Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX7026

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-06-2006
Datum publicatie
07-06-2006
Zaaknummer
200509726/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 oktober 2005 hebben verweerders krachtens de Kernenergiewet aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Urenco Nederland B.V." vergunning verleend voor het wijzigen van een inrichting op het adres Planthofsweg 77 te Almelo. Verder zijn bij dit besluit voorschriften van de voor deze inrichting geldende vergunningen gewijzigd. Het besluit is op 18 oktober 2005 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2006, 48K
Milieurecht Totaal 2006/196
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200509726/1.

Datum uitspraak: 7 juni 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    de stichting "Stichting Greenpeace Nederland", gevestigd te Amsterdam,

2.    de stichting "Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu (Stichting ROM)", gevestigd te Hengelo, en anderen,

appellanten,

en

de Staatssecretarissen van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Economische Zaken,

verweerders.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2005 hebben verweerders krachtens de Kernenergiewet aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Urenco Nederland B.V." vergunning verleend voor het wijzigen van een inrichting op het adres Planthofsweg 77 te Almelo. Verder zijn bij dit besluit voorschriften van de voor deze inrichting geldende vergunningen gewijzigd. Het besluit is op 18 oktober 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 25 november 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, en appellanten sub 2 bij brief van 29 november 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. Appellante sub 1 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 23 december 2005. Appellanten sub 2 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 27 december 2005.

Bij brief van 23 februari 2006 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 1 en 2. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 mei 2006, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door mr. B.N. Kloostra, advocaat te Amsterdam, en dr. R. Teule; appellanten sub 2, vertegenwoordigd door ing. M.H. Middelkamp; en verweerders, vertegenwoordigd door mr. W. Huiberts, drs. D. Vos, mr. P.A.A. Sormani, mr. ir. H. van Halem en drs. B. van der Werf, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. E.T. Sillevis Smitt, advocaat te Rotterdam, en E. Huizinga, drs. H. Rakhorst, ir. P.G.T. de Jong en ir. H. Braam.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

Ontvankelijkheid

2.2.    Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat vóór 1 juli 2005 luidde, kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a.    degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b.    de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c.    degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d.    belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

   Appellante sub 1 heeft de grond over het ontbreken van voorschriften inzake proliferatie niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Appellanten sub 2 hebben de gronden over het in voorschrift A.1 voorgeschreven testgas Poly-alpha olefin en het vastleggen daarvan in het dictum, de voorschriften A.8, A.9, G.24, G.26, de maatregelen met terugverdientijd in voorschrift G.89 en de verwijzing naar NEN 3028 in voorschrift G.91 niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten redelijkerwijs niet kan worden verweten op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellanten sub 1 en 2 in zoverre niet-ontvankelijk is. Ten aanzien van de grond over proliferatie volgt niet-ontvankelijkheid overigens ook reeds uit artikel 17a, tweede lid, van de Kernenergiewet, zoals dat vóór 1 juli 2005 luidde.

Wettelijk kader

2.3.    Ingevolge artikel 15 van de Kernenergiewet, voorzover hier van belang, is het verboden zonder vergunning een inrichting waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt, te wijzigen.

   Ingevolge artikel 15b, eerste lid, van de Kernenergiewet kan de vergunning slechts worden geweigerd in het belang van:

a.    de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen;

b.    de veiligheid van de staat;

c.    de bewaring en bewaking van splijtstoffen en van ertsen;

d.    de energievoorziening;

e.    het zeker stellen van de betaling van de vergoeding, aan derden toekomende voor schade of letsel, hun toegebracht;

f.    de nakoming van internationale verplichtingen.

   Ingevolge artikel 15c, tweede lid, van de Kernenergiewet kan een vergunning ter bescherming van de bij of krachtens artikel 15b aangewezen belangen onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning, met inachtneming van de dienaangaande bij algemene maatregel van bestuur gestelde regels, de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van de bij of krachtens artikel 15b aangewezen belangen. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen van de betrokken activiteit voor mensen, dieren, planten en goederen niet kunnen worden voorkomen, worden daaraan de voorschriften verbonden die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Kernenergiewet kan het bevoegd gezag beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en voorschriften die daaraan zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog beperkingen aanbrengen of voorschriften aan een vergunning verbinden ter bescherming van de bij of krachtens artikel 15b aangewezen belangen.

   Bij toepassing van deze artikelen komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

Beroepsgronden over de aanvraag en de totstandkoming van het besluit

2.4.    Appellante sub 1 betoogt dat in het ten behoeve van de vergunningaanvraag opgestelde milieu-effectrapport ten onrechte slechts onderzoek is gedaan naar de milieueffecten van de gevraagde wijziging, en niet naar de milieueffecten van deze wijziging in samenhang met een wijziging waarvoor vergunninghoudster blijkens een op 9 februari 2006 ter inzage gelegde startnotitie voornemens is vergunning te gaan vragen.

   Dit betoog slaagt niet, reeds omdat het nodig noch zinvol is om in een ten behoeve van een vergunningaanvraag opgesteld milieu-effectrapport milieueffecten te betrekken van wijzigingen die niet zijn aangevraagd en dus ook niet zullen worden vergund. Overigens is niet aannemelijk dat bij het opstellen van het milieu-effectrapport, vanaf 2001, al voorzienbaar was welke verdere wijzigingen vergunninghoudster zo'n vijf jaar later wellicht gewenst zou achten. Verweerders konden bovendien bij het nemen van het bestreden besluit geen rekening houden met de startnotitie, omdat die pas na het nemen van dat besluit is verschenen. Daarnaast valt niet in te zien welk belang geschaad zou kunnen zijn nu voor zowel de thans vergunde wijziging als de voorgenomen wijziging een milieu-effectrapport is, respectievelijk zal worden, opgesteld.

2.5.    Appellanten sub 2 betogen dat de kennisgeving van het milieu-effectrapport onjuist zou zijn, omdat deze niet in een aantal door appellanten genoemde Duitse kranten heeft gestaan.

2.5.1.    Ingevolge artikel 7.20, tweede lid, van de Wet milieubeheer moet het bevoegd gezag openbaar kennis geven van het milieu-effectrapport.

   Ingevolge artikel 7.20, derde lid, aanhef en onder d, geschiedt deze kennisgeving ten minste door kennisgeving in een publicatie in een ander land in geval er sprake is van mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in dat andere land.

   Verweerders wijzen erop dat in overleg met de Duitse autoriteiten in drie Duitse kranten een kennisgeving is geplaatst. Er is geen grond voor het oordeel dat aldus niet in overeenstemming met artikel 7.20 van de Wet milieubeheer in Duitsland kennis is gegeven van het milieu-effectrapport.

2.6.    Appellanten sub 2 betogen dat in de aanvraag in strijd met het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer onder meer rampenplannen ontbreken. Verder merken appellanten op dat niet is aangegeven dat de aanvraag deel uitmaakt van de vergunning. Het zou bovendien niet duidelijk zijn welke stukken onderdeel zijn van de aanvraag.

   Verweerders hebben terecht overwogen dat het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer niet van toepassing is op een aanvraag om krachtens de Kernenergiewet een vergunning te verlenen. Verder is er geen grond voor het oordeel dat verweerders niet hebben kunnen oordelen dat het bij de aanvraag behorende veiligheidsrapport voldoende informatie bevat over de binnen de inrichting getroffen veiligheidsmaatregelen om een beslissing op de aanvraag te kunnen nemen. De opmerking van appellanten over het al dan niet van de vergunning deel uitmaken van de aanvraag is feitelijk onjuist; punt 1.3 van het bestreden besluit wijst de aanvraagdocumenten aan die tot het vergunde behoren. Er is, tot slot, geen grond voor het oordeel dat niet duidelijk is welke stukken tot de aanvraag behoren: die zijn genoemd in punt 2.1 van het bestreden besluit.

2.7.    Appellanten sub 2 betogen dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 20 van de Kernenergiewet, zoals dat vóór 1 juli 2005 luidde.

   Dit betoog slaagt niet. Uit artikel 20 van de Kernenergiewet volgt, voorzover hier van belang, dat een besluit zoals hier aan de orde tot (onder meer) het ambtshalve aanpassen van de vergunningvoorschriften moet worden voorbereid met toepassing van de paragrafen 3.5.2 tot en met 3.5.5 van de Algemene wet bestuursrecht, zoals die vóór 1 juli 2005 luidden. Het besluit is met toepassing van deze paragrafen voorbereid.

2.8.    Appellanten sub 2 betogen dat in strijd met artikel 13.4 van de Wet milieubeheer, zoals dat vóór 1 juli 2005 luidde, niet alle gebruikers van gebouwde eigendommen in de directe omgeving van de inrichting een kennisgeving hebben ontvangen.

   Ingevolge artikel 13.4, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, zoals dat vóór 1 juli 2005 luidde, moet van het ontwerp van een besluit als hier aan de orde mededeling worden gedaan door een kennisgeving aan de gebruikers van gebouwde eigendommen in de directe omgeving van de inrichting. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van dit artikel dient een kennisgeving te worden verspreid onder degenen die er redelijkerwijs belang bij kunnen hebben te weten dat het voornemen bestaat de vergunning al dan niet te verlenen. Het bevoegd gezag moet nagaan hoever de directe omgeving zich uitstrekt en welke personen moeten worden gewaarschuwd. De aard van de inrichting en de milieubelasting die deze naar verwachting zal veroorzaken, zijn daarbij essentiële factoren.

   Verweerders hebben bij het bepalen van de afstand waarbinnen gebruikers een kennisgeving dienen te krijgen zowel stralingsaspecten betrokken als de overige gevolgen voor het milieu die de inrichting kan hebben. Zij hebben geconcludeerd dat het geluidaspect bepalend is, en - aan de hand van een etmaalwaarde van 40 dB(A) - vastgesteld dat gebruikers van gebouwde eigendommen in een straal van 550 meter een kennisgeving dienen te ontvangen. Hetgeen appellanten aanvoeren geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders zich niet op goede gronden op dit standpunt hebben kunnen stellen. Appellanten hebben nog gesteld dat niet al deze gebruikers een kennisgeving hebben ontvangen, maar hebben die stelling op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt.

   Het beroepsonderdeel met betrekking tot artikel 13.4 van de Wet milieubeheer slaagt dan ook niet.

2.9.    Appellanten sub 2 betogen dat ten onrechte geen lijst met de gebruikers van gebouwde eigendommen die een kennisgeving van het ontwerp van het besluit hebben ontvangen ter inzage is gelegd en dat een ambtenaar van de gemeente Almelo, waar het ontwerp en de stukken ter inzage hebben gelegen, aan de gemachtigde van appellanten ten onrechte geen mondelinge toelichting op de stukken heeft verstrekt.

   Dit beroepsonderdeel slaagt niet. Er is geen rechtsregel die verplicht tot het ter inzage leggen van de bedoelde lijst; overigens is de lijst op verzoek aan de gemachtigde van appellanten verstrekt. Verder diende de gemachtigde van appellanten zich voor een toelichting op de stukken niet te wenden tot een ambtenaar van de gemeente Almelo, maar tot verweerders.

2.10.    Appellanten sub 2 betogen dat in de kennisgevingen van het ontwerp niet voldoende duidelijk is aangegeven waartoe het ontwerp strekt. Dit betoog slaagt niet. In de kennisgevingen is uitvoerig uiteengezet waarop het ontwerp betrekking heeft.

Beroepsgronden over de grondslag en opzet van het besluit

2.11.    Appellante sub 1 betoogt dat in het bestreden besluit ten onrechte uitsluitend is bezien of de verrijkingsfabriek SP5 'state of the art' is, en om die reden kan worden vergund. Deze toetsing had volgens haar ook moeten plaatsvinden ten aanzien van verrijkingsfabriek SP4.

   Verweerders wijzen erop dat bij het bestreden besluit vergunning is verleend voor het uitbreiden van uitsluitend de fabriek SP5. Voor het in werking hebben en houden van fabriek SP4 is reeds eerder vergunning verleend. Voor een toetsing van het voorzieningenniveau van deze reeds vergunde fabriek is volgens verweerders bij het thans bestreden besluit geen aanleiding. Verweerders hebben zich naar het oordeel van de Afdeling op goede gronden op dit standpunt gesteld.  

2.12.    Appellanten sub 2 betogen dat niet daadwerkelijk is besloten om vergunning te verlenen en voorschriften te wijzigen, omdat dit slechts zou zijn vermeld in de overwegingen van het besluit.

   Dit betoog slaagt niet. In het bestreden besluit is, kort weergegeven, in hoofdstuk 1 vermeld wat het besluit inhoudt, waarna in de volgende hoofdstukken de motivering wordt gegeven. Anders dan appellanten kennelijk menen, is er geen rechtsregel die zich ertegen verzet om eerst de inhoud van het besluit weer te geven en daarna de daaraan ten grondslag gelegde motivering.

2.13.    Appellanten sub 2 betogen verder dat niet duidelijk is onder welke voorschriften de vergunning tot wijziging van de inrichting is verleend. Verder zouden de voorschriften niet handhaafbaar zijn, omdat voorschriften van eerder voor de inrichting verleende vergunningen van toepassing zijn verklaard.

   In het bestreden besluit is duidelijk vermeld onder welke voorschriften de vergunning wordt verleend, welke voorschriften voor het overige worden gewijzigd en tot welk voorschriftenpakket, dat voor de gehele inrichting gaat gelden, dit leidt. Het is gelet hierop duidelijk onder welke voorschriften de vergunning is verleend en welke voorschriften voor de inrichting gelden.    

2.14.    Anders dan appellanten sub 2 ter zitting hebben betoogd, is het niet in strijd met de Kernenergiewet om bij het verlenen van vergunning voor het wijzigen van een inrichting voorschriften te stellen die voor de gehele inrichting, inclusief het gewijzigde deel ervan, gelden.

2.15.     Appellanten sub 2 betogen verder dat bij het bestreden besluit ten onrechte vergunningen zijn gewijzigd zonder dat daarbij toepassing is gegeven aan artikel 18a of 19 van de Kernenergiewet. Verder merken deze appellanten op dat niet overeenkomstig artikel 8.4 van de Wet milieubeheer is gehandeld.

2.15.1.    De wijziging van de voorschriften heeft, anders dan appellanten kennelijk veronderstellen, plaatsgevonden met toepassing van artikel 19 van de Kernenergiewet.

2.15.2.    Ingevolge artikel 15aa van de Kernenergiewet, samen met artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, kan - kort weergegeven - indien een vergunning wordt gevraagd voor het veranderen van een inrichting, het bevoegde gezag bepalen dat een zogenoemde revisievergunning moet worden gevraagd. Verweerders staan op het standpunt dat er in dit geval geen onoverzichtelijk vergunningenbestand ontstaat en dat er ook overigens geen aanleiding is om een revisievergunning te verlangen. Er is geen grond voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op dit standpunt hebben kunnen stellen.

Beroepsgronden over uitvoer van uranium naar Rusland

2.16.    Appellante sub 1 kan zich met name niet met de vergunningverlening verenigen omdat, zo stelt zij, verarmd uranium dat in de inrichting zal vrijkomen zal worden afgevoerd naar Rusland en daar zal achterblijven. Het transport naar en de verrijkings- en opslagfaciliteiten in Rusland zijn volgens appellante onveilig. Bovendien moet verarmd uranium volgens appellante worden aangemerkt als radioactief afval. Uitvoer daarvan naar Rusland zou niet zijn toegestaan.

2.16.1.    In de huidige procedure is uitsluitend de activiteit waarop de vergunning betrekking heeft - wijzigingen bij het verrijken van uranium in de inrichting te Almelo - aan de orde. De vergunning kan slechts worden geweigerd en aan een vergunning kunnen slechts voorschriften worden verbonden in verband met de gevolgen van déze activiteit. De opslag en de verrijking van verarmd uranium in Rusland noch het transport ervan is bij het thans bestreden besluit vergund. Hetgeen appellante sub 1 hierover naar voren heeft gebracht, waaronder de vraag of het om afval gaat, is voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit niet van belang.

Beroepsgronden over rechtvaardiging

2.17.    Appellante sub 1 wijst op het rechtvaardigingsbeginsel, als opgenomen in artikel 6 van richtlijn 96/29/Euratom. Volgens haar hadden bij toepassing van dit beginsel de risico's voor het milieu, de externe veiligheid en de proliferatiegevoeligheid moeten worden afgewogen tegen de voordelen van de vergunde handeling. Verweerders zouden in de motivering van het bestreden besluit op deze aspecten ten onrechte niet zijn ingegaan.

2.17.1.    In artikel 6, eerste lid, van richtlijn 96/29/Euratom is bepaald dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat nieuwe categorieën of soorten handelingen die blootstelling aan ioniserende straling met zich brengen, voordat zij voor het eerst worden verricht of voor het eerst worden goedgekeurd, worden gerechtvaardigd door de economische, sociale en andere voordelen af te wegen tegen de gezondheidsschade die zij kunnen toebrengen.

   Deze bepaling is omgezet in artikel 4, eerste lid, van het Besluit stralingsbescherming. Daarin is bepaald dat een handeling slechts is toegestaan indien zij door de Ministers is gerechtvaardigd of behoort tot een categorie handelingen die door de Ministers is gerechtvaardigd. De Ministers rechtvaardigen een handeling of een categorie handelingen slechts indien de economische, sociale en andere voordelen van de betrokken handelingen of categorie van handelingen opwegen tegen de gezondheidsschade die hierdoor kan worden toegebracht.

   In artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen is bepaald dat een vergunning als bedoeld in artikel 15 van de Kernenergiewet onder meer niet mag worden verleend indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden betreffende rechtvaardiging geldend krachtens het Besluit stralingsbescherming.

2.17.2.    Anders dan appellante sub 1 betoogt, vereist het rechtvaardigingsbeginsel zoals opgenomen in artikel 4, eerste lid, van het Besluit stralingsbescherming - in overeenstemming met richtlijn 96/29/Euratom - geen afweging of de voordelen van de betrokken handeling opwegen tegen de 'proliferatiegevoeligheid', maar uitsluitend of deze voordelen opwegen tegen de gezondheidsschade die de handeling kan toebrengen.

   Verweerders hebben in het bestreden besluit gemotiveerd waarom de economische, sociale en andere voordelen van de betrokken handeling huns inziens opwegen tegen de gezondheidsschade die hierdoor kan worden toegebracht. Zij hebben er onder meer op gewezen dat het verrijken van uranium in bijlage 1 bij de Regeling bekendmaking rechtvaardiging gebruik van ioniserende straling, is vermeld als handeling die is gerechtvaardigd. In hun motivering hebben zij verder, anders dan appellante sub 1 betoogt, de milieugevolgen - waaronder de gevolgen voor de externe risico's - betrokken. In hetgeen appellante sub 1 aanvoert is geen grond gelegen voor het oordeel dat verweerders zich met de door hen gegeven motivering ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat de vergunning voor de wijziging van de inrichting voldoet aan het in artikel 4 van het Besluit stralingsbescherming opgenomen rechtvaardigingsvereiste.

   Dit beroepsonderdeel slaagt niet.

Beroepsgronden over risico's

2.18.    Appellante sub 1 betoogt dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de risico's bij een verrijkingsgraad van 10% en naar de risico's van transport- en vliegtuigongevallen. Appellanten sub 2 betogen dat onvoldoende is aangetoond dat wordt voldaan aan de normen voor het groepsrisico en het persoonsgebonden risico. Verweerders hebben zich volgens appellanten sub 2 op dit punt ten onrechte gebaseerd op een veiligheidsrapport uit 1993. Deze appellanten betogen verder dat de vergunningvoorschriften het risico op ongevallen onvoldoende beperken. Volgens hen zou er - bijvoorbeeld - een aarden wal moeten worden aangelegd. Ook overigens zouden de voorschriften ontoereikend zijn.    

2.18.1.    Ten aanzien van de beroepsgronden van appellante sub 1 overweegt de Afdeling als volgt.

   Op grond van vergunningvoorschrift B.4 mag in verrijkingsfabriek SP5, na toestemming van de directeur Kernfysische Dienst, een verrijking tussen 6% en 10% plaatsvinden. In het ten behoeve van de aanvraag om vergunning opgestelde milieu-effectrapport is vermeld dat de veiligheidsbeschouwingen zijn gebaseerd op een verrijkingsgraad tot 6%, maar ook relevant zijn voor een verrijkingsgraad tot 10%: voor de externe veiligheid zijn vooral de chemische eigenschappen van het materiaal van belang en die zijn niet afhankelijk van de verrijkingsgraad. Dit zo zijnde, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de externe veiligheid voor het geval een verrijkingsgraad tussen 6% en 10% wordt toegestaan. Verder is in het milieu-effectrapport en het daarbij gevoegde veiligheidsrapport aandacht besteed aan het risico van transport- en vliegtuigongevallen. Ook in zoverre bestaat geen grond voor het oordeel dat onvoldoende onderzoek is gedaan.

   De beroepsgronden van appellante sub 1 slagen niet.

2.18.2.    Ten aanzien van de beroepsgronden van appellanten sub 2 overweegt de Afdeling als volgt.

   Verweerders hebben erop gewezen dat zij zich niet hebben gebaseerd op het veiligheidsrapport uit 1993, maar op de in 2003 aan de thans vergunde wijzigingen aangepaste versie van dit veiligheidsrapport. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders bij de vergunningverlening niet van het aldus aangepaste veiligheidsrapport hebben mogen uitgaan.

   In artikel 18, derde lid, van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen is, kort weergegeven en voorzover hier van belang, bepaald dat een vergunning als hier aan de orde kan worden geweigerd indien de daarin genoemde waarden voor het individuele en groepsrisico (voor een groep van meer dan tien personen) worden overschreden. Verweerders staan op het standpunt dat van overschrijding van deze normen geen sprake is. Gesteld noch gebleken is dat dit standpunt onjuist is. Gelet hierop hebben verweerders terecht geconcludeerd dat er geen aanleiding is de vergunning te weigeren vanwege de externe veiligheid.

   De enkele stelling van appellanten dat zij de voorschriften ten aanzien van de externe veiligheid ontoereikend vinden, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders niet in redelijkheid hebben kunnen oordelen dat het niet nodig is nadere voorschriften te stellen. Wat, tot slot, de door appellanten genoemde aarden wal betreft hebben verweerders in het verweerschrift opgemerkt dat de thans vergunde wijzigingen geen extra risico's voor ongevallen tot gevolg hebben, zodat reeds om die reden het aanleggen van zo'n wal niet gerechtvaardigd is. Zij hebben zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op dit standpunt kunnen stellen.

   De beroepsgronden van appellanten sub 2 slagen gelet hierop niet.

Beroepsgronden over geluid

2.19.    Verweerders hebben zich bij het stellen van de geluidsvoorschriften gebaseerd op het bij de aanvraag om vergunning behorende geluidsrapport, zoals dat nadien is aangevuld en gewijzigd. Appellanten sub 2 stellen dat dit rapport geen juiste vaststelling bevat van het referentieniveau van het omgevingsgeluid, de bronvermogens en het door de inrichting veroorzaakte geluid. Namens verweerders is de door appellanten sub 2 ter zitting naar voren gebrachte stelling dat in het onderzoek niet het juiste microfoontype is gebruikt, afdoende weerlegd. Afgezien van dit punt hebben appellanten geen concrete argumenten gegeven ter staving van hun stelling dat het geluidrapport onjuist is. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding om daarvan uit te gaan.

2.20.    Appellanten sub 2 stellen verder - op zichzelf terecht - dat er geen rekening is gehouden met een gezoneerd industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder. Een dergelijk terrein is hier echter niet aanwezig.

2.21.    Het betoog van appellanten sub 2 dat geen inzicht bestaat in de vraag of de geluidsvoorschriften kunnen worden nageleefd, slaagt evenmin. De naleefbaarheid blijkt uit het geluidsrapport dat verweerders bij het vaststellen van de geluidsvoorschriften hebben betrokken.

2.22.    Verweerders hebben voor de periode tot 1 januari 2008 en voor de periode daarna verschillende geluidsgrenswaarden gesteld. Deze voorschriften zijn toegesneden op de verandering in de geluidsituatie die de komende jaren zal plaatsvinden als gevolg van de vergunde wijzigingen van de inrichting. Er is geen grond voor het oordeel dat, zoals appellanten sub 2 betogen, deze opzet van de geluidsvoorschriften in strijd met de Kernenergiewet of anderszins onrechtmatig is. Verweerders hebben in het bestreden besluit uitvoerig gemotiveerd welke afwegingen aan deze geluidsgrenswaarden ten grondslag liggen. Het niet verder gemotiveerde standpunt van appellanten sub 2 dat het besluit op dit punt onvoldoende is gemotiveerd, onderschrijft de Afdeling niet.

2.23.    De beroepsgronden over geluid slagen niet.

Beroepsgronden over luchtkwaliteit

2.24.    Appellanten sub 1 en 2 betogen dat niet aan het Besluit luchtkwaliteit 2005 wordt voldaan vanwege, naar op grond van de zitting mag worden aangenomen, de emissie van zwevende deeltjes (PM10) dan wel van stikstofdioxide. Appellanten sub 2 stellen in dit verband dat in een bijlage bij een rapportage "Luchtkwaliteit 2004" van de provincie Overijssel een overschrijding voor zwevende deeltjes is vermeld.

2.24.1.    Verweerders hebben zich bij het nemen van het bestreden besluit gebaseerd op een rapport van PRA OdourNet B.V. van september 2005. In dit rapport is, kort weergegeven, geconcludeerd dat wordt en zal blijven worden voldaan aan de in het Besluit luchtkwaliteit 2005 gestelde grenswaarden voor zwevende deeltjes en stikstofdioxide. De enkele stelling van appellanten sub 2 dat het rapport "nog onvoldoende antwoord geeft op de in het Besluit luchtkwaliteit gestelde waarden", noch hun stelling dat in een, overigens niet als stuk ingebracht, rapport van de provincie Overijssel over het jaar 2004 "een overschrijding is vermeld", geeft de Afdeling aanleiding om ervan uit te gaan dat het rapport van PRA Odournet B.V. onjuist is. Ook overigens is daarvoor geen aanleiding. De beroepsgronden over het Besluit luchtkwaliteit 2005 slagen niet.

Beroepsgronden over voorschriften

2.25.    Appellanten sub 2 hebben in het beroep, voorzover ontvankelijk, ten aanzien van de voorschriften A.1, A.2, A.7, A.9, D.1, duurzame energie in voorschrift G.89, voorschrift G.109 en het ontbreken van een voorschrift over een nullozing volstaan met het herhalen van dan wel het verwijzen naar hun standpunt in de tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenkingen. In de considerans van het bestreden besluit zijn verweerders ingegaan op deze bedenkingen. Appellanten hebben noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging daarvan in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Ook voor het overige is niet gebleken dat die weerlegging onjuist zou zijn.

2.26.    Appellanten sub 2 betogen ten aanzien van de voorschriften D.2 en D.3 aanvullend dat het in deze voorschriften bedoelde plan ten onrechte niet bij de aanvraag is gevoegd en dat in voorschrift D.3 ten onrechte "vloeibaar afval" staat in plaats van "splijtbaar en radioactief houdend afvalwater"

   De voorschriften D.2 en D.3 bevatten, kort weergegeven, een verplichting om de lozing van splijtstoffen of radioactieve stoffen in de lucht respectievelijk de lozing van splijtstoffen of radioactieve stoffen bevattend vloeibaar afval op het riool te bewaken en daarover te rapporteren. Dit moet geschieden volgens een door vergunninghouder op te stellen en binnen drie maanden na de inwerkingtreding van het besluit ter goedkeuring over te leggen plan.

   Appellanten hebben niet beargumenteerd waarom de in de voorschriften bedoelde plannen reeds bij de aanvraag hadden moeten zijn gevoegd, en voor dat oordeel ziet de Afdeling ook overigens geen grond. Er is verder geen grond om aan te nemen dat de term "vloeibaar afval" onjuist weergeeft waarop voorschrift D.3 betrekking heeft. Vervanging hiervan is daarom niet aangewezen.

2.27.    Appellanten sub 2 wijzen erop dat de in voorschrift G.67 opgenomen verwijzing naar richtlijn CPR 9-5 geen effect zal sorteren, omdat de opslag in ondergrondse kunststoffen tanks, waarop deze richtlijn betrekking heeft, in de inrichting in kwestie niet mag plaatsvinden.

    Verweerders hebben in het verweerschrift betoogd dat de opmerking van appellanten onverlet laat dat de verwijzing niet tot gevolg heeft dat het voorschrift onduidelijk is. Dit standpunt deelt de Afdeling. Zij ziet in de opmerking van appellanten over voorschrift G.67 dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het voorschrift niet ongewijzigd in stand kan blijven.

2.28.    Appellanten sub 2 betogen dat de term "zoveel mogelijk" in voorschrift G.79 onvoldoende duidelijk is.

   In het voorschrift is bepaald dat de emissie van vluchtige organische stoffen zoveel mogelijk moet worden beperkt.

Het voorschrift bepaalt voorts, kort weergegeven, dat de vergunninghouder op de hoogte moet blijven van de mogelijkheden om de emissie te beperken, en op verzoek in een plan van aanpak moet aangeven welke maatregelen of voorzieningen hij heeft getroffen of zal treffen. Het plan van aanpak moet ten minste bevatten een inventarisatie van mogelijke producten met een lager gehalte aan, of zonder, vluchtige organische stoffen, de termijn waarbinnen op die stoffen wordt overgeschakeld, en een vermelding van efficiëntere verwerkingsmethoden en gedragsmaatregelen.

   Verweerders staan op het standpunt dat het voorschrift voldoende duidelijk is, omdat in het voorschrift direct volgend op de gewraakte zin nader wordt verklaard wat vergunninghoudster moet doen ter beperking van de emissie van vluchtige organische stoffen. De Afdeling acht dit standpunt niet onjuist. Indien daartoe aanleiding bestaat kunnen - zoals verweerders ter zitting uiteen hebben gezet - op grond van vergunningvoorschrift J.1 nadere eisen worden gesteld met betrekking tot dit onderwerp.

2.29.    Appellanten sub 2 betogen dat in voorschrift G.80 ten onrechte is voorgeschreven dat moet worden voldaan aan de bij of krachtens het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer B gestelde eisen. Volgens appellanten is dit Besluit al rechtstreeks op de inrichting van toepassing. Dit betoog slaagt niet. Zoals verweerders terecht stellen, is dit Besluit niet van toepassing op inrichtingen waarvoor krachtens de Kernenergiewet vergunning is vereist.

Overige beroepsgronden

2.30.    Appellanten sub 2 betogen dat ten onrechte niet is getoetst aan de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Dit betoog slaagt niet, omdat die wet niet van toepassing is op besluiten waarbij vergunning wordt verleend krachtens de Kernenergiewet.

2.31.    Appellanten sub 2 betogen dat in het bestreden besluit ten onrechte niet is gemotiveerd hoe aan de tegen een in 1987 verleende vergunning bestaande bezwaren is tegemoetgekomen. Dit betoog slaagt niet, omdat de motivering slechts betrekking hoeft te hebben op het besluit zelf en niet op eerder genomen besluiten.

2.32.    Appellanten sub 2 betogen dat verweerders een door hen tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenking over de veiligheid van de staat ten onrechte niet-ontvankelijk hebben verklaard.

   Uit artikel 17a, tweede lid, van de Kernenergiewet, zoals dat vóór 1 juli 2005 luidde, volgt dat appellanten tegen het ontwerp van het besluit slechts bedenkingen mochten inbrengen die ontleend zijn aan de vrees voor nadelige gevolgen voor mensen, dieren, planten en goederen als bedoeld in artikel 15b, eerste lid, onder a, van de Kernenergiewet. De bedenking in kwestie heeft hierop geen betrekking. De bedenking is terecht niet-ontvankelijk verklaard.

2.33.    Appellanten sub 2 betogen dat de door de inrichting veroorzaakte lichthinder onvoldoende is beperkt. Deze grond slaagt niet, reeds omdat, zoals ter zitting is gebleken, de vergunde wijziging geen invloed heeft op de lichtuitstraling van de inrichting.    

2.34.    Appellanten sub 2 hebben tot slot in het beroepschrift onder het kopje "Alara" een aantal stellingen opgenomen die kennelijk moeten worden begrepen als commentaar op een aantal overwegingen in het bestreden besluit. Deze stellingen geven geen grond voor het oordeel dat de in het bestreden besluit op deze punten opgenomen motivering ondeugdelijk is.

Conclusie

2.35.    Gezien het voorgaande zijn de beroepen gedeeltelijk niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond.

2.36.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen niet-ontvankelijk voorzover het de onder 2.2 genoemde gronden betreft;

II.    verklaart de beroepen voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt    w.g. Van der Zijpp

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2006

262.