Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX7028

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-06-2006
Datum publicatie
07-06-2006
Zaaknummer
200509024/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2005:AU4006
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 februari 2005 heeft het Commissariaat voor de Media (hierna: het Commissariaat) de aanvraag van appellante om toewijzing van zendtijd afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2006, 262 met annotatie van G.J.M. Cartigny
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200509024/1.

Datum uitspraak: 7 juni 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting "Stichting Radio Televisie Tilburg", gevestigd te Tilburg,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak nos. 05/2487 en 05/2488 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 15 augustus 2005 in het geding tussen:

appellante

en

het Commissariaat voor de Media.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2005 heeft het Commissariaat voor de Media (hierna: het Commissariaat) de aanvraag van appellante om toewijzing van zendtijd afgewezen.

Bij besluit van 15 februari 2005 heeft het Commissariaat de aanvraag van de stichting "Stichting Lokale Omroep Tilburg Totaal" (hierna: LOTT) toegewezen voor een periode van vijf jaren.

Bij besluit van 7 juni 2005 heeft het Commissariaat het tegen deze besluiten door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 augustus 2005, verzonden op 20 september 2005, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 28 oktober 2005, bij de Raad van State ingekomen op 1 november 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 november 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 23 december 2005 heeft het Commissariaat van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 april 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door [voorzitter] van de stichting, en het Commissariaat, vertegenwoordigd door mr. G.H.L. Weesing, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Voor de weergave van de hier relevante bepalingen uit de Mediawet en het Mediabesluit wordt verwezen naar de aangehechte uitspraak van de voorzieningenrechter.

2.2.    Bij de primaire besluiten van 15 februari 2005, zoals gehandhaafd in bezwaar, is door het Commissariaat de aanvraag om zendtijd van appellante afgewezen en de aanvraag om zendtijd van LOTT toegewezen met ingang van 15 februari 2005 voor een periode van vijf jaar.

2.3.    Het primaire betoog van appellante houdt in dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geconcludeerd dat de aan haar bij besluit van 3 augustus 1999 toegewezen zendtijd voor een periode van vijf jaren per 3 augustus 2004 is geëxpireerd. Appellante stelt dat op grond van artikel 3 van dat besluit de zendtijdtoewijzing voor een periode van vijf jaren pas is ingegaan op het moment dat de leden van haar programmaraad door het college van burgemeester en wethouders van Tilburg zijn benoemd, te weten op 11 oktober 2004. Dat betekent dat de zendtijdtoewijzing van 3 augustus 1999 ten tijde van de nieuwe zendtijdtoewijzing aan LOTT nog niet was geëxpireerd, en het Commissariaat - gelet op het bepaalde in artikel 42, tweede lid, van de Mediawet - op 15 februari 2005 de zendtijd aan de lokale publieke omroep niet opnieuw kon toedelen.

2.4.    Artikel 3 van het besluit van 3 augustus 1999 luidt als volgt:

"Deze beslissing heeft een geldigheidsduur van vijf jaren en treedt in werking op het moment dat de leden van het representatief orgaan krachtens de laatste volzin van artikel 30, sub c, Mediawet, door het College van Burgemeester en Wethouders zijn benoemd, met dien verstande dat pas daadwerkelijk via de omroepzender uitgezonden kan worden op het moment dat aanvraagster door de Minister van Verkeer en Waterstaat op grond van artikel 3.3 van de Telecommunicatiewet vergunning is verleend voor het gebruik van frequentieruimte ten behoeve van een lokaal programma voor algemene omroep via een omroepzender."

2.5.    De Afdeling stelt vast dat het in het eerste deel van dit artikel bepaalde ("Deze beslissing heeft een geldigheidsduur van vijf jaren") aldus kan worden gelezen dat de geldigheidsduur van de toegewezen zendtijd is gestart op het moment dat het besluit bekendgemaakt is. Voor deze uitleg

- die in overeenstemming is met de bedoeling die het Commissariaat daaraan heeft willen toekennen - kan steun worden gevonden in de begeleidende brief bij het besluit, waarin onder meer de passage is opgenomen "de toewijzing van de zendtijd per heden". Deze bedoeling is ook in overeenstemming met artikel 20 van het Mediabesluit, waarin is bepaald dat de zendtijd zo spoedig mogelijk ingaat. Aldus beschouwd ziet het tweede gedeelte ("en treedt in werking op … via een omroepzender.") op de mogelijkheid tot feitelijke ingebruikneming van de zendtijdtoewijzing, te weten op het moment dat de programmaraad is benoemd en frequentieruimte is toegewezen.

   Daar komt bij dat blijkens de stukken zowel het Commissariaat als appellante na de zendtijdtoewijzing van 3 augustus 1999 van een zodanige lezing zijn uitgegaan en dienovereenkomstig hebben gehandeld. Eerst later

- vanaf het moment van indiening van bezwaar door appellante in deze procedure - is appellante op basis van de letterlijke tekst van artikel 3 deze bepaling gaan interpreteren op de wijze zoals thans door haar wordt bepleit. Hoewel aan appellante moet worden toegegeven dat artikel 3 niet eenduidig is geformuleerd, is de voorzieningenrechter, mede in het licht van de kennelijke bedoeling van het Commissariaat en de uitvoering die partijen daaraan dienovereenkomstig hebben gegeven, appellante terecht niet gevolgd in haar uitleg. De Afdeling kan zich dan ook verenigen met de conclusie van de voorzieningenrechter dat artikel 3 aldus dient te worden begrepen dat de zendtijdtoewijzing onmiddellijk ingaat, maar dat daarvan pas gebruik kan worden gemaakt nadat de programmaraad zal zijn benoemd en frequentieruimte is toegewezen. Het primaire betoog van appellante treft dan ook geen doel.

2.6.    Ten aanzien van het subsidiaire betoog van appellante dat is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat niet onredelijk is dat het Commissariaat overeenkomstig het advies van de gemeenteraad heeft gekozen voor LOTT, wordt als volgt overwogen.

   Appellante heeft de overwegingen die de voorzieningenrechter aan dit oordeel ten grondslag heeft gelegd niet gemotiveerd betwist, met uitzondering van de overweging over de aanspraken op subsidie. De in dit verband door appellante aangevoerde omstandigheden dat LOTT uiteindelijk geen subsidie heeft gekregen, dat zij nog steeds geen uitzendingen verzorgt, en dat appellante zelf inmiddels financiering heeft gevonden dienen bij de beoordeling van dit geding buiten beschouwing te blijven, omdat zij dateren van na de beslissing op bezwaar, zodat het Commissariaat daarmee bij haar besluitvorming geen rekening heeft kunnen houden. Voor het overige is in de beslissing op bezwaar uitgebreid gemotiveerd waarom die beslissing in het voordeel van LOTT is uitgevallen, welke motivering niet onjuist of onredelijk wordt geacht. Daaruit blijkt onder meer dat de keuze voor LOTT voornamelijk is gebaseerd op het advies van de gemeenteraad van 20 juli 2004 en dat bij de zendtijdtoewijzing geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat de ene omroepinstelling wel (LOTT) en de andere niet (appellante) een beroep doet of zal doen op gemeentelijke subsidie. Het subsidiaire betoog van appellante slaagt derhalve evenmin.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Molenaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Molenaar

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2006

369.