens appellante wordt de aanlegsteiger van het voetveer aan de Lek ten onrechte teruggeplaatst op de oorspronkelijke locatie. Zij acht dit onder meer uit het oogpunt van nautische veiligheid en hinder niet acceptabel. Hiernaar is ten onrechte geen onderzoek verricht, aldus appellante.

   Voorts wordt ten onrechte de nieuwe loswal niet 30 meter westwaarts verlengd, aldus appellante. Hierdoor bestaat volgens haar gevaar voor verzakking van het talud aan het einde van de nieuwe loswal op de insteek van het talud. Voorts acht zij een langere loswal wenselijk in verband met de lengte van de aan te meren schepen.

Het standpunt van verweerders

2.56.    Het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten hebben het dijkversterkingsplan in zoverre niet in strijd met het recht geacht en hebben dit vastgesteld, respectievelijk goedgekeurd. Volgens het algemeen bestuur is [appellante sub 9] de mogelijkheid geboden de aanlegplaats voor het voetveer voor eigen rekening te verplaatsen. De loswal wordt niet verlengd, omdat dit ten koste gaat van de ruimte voor de rivier, aldus het algemeen bestuur.

Vaststelling van de feiten

2.57.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.57.1.    Het buitendijks gelegen perceel kadastraal bekend gemeente Nieuw-Lekkerland, sectie B, nummer 5360, plaatselijk bekend als [locatie 13], heeft een oppervlakte van ruim zes hectare. Op het perceel bevinden zich de bedrijfsgebouwen van [appellante sub 9]. Verder is het in gebruik als opslagterrein van grondstoffen en betonproducten en als haven. Het plan voorziet in het kader van riviercompensatie in de verwerving van een deel van het perceel ter grootte van 2807 m2, om dit terug te geven aan de rivier. Het betreft een deel van het opslagterrein en voor het overige talud.

   Ter uitvoering van de riviercompensatie zal een damwand met een lengte van 230 meter worden geslagen. Langs het perceel van [appellante sub 9] zal de damwand worden ingericht als loswal voor schepen die grondstoffen aanvoeren. Volgens het deskundigenbericht zal verlenging van de kade met 30 meter in westelijke richting een nieuw knelpunt opleveren op het smalste stuk van de rivier, waardoor de doorstroming negatief zal worden beïnvloed.

   Ten oosten van het perceel bevindt zich het voetveer tussen Nieuw-Lekkerland en Lekkerkerk. Deze zal na de werkzaamheden op de zelfde plek, maar 15 meter zuidelijker, worden teruggebracht, aan het einde van de nieuwe loswal. Volgens het deskundigenbericht is de combinatie van vrachtverkeer en het voetveer aan één kade uit het oogpunt van veiligheid in beginsel niet wenselijk en is een veilige afstand tussen het voetveer en de losfaciliteit geboden. Voorts is de door appellante gewenste locatie beter bereikbaar vanuit Nieuw-Lekkerland. Anderzijds is de vaarroute van het voetveer over de Lek op die plek langer.

Het oordeel van de Afdeling

2.58.    Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de westelijke beëindiging van de nieuwe damwand in het talud, op de wijze zoals voorzien in het plan, verzakking tot gevolg zal hebben. Gelet op het feit dat volgens het deskundigenbericht door verlenging van de loswal een nieuw knelpunt ontstaat op het smalste stuk van de rivier, en gelet op het feit dat de riviercompensatie juist is bedoeld om de doorstroming te bevorderen, hebben verweerders in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het verbeteren van de doorstroming dan aan de belangen van appellante bij verlenging van de loswal in westelijke richting.

2.58.1.    Het plan voorziet strikt genomen niet in de toekomstige locatie van het voetveer, maar deze locatie hangt nauw samen met de lengte van de loswal ter plaatse, welke wel deel uitmaakt van het plan. De toekomstige aanlegplaats van het voetveer is blijkens de stukken immers voorzien aan het oostelijke einde van de loswal. Indien voor een andere locatie wordt gekozen, kan dit gevolgen hebben voor de mogelijke lengte van de loswal. Gelet hierop had de keuze voor de toekomstige locatie van het voetveer in de belangenafweging een rol moeten spelen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is evenwel niet gebleken dat in zoverre een integrale afweging heeft plaats gevonden. In het bijzonder is onduidelijk of de nautische veiligheid in de gekozen oplossing kan worden gewaarborgd. Bovendien is niet gebleken dat de voordelen van verplaatsing van het voetveer naar de door appellante voorgestane locatie bij de besluitvorming een rol hebben gespeeld. Gelet hierop is het dijkversterkingsplan in zoverre vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

   Uit het vorenstaande volgt dat het dijkversterkingsplan, voor zover het betreft kaart Lek-XXV-01, is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Door het plan in zoverre niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellante sub 9] is gegrond en de besluiten tot vaststelling en goedkeuring van het dijkversterkingsplan dienen in zoverre te worden vernietigd.

Het Neefterrein

Het standpunt van appellanten

2.59.    [appellanten sub 1] stelt in beroep, naast hetgeen reeds is weergegeven onder 2.6, dat het dijkversterkingsplan ten onrechte is vastgesteld en goedgekeurd voor zover het betreft hun percelen aan de Opperduit, kadastraal bekend gemeente Lekkerkerk sectie C, de nummers 3685, 7686, 8003 en 5950. Voorts is volgens hem ten onrechte sloopvergunning verleend voor de panden aan de Opperduit 73-75 en 83-85.

   Hij betoogt dat het effect van het ter compensatie teruggeven van het zogeheten Neefterrein aan de rivier uiterst miniem is, terwijl daardoor, in strijd met bij hem gewekte verwachtingen, woningbouw onmogelijk wordt gemaakt.

   Ter zitting heeft appellant zijn beroep ingetrokken voor zover het is gericht tegen het besluit dat geen reguliere bouwvergunning benodigd is voor het plaatsen van een laad- en loswal op het adres Opperduit 83 te Lekkerkerk.

2.59.1.    [appellanten sub 16] en [appellanten sub 17], handelend onder de naam Bezorgde Bewoners Opperduit (hierna: Bezorgde Bewoners) stellen in beroep eveneens onder meer dat het dijkversterkingsplan ten onrechte is vastgesteld en goedgekeurd voor zover het betreft het Neefterrein. Zij vrezen zes jaar lang overlast te ondervinden van het gebruik van het Neefterrein als werkterrein en daardoor schade te lijden. In dat verband wijzen zij er op dat zich in de directe omgeving twee monumentale boerderijen bevinden. Ten slotte vrezen zij dat het Neefterrein ook na afloop van de zes jaar als op- en overslagterrein zal blijven worden gebruikt.

Het standpunt van verweerders

2.60.    Het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten hebben het dijkversterkingsplan in zoverre niet in strijd met het recht geacht en hebben dit vastgesteld, respectievelijk goedgekeurd. Het algemeen bestuur stelt dat woningbouw op het Neefterrein thans niet is toegestaan wegens strijd met het geldende bestemmingsplan en de beleidslijn Ruimte voor de Rivier en dat bovendien niet is gebleken van concrete bouwplannen. Gelet hierop heeft hij het belang bij dijkversterking zwaarder gewogen. Zonder maatregelen op het Neefterrein kan volgens hem het waterstandsverhogende effect van de dijkversterking bovendien niet volledig worden gecompenseerd.

2.60.1.    Het algemeen bestuur stelt voorts dat de tijdelijke activiteiten op het Neefterrein worden gereguleerd door besluiten in het kader van de Wet milieubeheer en dat het terrein na zes jaar zal worden gebruikt voor natuur- en rivierbedcompensatie.

2.60.2.    Het college van burgemeester en wethouders heeft tegen de uitvoering van het dijkversterkingsplan geen bezwaren en heeft de sloopvergunning verleend om het plan te laten uitvoeren.

Vaststelling van de feiten

2.61.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.61.1.    Het plan voorziet ter hoogte van het Neefterrein, waarvan de gronden van [appellanten sub 1] deel uitmaken, in een asverschuiving van het dijklichaam in buitenwaartse richting van maximaal 15 meter, waardoor de verlegde dijk een deel van de gronden van het Neefterrein zal innemen. Deze gronden zullen worden benut voor rivierbed- en natuurcompensatie. Volgens het MER leiden deze maatregelen tot een waterstandsdaling van ongeveer één millimeter.

2.61.2.    De uitvoering van het dijkversterkingsplan heeft onder meer als consequentie een gemiddelde opstuwing van vijf tot zes millimeter op de rivier de Lek. Met het afgraven van het Neefterrein wordt beoogd deze opstuwing conform de Beleidslijn Ruimte voor de Rivier (hierna: de Beleidslijn) voor een gedeelte te compenseren. In de Beleidslijn is het rijksbeleid neergelegd dat als doelstelling heeft de Nederlandse rivieren meer ruimte te bieden, mens en dier duurzaam te beschermen tegen overstromingen die door hoogwater worden veroorzaakt en daardoor veroorzaakte materiële schade te beperken. In de Beleidslijn, die van toepassing is verklaard op alle nieuwe activiteiten, waaronder wijziging van bestaande activiteiten, in het winterbed van de grote rivieren, geldt als hoofdlijn dat in het winterbed van de grote rivieren in principe geen nieuwe ingrepen worden toegestaan die zouden kunnen leiden tot waterstandsverhoging in de huidige situatie, en/of tot feitelijke belemmeringen voor toekomstige vergroting van de afvoercapaciteit, en/of tot potentiële schade bij hoogwater.

   Volgens de Beleidslijn betekent dit dat bestaande bebouwing en bedrijvigheid worden gerespecteerd en dat uitbreiding van bestaande bebouwing en bedrijvigheid, inclusief herbouw met voortzetting van de bestaande activiteit, valt onder de toets van de Beleidslijn. Daarbij dient volgens de Beleidslijn zoveel mogelijk maatwerk te worden geleverd.

   Voor nieuwe ingrepen die wel tot eerder genoemde effecten zouden kunnen leiden, wordt een onderscheid gemaakt in activiteiten die op voorhand onlosmakelijk gebonden zijn aan het winterbed van de rivier ("ja, mits"-activiteiten) en overige activiteiten ("nee, tenzij"-activiteiten). In de beleidslijn is een limitatieve lijst van nieuwe riviergebonden ("ja, mits") activiteiten opgenomen. Deze activiteiten zijn toegestaan, mits de situering en de uitvoering van de ingreep in het winterbed van de rivier zodanig zijn dat de waterstandsverhoging en de belemmering voor de toekomstige verlaging zo gering mogelijk zijn én er duurzame compensatie van resterende waterstandsverhogende effecten plaatsvindt én een beschermingsniveau van 1:1250 jaar voor potentiële schadegevallen wordt verwezenlijkt. Voor nieuwe niet-riviergebonden ("nee, tenzij") activiteiten geldt dat deze in principe niet worden toegestaan, tenzij op basis van voorafgaand onderzoek kan worden aangetoond dat sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang én de activiteit redelijkerwijs niet buiten het winterbed gerealiseerd kan worden én de activiteit op de locatie geen feitelijke belemmering vormt om in de toekomst de afvoercapaciteit te vergroten. Nieuwe activiteiten die na deze afweging resteren, worden alleen toegestaan indien de situering en de uitvoering van de ingreep in het winterbed zodanig zijn dat de waterstandsverhoging en de belemmering voor de toekomstige verlaging zo gering mogelijk zijn én er duurzame compensatie van resterende waterstandsverhogende effecten plaatsvindt én een beschermingsniveau van 1:1250 jaar voor potentiële schadegevallen wordt verwezenlijkt.

2.61.3.    In het geldende bestemmingsplan heeft het Neefterrein een bedrijfsbestemming die woningbouw niet mogelijk maakt. Het Neefterrein ligt voorts buiten de bebouwingscontour van het geldende streekplan Zuid-Holland Oost.

2.61.4.    Gedurende de werkzaamheden zal het Neefterrein als werkterrein fungeren. Daarvoor is een milieuvergunning verleend voor een periode van zes jaar. De aan- en afvoer van materialen zal geschieden via de thans reeds aanwezige kade. Op het terrein zal voorts tijdelijk materiaal worden opgeslagen.

   In de milieuvergunning wordt er van uitgegaan dat de inrichting alleen overdag tussen 7:00 uur en 19:00 uur in werking is. Voorts is wat betreft directe hinder uitgegaan van een referentieniveau van 45 dB(A) etmaalwaarde en wat betreft indirecte hinder van een referentieniveau van 50 dB(A) etmaalwaarde. Wat betreft het maximale geluidniveau is uitgegaan van een waarde van 62 dB(A) in de dagperiode.

   Uit het akoestisch rapport blijkt volgens het deskundigenbericht dat de langtijdgemiddelde geluidniveaus als gevolg van de representatieve bedrijfssituatie en als gevolg van de verkeersaantrekkende werking bij de verschillende beoordelingspunten de waarde van 45 respectievelijk 50 dB(A) niet zullen overschrijden. De berekende maximale geluidniveaus overschrijden de richtwaarde van 55 dB(A) wel met maximaal 7 dB(A). Deze overschrijding wordt veroorzaakt door het dichtslaan van portieren van personenwagens en het dichtklappen van de laadklep van vrachtwagens. Het college van burgemeester en wethouders van Nederlek is afgeweken van de normwaarde voor de maximale geluidniveaus van 55 dB(A) vanwege de noodzaak van de inrichting voor de dijkversterking. Voorts zal door het incidenteel laden en lossen van een schip in de periode tussen 6:00 uur en 7:00 uur de richtwaarde van 35 dB(A) worden overschreden. Dit betreft ingevolge artikel 2.2 van de vergunningvoorschriften maximaal twaalf gevallen per jaar.

   Naast voorschriften ter beperking van geluidhinder bevat de milieuvergunning nog voorschriften met betrekking tot brandpreventie en brandbestrijding, afvalstoffen, afvalwater, bodembescherming, opslag van grond, zand, grind, puin en steen als losgestort materiaal, verwarmingsinstallaties met een nominale belasting tot 130 Kw, milieuzorg en energiebesparing.

Het oordeel van de Afdeling

2.62.    Gelet op de opstuwing van vijf tot zes millimeter hebben het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het effect van de maatregelen op het Neefterrein, namelijk een waterstandsverlaging van ongeveer één millimeter, niet verwaarloosbaar is.

   Uit de Beleidslijn vloeit voort dat nieuwe woningbouw op het Neefterrein zou vallen onder de "nee, tenzij"-activiteiten. Niet aannemelijk is gemaakt dat aan de voorwaarden die de Beleidslijn ter zake stelt kan worden voldaan. Gelet op het geldende streekplan en het geldende bestemmingsplan moet worden geconcludeerd dat woningbouw ter plaatse planologisch niet mogelijk is en dat het dijkversterkingsplan daarin geen verandering brengt.

   Niet is gebleken dat bij [appellanten sub 1] de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat in afwijking van genoemde beleidskaders op het Neefterrein woningbouw zou worden toegestaan. Van een gemeentelijke visie waarin de Neeflocatie wordt genoemd als mogelijke woningbouwlocatie is niet gebleken, terwijl de ontwikkeling van de buitendijkse gronden niet in overeenstemming is met de geldende planologische regelingen. Onweersproken is dat de Neeflocatie niet is opgenomen als woningbouwlocatie in de gemeentelijke Structuurschets. De ter zitting door appellant overgelegde brief van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, betreffende de herziening van de Beleidslijn, dateert van 17 februari 2006 en derhalve van na de bestreden besluiten, zodat deze reeds daarom buiten beschouwing moet blijven.

   Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellanten sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten niet in redelijkheid het dijkversterkingsplan in zoverre hebben kunnen vaststellen, respectievelijk goedkeuren.

2.62.1.    Mede gelet op het deskundigenbericht ziet de Afdeling in hetgeen [appellanten sub 16] en de Bezorgde Bewoners hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de milieuvergunning onvoldoende mogelijkheden bevat om onaanvaardbare hinder te voorkomen. Hierbij neemt zij in aanmerking dat het werkterrein alleen overdag in werking is en dat alleen de richtwaarde voor de piekgeluidwaarden op enkele plekken wordt overschreden, terwijl de langtijdgemiddelde geluidniveaus als gevolg van de representatieve bedrijfssituatie en als gevolg van de verkeersaantrekkende werking de richtwaarden niet overschrijden. Gelet hierop bestond voor verweerders geen aanleiding te bezien of het werkterrein na drie jaar zou moeten worden verhuisd naar een andere locatie. Voor zover [appellanten sub 16] en de Bezorgde Bewoners als gevolg van het dijkversterkingsplan niettemin schade lijden, verwijst de Afdeling naar hetgeen zij onder 2.13 heeft overwogen.

2.62.2.    Ten aanzien van de mogelijke uitvoeringsschade is niet gebleken dat in dat opzicht onvoldoende rekening is gehouden met de in de omgeving aanwezige monumentale panden.

2.62.3.    Gelet op het feit dat de milieuvergunning slechts geldt voor een periode van zes jaar en het dijkversterkingsplan ter plaatse expliciet voorziet in rivierbed- en natuurcompensatie, is de vrees van [appellanten sub 16] en de Bezorgde Bewoners dat het werkterrein na ommekomst van de periode van zes jaar als werkterrein in gebruik blijft, ongegrond.

2.62.4.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling ook in hetgeen [appellanten sub 16] en de Bezorgde Bewoners hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten niet in redelijkheid het dijkversterkingsplan in zoverre hebben kunnen vaststellen, respectievelijk goedkeuren.

2.62.5.    Voor het oordeel dat de besluiten tot vaststelling en goedkeuring van het dijkversterkingsplan in zoverre anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht bestaat geen grond. Nu de motivering van [appellanten sub 1] voor zijn beroep tegen de vaststelling en goedkeuring van het dijkversterkingsplan niet leidt tot vernietiging van dit onderdeel van het dijkversterkingsplan, en hij tegen de sloopvergunning niets anders heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de sloopvergunning onrechtmatig is.

2.62.6.    Het beroep van [appellanten sub 1] is geheel en de beroepen van [appellanten sub 16] en de Bezorgde Bewoners zijn in zoverre ongegrond.

[locatie 14]

Het standpunt van appellanten

2.63.    [appellanten sub 16] stellen in beroep, naast hetgeen reeds is weergegeven onder 2.59.1, dat het dijkversterkingsplan ten onrechte is vastgesteld en goedgekeurd voor zover het betreft hun perceel aan de [locatie 14]. Volgens hen is het niet nodig dat zij 15% van hun perceel verliezen en zij vrezen door het verlies van hun tuin bovendien voor aantasting van hun privacy. Ten slotte achten zij de afstand van minder dan twee meter van de teen van het nieuwe talud tot hun woning te kort.

Het standpunt van verweerders

2.64.    Het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten hebben het dijkversterkingsplan in zoverre niet in strijd met het recht geacht en hebben dit vastgesteld, respectievelijk goedgekeurd. Zij stellen zich op het standpunt dat een optimale beschikkingsbevoegdheid over de primaire waterkering het best te realiseren is via de verwerving van de eigendom van de benodigde gronden.

Vaststelling van de feiten

2.65.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.65.1.    Het perceel, kadastraal bekend gemeente Lekkerkerk, sectie C, nummer 7596, aan de [locatie 14], heeft een oppervlakte van ongeveer 1480 m2. Het plan voorziet in de verwerving van een deel van het perceel van appellanten ter grootte van 210 m2. Het betreft een deel van de tuin.

   Ingevolge de Keur van het hoogheemraadschap is het binnen de waterkering verboden beplantingen anders dan gras aan te brengen, te hebben of te rooien.

2.65.2.    Voor de algemene feiten met betrekking tot het afstaan van gronden en de hieruit voortvloeiende schade wordt verwezen naar overweging 2.12.1.

Het oordeel van de Afdeling

2.66.    Voor een beoordeling van het standpunt van het algemeen bestuur dat gronden die nodig zijn voor de dijkversterking zelf door het hoogheemraadschap zullen worden verworven, en de goedkeuring van dit standpunt door het college van gedeputeerde staten, verwijst de Afdeling allereerst naar hetgeen zij heeft overwogen onder 2.13.

   Met betrekking tot de individuele situatie van [appellanten sub 16] is de Afdeling niet gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden dat verweerders hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan het belang dat is gediend met de voortgang van het dijkversterkingsproject. Ter zitting is door de vertegenwoordiger van het algemeen bestuur aan de hand een kaart die deel uitmaakt van het dijkversterkingsplan toegezegd dat appellanten de gronden die zijn gelegen op een afstand van minder dan twee meter van de woning in eigendom kunnen behouden. Gelet hierop hebben verweerders er in redelijkheid van uit kunnen gaan dat de teen van de dijk na uitvoering van het plan niet op te korte afstand van de woning komt.

   Niet aannemelijk is dat door de dijkversterking de privacy van appellanten in ernstige mate wordt aangetast. Ook thans is al enige inkijk in de woning mogelijk en het dijkversterkingsplan brengt geen verandering in het bestaande verbod tot het aanbrengen van beplantingen op de dijk.

2.66.1.    In hetgeen [appellanten sub 16] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten niet in redelijkheid het dijkversterkingsplan in zoverre hebben kunnen vaststellen, respectievelijk goedkeuren. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de besluiten tot vaststelling en goedkeuring van het dijkversterkingsplan in zoverre anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 16] is in zoverre ongegrond.

Opperduit 452

Het standpunt van appellanten

2.67.    De Bezorgde Bewoners stellen in beroep, naast hetgeen reeds is weergegeven onder 2.59.1, dat het dijkversterkingsplan ten onrechte is vastgesteld en goedgekeurd voor zover dat leidt tot de kap van drie kastanjebomen op het perceel Opperduit 452. Deze bomen zijn in het kapplan aangemerkt als karakteristiek en gezichtsbepalend en moeten behouden blijven, aldus appellanten.

Het standpunt van verweerders

2.68.    Het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten hebben het dijkversterkingsplan in zoverre niet in strijd met het recht geacht en hebben dit vastgesteld, respectievelijk goedgekeurd. Volgens het algemeen bestuur staan de drie bomen in het binnentalud van de waterkering en kunnen deze door ontgravingen niet worden gehandhaafd. De landschappelijke waarde van de bomen is volgens hem dusdanig, dat verplaatsing niet in de rede ligt.

Vaststelling van de feiten

2.69.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.69.1.    Op het perceel Opperduit 452 bevinden zich drie kastanjebomen. Ter plaatse wordt naast het aanbrengen van een damwand het talud blijvend afgegraven omdat de waterkering circa zes meter rivierwaarts wordt verlegd. In het inventarisatierapport van de Bomenwacht is opgemerkt dat het oude bomen betreft in een bijzondere leivorm.

2.69.2.    Voor de algemene feiten met betrekking tot de kap van bomen wordt verwezen naar overweging 2.17.1.

Het oordeel van de Afdeling

2.69.3.    Niet is gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden dat verweerders aan het behoud van de kastanjebomen een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan het belang dat is gediend met de voortgang van het dijkversterkingsproject. Appellanten hebben voorts niet aannemelijk gemaakt dat de bomen kunnen worden gehandhaafd. Ter zitting is door verweerders betoogd dat verplaatsen van de bomen uit de dijk in het algemeen zeer moeilijk is vanwege de hoek van de kluit. De Afdeling acht niet aannemelijk dat dit in dit geval anders is.

2.69.4.    In hetgeen de Bezorgde Bewoners hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten niet in redelijkheid het dijkversterkingsplan in zoverre hebben kunnen vaststellen, respectievelijk goedkeuren. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de besluiten tot vaststelling en goedkeuring van het dijkversterkingsplan in zoverre anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van de Bezorgde Bewoners is in zoverre ongegrond.

[locatie 15] en strandje

Het standpunt van appellanten

2.70.    [appellanten sub 6] stellen in beroep, naast hetgeen reeds is weergegeven onder 2.6 en 2.15, dat het dijkversterkingsplan ten onrechte is vastgesteld en goedgekeurd voor zover het betreft hun perceel aan de [locatie 15]. In het bijzonder dienen de bestaande taludtraptreden door dezelfde treden te worden vervangen, aldus appellanten. Voorts achten zij het onaanvaardbaar dat een recreatief strandje verloren gaat.

Het standpunt van verweerders

2.71.    Het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten hebben het dijkversterkingsplan in zoverre niet in strijd met het recht geacht en hebben dit vastgesteld, respectievelijk goedgekeurd. Het algemeen bestuur stelt voorts dat de bestaande trap wordt teruggebracht.

   Het college van gedeputeerde staten stelt voorts onder meer dat het strandje niet geheel zal verdwijnen.

Vaststelling van de feiten

2.72.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.72.1.    Het perceel kadastraal bekend gemeente Lekkerkerk, sectie C, nummer 7233, aan de [locatie 15] heeft een oppervlakte van ongeveer 708 m2. Het plan voorziet in de verwerving van een deel van het perceel ter grootte van 87 m2. Het betreft een deel van de tuin waar tevens de trap ligt.

   Volgens de toelichting op het ontwerpplan worden bestaande trappen teruggeplaatst. Omdat volgens het hoogheemraadschap voldoende bestaande materialen ontbreken, is appellanten de keuze geboden tussen de door hem voorgestane traptreden of een financiële vergoeding en het zelf aanbrengen van de gewenste traptreden. De huidige trap bestaat uit zogeheten taludtreden. Deze worden vervangen door betonnen elementen in de vorm van tegels. Volgens het deskundigenbericht is een trap bestaande uit taludtreden aanmerkelijk onderhoudsvriendelijker dan een trap bestaande uit betontegels. Het onderhoud van de nieuwe trap ligt bij appellanten.

2.72.2.    Ter hoogte van Opperduit 374-378 bevindt zich thans een klein recreatief strandje dat bij mooi weer intensief wordt gebruikt door recreanten. Door de buitenwaartse asverschuiving van de dijk ter plaatse zal volgens het deskundigenbericht het strandje kleiner worden, zodat de gebruikswaarde in het geding komt. Voorts is volgens het deskundigenbericht waarschijnlijk dat het strandje door werkzaamheden zal vervuilen dan wel dat het witte zand niet meer zichtbaar en bruikbaar zal zijn. Na afloop van de dijkversterking kan het proces van zandsuppletie weer beginnen, maar het zal tientallen jaren duren voordat er weer een strandje zal zijn ontstaan.

Het oordeel van de Afdeling

2.73.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerders zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat voldoende materialen ontbreken, nu taludtreden bij de fabrikant kunnen worden besteld. Niet aannemelijk is dat de aanschafkosten van taludtreden aanmerkelijk hoger zijn dan die van betonnen elementen. Nu de trap zich bevindt op gronden die zullen worden verworven door het hoogheemraadschap, maar het onderhoud van de trap in handen blijft van appellanten, en nu een trap bestaande uit taludtreden aanmerkelijk onderhoudsvriendelijker is dan een trap bestaande uit betontegels, acht de Afdeling het voor appellanten uit de bestreden besluiten voortvloeiende nadeel dat de trap wordt teruggebracht in de vorm van betontegels onevenredig in vergelijking met de met die besluiten in dit verband te dienen doel. Gelet hierop heeft het algemeen bestuur bij het aanwijzen van de van [appellanten sub 6] te verwerven gronden in zoverre het dijkversterkingsplan vastgesteld in strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Door het plan niettemin goed te keuren, heeft verweerder in zoverre gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellanten sub 6] is in zoverre gegrond en de besluiten tot vaststelling en goedkeuring van het dijkversterkingsplan dienen te worden vernietigd voor zover het betreft een gedeelte van de gronden op het perceel [locatie 15], kadastraal bekend gemeente Lekkerkerk, sectie C, nummer 7233.

2.73.1.    Gelet op het deskundigenbericht is aannemelijk dat het strandje in de toekomst zijn gebruikswaarde verliest. Gelet op het belang dat is gemoeid met de dijkversterking, hebben het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten hieraan in redelijkheid evenwel geen doorslaggevend gewicht behoeven toe te kennen.

2.73.2.    In hetgeen [appellanten sub 6] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten niet in redelijkheid het dijkversterkingsplan in zoverre hebben kunnen vaststellen, respectievelijk goedkeuren. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de besluiten tot vaststelling en goedkeuring van het dijkversterkingsplan in zoverre anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 6] is in zoverre ongegrond.

[locatie 16]

Het standpunt van appellant

2.74.    [appellant sub 7] stelt in beroep, naast hetgeen reeds is weergegeven onder 2.6, dat het dijkversterkingsplan ten onrechte is vastgesteld en goedgekeurd voor zover het betreft zijn perceel aan de [locatie 16]. Hij voert hiertoe aan dat de grondverwerving door het hoogheemraadschap niet nodig is en de mogelijkheid om een en ander te regelen via het recht van opstal op onvoldoende gronden is afgewezen. Voorts acht hij het inventarisatierapport onvolledig en daarom onbruikbaar als basis voor herbeplanting. Hij vreest nadelige gevolgen op de grondwaterstand en schade door zettingen en trillingen bij de werkzaamheden. Ten slotte bevat de Nota Dijkversterking Nederlek volgens appellant leemten in kennis, die nog moeten worden ondervangen.

Het standpunt van verweerders

2.75.    Het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten hebben het dijkversterkingsplan in zoverre niet in strijd met het recht geacht en hebben dit vastgesteld, respectievelijk goedgekeurd. Zij stellen zich op het standpunt dat een optimale beschikkingsbevoegdheid over de primaire waterkering het best te realiseren is via de verwerving van de eigendom van de benodigde gronden.

   Het algemeen bestuur stelt zich voorts op het standpunt dat een zetting van tien centimeter als grens van aanvaardbare schade wordt gehanteerd. Daarnaast is volgens hem schade als gevolg van het aanbrengen van damwanden niet uitgesloten.

   Een concreet herbeplantingsplan maakt geen deel uit van het plan, aldus het algemeen bestuur, en het inventarisatierapport vormt daarvoor dan ook niet de basis.

Vaststelling van de feiten

2.76.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.76.1.    Het perceel kadastraal bekend gemeente Lekkerkerk, sectie C, nummer 3968, aan de [locatie 16] heeft een oppervlakte van ongeveer 540 m2. Het plan voorziet in de verwerving van een deel van het perceel ter grootte van 92 m2. Het betreft een deel van de tuin.

2.76.2.    Voor de algemene feiten met betrekking tot het afstaan van gronden en de hieruit voortvloeiende schade wordt verwezen naar overweging 2.12.1.

2.76.3.    In de Nota Dijkversterking Nederlek is voor de beoordeling van de te verwachten schade aan op staal gefundeerde bebouwing gesteld, dat een zetting van tien centimeter ter plaatse van de voorgevel van de bebouwing als grens van aanvaardbare schade wordt gehanteerd.

2.76.4.    Het plan voorziet op vijf meter afstand van de gevel van de woning in een damwand. Volgens de toelichting op het plan en het MER heeft het plaatsen van damwanden in de dijk tot gevolg dat gerekend moet worden met een structurele verandering van de grondwaterstand. In het rapport Dijkversterking Nederlek Geohydrologische beïnvloeding damwanden (hierna: het rapport Geohydrologische beïnvloeding damwanden) zijn naast de resultaten van de berekening ook ervaringen bij dijkversterkingen elders beschouwd, op basis waarvan de hoogte van de damwanden is bepaald. Door gestaffeld te heien en het aanbrengen van een drainageconstructie worden de nadelige effecten op de grondwaterstand beperkt. Met behulp van peilbuizen zal voor en na de bestekfase en voor en na de uitvoering de invloed van de damwanden op de grondwaterstand worden gemeten.

Het oordeel van de Afdeling

2.77.    Voor een beoordeling van het standpunt van het algemeen bestuur dat gronden die nodig zijn voor de dijkversterking zelf door het hoogheemraadschap zullen worden verworven, en de goedkeuring van dit standpunt door het college van gedeputeerde staten, verwijst de Afdeling allereerst naar hetgeen zij heeft overwogen onder 2.13.

   Met betrekking tot de individuele situatie van [appellant sub 7] is niet gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden dat verweerders hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan het belang dat is gediend met de voortgang van het dijkversterkingsproject.

2.77.1.    Uit de Nota Dijkversterking Nederlek en het rapport Geohydrologische beïnvloeding damwanden volgt dat de effecten van damwanden op de grondwaterstand kunnen worden beperkt. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze rapporten zodanig gebreken of leemten in kennis vertonen, dat verweerders daarvan in redelijkheid niet hebben kunnen uitgaan. Dat de Nota Dijkversterking Nederlek een lijst van punten bevat waaraan nog de nodige aandacht moet worden besteed, doet daaraan niet af, omdat die lijst betrekking heeft op de fase van de concrete uitvoering en het bestek. Het is niet aannemelijk dat deze aandachtspunten aan de uitvoering van het plan in de weg staan.

2.77.2.    Ten aanzien van het standpunt van verweerder over de mogelijke schade die kan optreden door de dijkversterking, verwijst de Afdeling naar hetgeen zij heeft overwogen in 2.13. De omstandigheid dat een zetting van tien centimeter ter plaatse van de voorgevel van de bebouwing als grens van aanvaardbare schade wordt gehanteerd, betekent voorts niet dat schade bij een zetting van minder dan tien centimeter niet voor vergoeding in aanmerking komt. Dit is ter zitting door het algemeen bestuur bevestigd. Ook eventuele schade ten gevolge van het plaatsen van de damwanden komt in beginsel voor vergoeding in aanmerking. Door het plaatsen van peilbuizen kan worden nagegaan welke schade optreedt.

2.77.3.     In hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten niet in redelijkheid het dijkversterkingsplan in zoverre hebben kunnen vaststellen, respectievelijk goedkeuren. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de besluiten tot vaststelling en goedkeuring van het dijkversterkingsplan in zoverre anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 7] is ongegrond.

[locatie 17]

Het standpunt van appellant

2.78.    [appellant sub 12] stelt in beroep dat het dijkversterkingsplan ten onrechte is vastgesteld en goedgekeurd voor zover het betreft zijn percelen aan de [locatie 17]. Hij voert hiertoe aan dat de verspringing van de damwand op zijn percelen ten opzichte van de damwand op de percelen van zijn buren kan leiden tot een doorstroom van water naar zijn woning. Voorts stelt appellant dat het slaan van de damwand door een betonnen wand van 40 centimeter de stabiliteit van zijn woning aantast, omdat de betonnen wand deel uitmaakt van de fundering van zijn woning. Bovendien moeten nu twee bomen worden gekapt, hetgeen niet nodig is als de damwand enkele meters wordt verlegd, aldus appellant.

Het standpunt van verweerders

2.79.    Het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten hebben het dijkversterkingsplan in zoverre niet in strijd met het recht geacht en hebben dit vastgesteld, respectievelijk goedgekeurd. Zij stellen zich op het standpunt dat de door appellant gevreesde gevolgen zich niet zullen voordoen.

De vaststelling van de feiten

2.80.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.80.1.    [appellant sub 12] is eigenaar van het perceel [locatie 17]. Ter plaatse van dit perceel voorziet het dijkversterkingsplan in dijksectie H3 tussen hmp 11.7 en 11.7+40 in plaatsing van een damwand in de binnenteen van de dijk op een afstand van vijf tot zes meter van de voorgevel van de woning van appellant. Deze damwand kruist een betonnen wand in de tuin van appellant. Deze betonnen wand sluit aan op de hoek van de woning en maakt scheiding tussen een hoger gelegen deel van de tuin en een lager gelegen deel.

   Op ongeveer elf meter van de woning van appellant staat de woning van zijn buren, op het perceel Opperduit 288. Deze woning ligt op een kleinere afstand van de dijk dan de woning van appellant. Ter plaatse van deze woning voorziet het dijkversterkingsplan in plaatsing van een damwand in het talud van de dijk op een afstand van vijf tot zes meter van de voorgevel van de woning. Doordat de afstanden van beide woningen tot de dijk niet gelijk zijn, worden de damwanden op verschillende plaatsen in het talud van de dijk geplaatst en sluiten deze niet op elkaar aan.

   Op het perceel van appellant bevinden zich twee bomen die blijkens het kapplan moeten worden gerooid. Het betreft de bomen die zijn aangeduid met de nummers 288 en 289. Uit het kapplan volgen geen bijzonderheden met betrekking tot deze bomen.

2.80.2.    Uit de stukken volgt dat als uitgangspunt wordt gehanteerd dat de damwanden in de binnenteen van de dijk worden geplaatst. Op plaatsen waar de binnenteen van de dijk op een kleinere afstand dan vijf meter van woningen zal liggen, wordt de damwand in het talud van de dijk geplaatst, op een afstand van minimaal vijf meter van de gevel van de woning. Ter zitting is toegelicht dat dit uitgangspunt tot uitdrukking komt in de weergave op de kaarten van het grondplan.

2.80.3.    Volgens de toelichting op het plan en het MER heeft het plaatsen van damwanden in de dijk tot gevolg dat gerekend moet worden met een structurele verandering van de grondwaterstand. In het rapport Geohydrologische beïnvloeding damwanden zijn deze invloeden berekend. Daarnaast zijn ook ervaringen bij dijkversterkingen elders beschouwd, op basis waarvan vervolgens de hoogte van de damwanden is bepaald. Door gestaffeld te heien (om en om plaatsen van korte en lange damwanden) en het aanbrengen van een drainageconstructie worden de nadelige effecten op de grondwaterstand beperkt. Met behulp van peilbuizen zal voor en na de bestekfase en voor en na de uitvoering de invloed van de damwanden worden gemeten.

2.80.4.    Voor de algemene feiten met betrekking tot de kap van bomen wordt verwezen naar overweging 2.17.1 tot en met 2.17.3.

Het oordeel van de Afdeling

2.81.    Uit de Nota Dijkversterking Nederlek en het rapport Geohydrologische beïnvloeding damwanden volgt dat effecten van damwanden op de grondwaterstand kunnen worden beperkt. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze rapporten zodanige gebreken of leemten in kennis vertonen, dat verweerders daarvan in redelijkheid niet hebben kunnen uitgaan. Dat de Nota Dijkversterking Nederlek een lijst van punten bevat waaraan nog de nodige aandacht moet worden besteed, doet daaraan niet af, omdat die lijst betrekking heeft op de fase van de concrete uitvoering en het bestek. Het is niet aannemelijk dat deze aandachtspunten aan de uitvoering van het plan in de weg staan. Nu voorts ter zitting onweersproken is gesteld dat de betonnen wand in de tuin van appellant geen deel uitmaakt van de fundering van zijn woning, is niet aannemelijk dat het plaatsen van de damwand, zo nodig door de betonnen wand, zal leiden tot instabiliteit van de woning van appellant.

2.81.1.    Voor een beoordeling van het standpunt van het algemeen bestuur dat de bomen die in het kapplan zijn opgenomen, moeten worden gekapt, en de goedkeuring van dit standpunt door het college van gedeputeerde staten, verwijst de Afdeling allereerst naar hetgeen zij heeft overwogen onder 2.18.1.

   Met betrekking tot de bomen op het perceel van [appellant sub 12] is de Afdeling niet gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden dat verweerders hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan het belang dat is gediend met de voortgang van het dijkversterkingsproject. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat niet aannemelijk is geworden dat deze bomen bijzondere landschappelijke kwaliteiten bezitten.

2.81.2.    In hetgeen [appellant sub 12] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten niet in redelijkheid het dijkversterkingsplan in zoverre hebben kunnen vaststellen, respectievelijk goedkeuren. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de besluiten tot vaststelling en goedkeuring van het dijkversterkingsplan in zoverre anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 12] is ongegrond.

[locatie 18]

Het standpunt van appellante

2.82.    [appellante sub 3] stelt in beroep, naast hetgeen reeds is weergegeven onder 2.6, dat het dijkversterkingsplan ten onrechte is vastgesteld en goedgekeurd voor zover het betreft een deel van haar perceel aan de [locatie 18]. Volgens haar is het niet nodig de dijk buitenwaarts te verleggen in verband met de verlegging van een uitrit aan de overzijde van de dijk.

Het standpunt van verweerders

2.83.    Het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten hebben het dijkversterkingsplan in zoverre niet in strijd met het recht geacht en hebben dit vastgesteld, respectievelijk goedgekeurd. Zij stellen zich op het standpunt dat een optimale beschikkingsbevoegdheid over de primaire waterkering het best te realiseren is via de verwerving van de eigendom van de benodigde gronden. Voorts stelt het algemeen bestuur dat vanwege de beperkte ruimte ter plaatse het niet mogelijk is de dijk op een andere manier te verzwaren.

Vaststelling van de feiten

2.84.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.84.1.    Het perceel kadastraal bekend gemeente Lekkerkerk, sectie C, nummer 5697, aan de [locatie 18], ligt geheel buitendijks en heeft een oppervlakte van ongeveer 571 m2. Het plan voorziet in de verwerving van een deel van het perceel ter grootte van 195 m2. Het betreft voornamelijk een deel van de tuin en een deel van de geasfalteerde afrit die deel uitmaken van de ondergrond van het dijklichaam.

   Een klein wigvormig deel in de noordwesthoek van het perceel is voorts nodig voor de aansluiting van de wegtracés ten oosten en ten westen van het perceel. Net ten westen van het perceel zal de bestaande dijk namelijk moeten aansluiten op het tracégedeelte meer westelijk van de woning, dat twee meter in buitenwaartse richting wordt verschoven. Hierdoor wordt de dijk enigszins verlegd in de richting van het erf van appellante.

   Uit de stukken blijkt dat appellante geen gronden behoeft af te staan ten behoeve van de verlegging van de afrit van de tegenoverliggende binnendijkse woning aan de Opperduit 282, maar dat de desbetreffende gronden worden verworven omdat deze deel uitmaken van het dijklichaam.

2.84.2.    Voor de algemene feiten met betrekking tot het afstaan van gronden en de hieruit voortvloeiende schade wordt verwezen naar overweging 2.12.1.

Het oordeel van de Afdeling

2.85.    Voor een beoordeling van het standpunt van het algemeen bestuur dat gronden die nodig zijn voor de dijkversterking zelf door het hoogheemraadschap zullen worden verworven, en de goedkeuring van dit standpunt door het college van gedeputeerde staten, verwijst de Afdeling allereerst naar hetgeen zij heeft overwogen onder 2.13.

   Met betrekking tot de individuele situatie van [appellante sub 3] is de Afdeling niet gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden dat verweerders hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan het belang dat is gediend met de voortgang van het dijkversterkingsproject. Ter zitting is aannemelijk gemaakt dat vanwege de binnendijkse bebouwing, de verplaatsing van de dijk in buitendijkse richting niet verder westelijk van het perceel van appellante kan beginnen.

2.85.1.    Appellante behoeft geen gronden af te staan ten behoeve van de verlegging van de afrit van de tegenoverliggende binnendijkse woning. Gelet hierop bestond voor verweerders geen aanleiding te bezien of deze uitrit op de wijze zoals aangegeven door appellante kan worden verlegd.

2.85.2.    In hetgeen [appellante sub 3] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten niet in redelijkheid het dijkversterkingsplan in zoverre hebben kunnen vaststellen, respectievelijk goedkeuren.

   Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de besluiten tot vaststelling en goedkeuring van het dijkversterkingsplan in zoverre anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante sub 3] is ongegrond.

[locatie 19]

Het standpunt van appellanten

2.86.    [appellanten sub 21] stellen in beroep, naast hetgeen reeds is weergegeven onder de overwegingen 2.6 en 2.15, dat het dijkversterkingsplan ten onrechte is vastgesteld en goedgekeurd voor zover het betreft hun percelen aan de [locatie 19]. Zij voeren hiertoe aan dat een zetting van tien centimeter enorm is en leidt tot een bouwkundig zeer gevaarlijke situatie. Zij wensen duidelijkheid over de risico's en over de aansprakelijkheid van het hoogheemraadschap. Voorts stellen appellanten dat er geen steekhoudende argumenten zijn voor onteigening van de gronden en dat de mogelijkheid om een en ander te regelen via het recht van opstal op onvoldoende gronden is afgewezen. Tot slot zijn appellanten tegen het ruimen van hun tuin.

Het standpunt van verweerders

2.87.    Het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten hebben het dijkversterkingsplan in zoverre niet in strijd met het recht geacht en hebben dit vastgesteld, respectievelijk goedgekeurd. Volgens hen is een zetting van tien centimeter acceptabel. Voorts stellen zij zich op het standpunt dat een optimale beschikkingsbevoegdheid over de primaire waterkering het best te realiseren is via de verwerving van de eigendom van de benodigde gronden. Tot slot stellen verweerders dat vergoeding van schade voldoende is verzekerd.

De vaststelling van de feiten

2.88.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.88.1.    [appellanten sub 21] zijn onder meer eigenaars van het binnendijkse perceel [locatie 19], dat bestaat uit twee kadastrale percelen, bekend als gemeente Lekkerkerk, sectie C, de nummers 5960 en 9715, met een gezamenlijke oppervlakte van 1102 m2. Van deze percelen is volgens het grondplan en de lijst van te onteigenen onroerende zaken 166 m2 nodig voor de dijkversterking, omdat dit gedeelte binnen het dijkversterkingsprofiel van de nieuwe dijk ligt. Dit gedeelte heeft een groene inrichting.

   Appellanten zijn voorts eigenaars van een buitendijks perceel, kadastraal bekend gemeente Lekkerkerk, sectie C, nummer 5786 met een oppervlakte van 398 m2. Dit perceel is volgens het grondplan en de te onteigenen onroerende zaken in zijn geheel nodig voor de dijkversterking. Dit perceel bestaat uit grasland en rietgors en vormt een deel van het talud van de dijk.

2.88.2.    Voor de algemene feiten met betrekking tot het afstaan van gronden en de hieruit voortvloeiende schade, alsmede de vergoeding van andere vormen van schade, wordt verwezen naar overweging 2.12.1 en 2.12.2.

Het oordeel van de Afdeling

2.89.    Voor een beoordeling van het standpunt van het algemeen bestuur dat gronden die nodig zijn voor de dijkversterking zelf door het hoogheemraadschap zullen worden verworven, en de goedkeuring van dit standpunt door het college van gedeputeerde staten, alsmede het standpunt dat voorzien is in een afdoende schaderegeling, verwijst de Afdeling allereerst naar hetgeen zij heeft overwogen onder 2.13.

   Met betrekking tot de individuele situatie van [appellanten sub 21] is de Afdeling niet gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden dat verweerders hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan het belang dat is gediend met de voortgang van het dijkversterkingsproject. In dit verband is van belang dat van hun woning bouwkundige opnames zullen worden gemaakt en hier peilbuizen zullen worden geplaatst om het mogelijke zettingsverschil te monitoren en de schade die hieruit voortvloeit, te kunnen vaststellen. Zoals reeds onder 2.77.2 overwogen, betekent een zetting van tien centimeter niet dat schade bij een zetting van minder tien centimeter niet voor vergoeding in aanmerking komt.

   Voorts is van belang, dat bij de uitvoering van het project de bestaande situatie zoveel als mogelijk zal worden hersteld. Hieruit vloeit voort dat wanneer naast de verwerving van noodzakelijke gronden overigens nog een deel van de tuin van appellanten moet worden geruimd, dit deel zoveel mogelijk in de oude toestand zal worden hersteld. Dat verweerders hiervoor de bestaande situatie als uitgangspunt nemen, is redelijk, zoals reeds overwogen onder 2.50.1.

2.89.1.    In hetgeen [appellanten sub 21] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten niet in redelijkheid het dijkversterkingsplan in zoverre hebben kunnen vaststellen, respectievelijk goedkeuren. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de besluiten tot vaststelling en goedkeuring van het dijkversterkingsplan in zoverre anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 21] is in zoverre ongegrond.

Het voormalig Boskalisterrein

Het standpunt van appellant

2.90.    [appellant sub 2] stelt in beroep dat het dijkversterkingsplan ten onrechte is vastgesteld en goedgekeurd voor zover het betreft het voormalig Boskalisterrein. Volgens hem wordt daardoor ruimte aan de rivier ontnomen, wordt een bestaand natuurterrein vernietigd en wordt het cultuurhistorische beeld aangetast. In het MER wordt hieraan geen aandacht besteed, aldus appellant.

Het standpunt van verweerders

2.91.    Het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten hebben het dijkversterkingsplan in zoverre niet in strijd met het recht geacht en hebben dit vastgesteld, respectievelijk goedgekeurd. Het college van gedeputeerde staten stelt zich op het standpunt dat is gekozen voor een constructieve oplossing gecombineerd met een buitenwaartse asverschuiving op basis van ontwerpprincipes, de duurzaamheid en de kosten en in verband met de aanwezigheid van woningen direct binnendijks. De invloed op de natuurwaarden en de waterafvoer blijft volgens hem beperkt. Het verlies aan natuurwaarden wordt bovendien elders gecompenseerd.

Vaststelling van de feiten

2.92.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.92.1.    Ter hoogte van Opperduit 68 tot en met 140 komt het dijklichaam door asverschuiving te liggen op een deel van het voormalig Boskalisterrein, dat sinds 1995 is ingericht als natuurgebied en mede een functie heeft als overloopgebied. Dit dijkgedeelte wordt volgens het plan versterkt door het plaatsen van damwanden en het aanvullen met extra grond. De as van de dijk verschuift daardoor ter plaatse maximaal 15 meter in buitenwaartse richting.

   Volgens het MER is bij het samenstellen van het voorkeursalternatief nagegaan wat de invloed is op de rivierwaterstand, kosten, duurzaamheid, beheer en onderhoud. De voorkeur is uitgegaan naar een betaalbare, duurzame, beheer- en onderhoudsarme oplossing met waar mogelijk binnen deze benadering behoud van landschaps-, natuur- en cultuurhistorische waarden.

   Volgens het MER bestaan de cultuurhistorische waarden ter hoogte van dit dijkvak uit karakteristieke bebouwing aan de binnenzijde van de dijk en uit een kenmerkend buitentalud aan een licht gebogen dijk, met een flauwe buitenbocht en voorland. Door de asverschuiving heeft het plan negatieve effecten op de cultuurhistorische kenmerken en de herkenbaarheid van de dijk en op de natuurwaarden, die verloren gaan. De natuurwaarden bestaan voornamelijk uit rietland en wilgenbos.

   In de aanvulling op het MER is nader ingegaan op het verlies aan natuurwaarden ter plaatse en de keuze voor het voorkeursalternatief. Het voorkeursalternatief is een compromis tussen alleen een grondoplossing met een grotere asverschuiving, die uit het oogpunt van kosten, beheer en onderhoud optimaal zou zijn, en alleen een constructieve oplossing, die uit het oogpunt van het behoud van de landschaps-, natuur- en cultuurhistorische waarden het beste scoort, maar die veel duurder is.

   Door het voorkeursalternatief gaan natuurwaarden en waterbergend vermogen verloren. Dit verlies wordt deels gecompenseerd op het Neefterrein. Voor zover niet alle natuurwaarden daar geheel kunnen worden gecompenseerd, wordt volgens de Oplegnotitie dijkversterking Nederlek nog gezocht naar een geschikte buitendijkse locatie in de omgeving.

   Op criteria met betrekking tot woon-, werk- en leefmilieu scoort het voorkeursalternatief sterk positief vanwege het ontstaan van meer leefruimte binnendijks en de afname van geluidhinder door een grotere afstand van de dijkweg tot woningen.

Het oordeel van de Afdeling

2.93.    Uit het MER en het aanvullende MER blijkt dat in deze dijksectie is gekozen voor een combinatie van grondoplossingen en constructieve oplossingen, waarbij enerzijds de landschaps-, natuur- en cultuurhistorische waarden en het waterbergend vermogen meer worden aangetast dan in het MMA maar anderzijds de beheer- en onderhoudskosten lager zijn en de positieve effecten op de binnendijkse leefomgeving groter. Anders dan appellant betoogt, heeft derhalve een integrale afweging plaatsgevonden. Daarbij komt dat het plan voorziet in compensatie van een groot deel van de natuurwaarden die verloren gaan en aannemelijk is dat ook het overige verlies aan natuurwaarden zal worden gecompenseerd. Ter zitting is in dit verband gesteld dat het college van gedeputeerde staten heeft ingestemd met mogelijke locaties in Bergambacht en Schoonhoven in het kader van de dijkversterking aldaar. Ook het opstuwend effect van de asverschuiving wordt elders op het dijktracé gecompenseerd, terwijl het gekozen alternatief een positief effect heeft op het woon-, werk- en leefmilieu.

2.94.    In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten niet in redelijkheid het dijkversterkingsplan in zoverre hebben kunnen vaststellen, respectievelijk goedkeuren. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de besluiten tot vaststelling en goedkeuring van het dijkversterkingsplan in zoverre anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

[locatie 20]

Het standpunt van appellant

2.95.    [appellant sub 11] stelt in beroep dat het dijkversterkingsplan ten onrechte is vastgesteld en goedgekeurd voor zover het betreft zijn binnendijkse percelen aan de [locatie 20], alsmede een buitendijks perceel. Hij voert hiertoe aan dat het hoogheemraadschap het beoogde doel ook langs andere weg kan realiseren dan via het instrument van onteigening. Vestiging van een recht van opstal met erfdienstbaarheden houdt meer rekening met de belangen van de betrokken burgers, aldus appellant.

   Subsidiair stelt appellant dat, indien terecht is gekozen voor het onteigeningsinstrument, het hoogheemraadschap ter compensatie van de benodigde gronden een verkavelingsruil zou moeten doen met het Bureau Beheer Landbouwgronden.

Het standpunt van verweerders

2.96.    Het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten hebben het dijkversterkingsplan in zoverre niet in strijd met het recht geacht en hebben dit vastgesteld, respectievelijk goedgekeurd. Zij stellen zich op het standpunt dat een optimale beschikkingsbevoegdheid over de primaire waterkering het best te realiseren is via de verwerving van de eigendom van de benodigde gronden.

De vaststelling van de feiten

2.97.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.97.1.    [appellant sub 11] is onder meer eigenaar van het perceel [locatie 20], dat bestaat uit twee kadastrale percelen, bekend als gemeente Lekkerkerk, sectie C, de nummers 7270 en 2278, met een gezamenlijke oppervlakte van 9.700 m2. Van deze percelen is volgens het grondplan en de lijst van te onteigenen onroerende zaken 344 m2 nodig voor de dijkversterking, omdat dit gedeelte binnen het dijkversterkingsprofiel van de nieuwe dijk ligt. Dit gedeelte bestaat uit dijktalud, begroeid met gras, en omvat mede het hoogste deel van de afrit ter ontsluiting van de percelen.

   Appellant is voorts eigenaar van een buitendijks perceel, nummer 6287, met een oppervlakte van 1.125 m2. Van dit perceel is 954 m2 nodig voor de dijkversterking. Dit gedeelte bestaat uit rietland en dijkberm.

   Achter het perceel [locatie 20] ligt een perceel dat direct aansluit op de percelen van appellant en zijn percelen tot een vierkant geheel zou kunnen maken. Appellant is in onderhandeling met de Stichting Kavelruil Zuid-Holland om het buitendijkse perceel, nummer 6287, te ruilen voor dit perceel.

2.97.2.    Voor de algemene feiten met betrekking tot het afstaan van gronden en de hieruit voortvloeiende schade, wordt verwezen naar overweging 2.12.1.

Het oordeel van de Afdeling

2.98.    Voor een beoordeling van het standpunt van het algemeen bestuur dat gronden die nodig zijn voor de dijkversterking zelf door het hoogheemraadschap zullen worden verworven, en de goedkeuring van dit standpunt door het college van gedeputeerde staten, verwijst de Afdeling allereerst naar hetgeen zij heeft overwogen onder 2.13.

   Met betrekking tot de individuele situatie van [appellant sub 11] is de Afdeling niet gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden dat verweerders hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan het belang dat is gediend met de voortgang van het dijkversterkingsproject. In dit verband is van belang dat de afrit naar de percelen van appellant, zij het in iets gewijzigde vorm, terug zal worden gelegd. Ter zitting is dit door het algemeen bestuur bevestigd.

2.98.1.    In hetgeen [appellant sub 11] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het algemeen bestuur en het college van gedeputeerde staten niet in redelijkheid het dijkversterkingsplan in zoverre hebben kunnen vaststellen, respectievelijk goedkeuren. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de besluiten tot vaststelling en goedkeuring van het dijkversterkingsplan in zoverre anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 11] is ongegrond.

Proceskosten

2.99.    Met betrekking tot de beroepen van de Dijkcommissie Lekkerkerk, [appellanten sub 4], [appellant sub 10], [appellanten sub 15], [appellant sub 18], [appellanten sub 1] en andere, [appellanten sub 16], de Bezorgde Bewoners, [appellant sub 7], [appellant sub 12], [appellante sub 3], [appellanten sub 21], [appellant sub 2] en [appellant sub 11] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

   Met betrekking tot de beroepen van [appellant sub 20], [appellant sub 5], [appellante sub 13], [appellante sub 14A] en [appellante sub 14B] en [appellant sub 14C] en [appellante sub 14D] en [appellanten sub 6] is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, niet gebleken.

   Met betrekking tot de beroepen van [appellante sub 19] en [appellante sub 9] dienen verweerders op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van [appellante sub 9] geheel en de beroepen van [appellant sub 20], [appellant sub 5], [appellante sub 13], [appellante sub 14A] en [appellante sub 14B] en [appellant sub 14C] en [appellante sub 14D], [appellante sub 19] en [appellanten sub 6] gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de verenigde vergadering van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard van 30 maart 2005 en het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, kenmerk DGWM/2005/5372A, verzonden op 18 mei 2005, voor zover het betreft;

a. de gronden op het perceel [locatie 1], zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 1;

b. de gronden op het perceel [locatie 4], zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 2;

c. de gronden op het perceel [locatie 6], zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 3;

d. de gronden op het perceel [locatie 9], zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaarten 4 en 5;

e. de gronden op het perceel [locatie 11], zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 6;

f. kaart Lek-XXV-01 behorend bij het plan;

g. de gronden op het perceel [locatie 15], zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 7;

III.    verklaart de beroepen van de Dijkcommissie Lekkerkerk, [appellanten sub 4], [appellant sub 10], [appellanten sub 15], [appellant sub 18], [appellanten sub 1], [appellanten sub 16], de Bezorgde Bewoners, [appellant sub 7], [appellant sub 12], [appellante sub 3], [appellanten sub 21], [appellant sub 2] en [appellant sub 11] geheel, en de beroepen van [appellant sub 20], [appellant sub 5], [appellante sub 13], [appellante sub 14A] en [appellante sub 14B] en [appellant sub 14C] en [appellante sub 14D], [appellante sub 19] en [appellanten sub 6] voor het overige ongegrond;

IV.    veroordeelt het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard en de provincie Zuid-Holland gezamenlijk in de bij appellanten in verband met de behandeling van hun beroepen opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1476,33 (zegge: veertienhonderdzesenzeventig euro en drieëndertig cent). Dit bedrag dient door de provincie Zuid-Holland als volgt aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald:

- aan [appellante sub 19] € 671,33 (zegge: zeshonderdeenenzeventig euro en drieëndertig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- aan [appellante sub 9] € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.    gelast dat het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard en de provincie Zuid-Holland gezamenlijk aan de volgende appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoeden; deze bedragen dienen door de provincie Zuid-Holland als volgt te worden betaald:

- aan [appellant sub 20], [appellant sub 5], [appellante sub 13], [appellante sub 19] en [appellanten sub 6] ieder een bedrag van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro);

- aan [appellante sub 14A] en [appellante sub 14B] en [appellant sub 14C] en [appellante sub 14D] en [appellante sub 9] elk een bedrag van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro).

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjakovic, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren    w.g. Bošnjakovic

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2006

350-410

Kaart 1kaart 1

Kaart 2kaart 2

Kaart 3kaart 3

Kaart 4kaart 4

Kaart 5kaart 5

Kaart 6kaart 6

Kaart 7kaart 7