Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX4402

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-05-2006
Datum publicatie
24-05-2006
Zaaknummer
200600215/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van De Helder (hierna: het college), voorzover hier van belang, het verzoek van verzoekster om op grond van artikel 3 van de Drank- en Horecawet handhavend op te treden tegen de stichting "Stichting De Marineclub" (hierna: De Marineclub) te Den Helder afgewezen onder de mededeling dat hij daartoe niet bevoegd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200600215/2.

Datum uitspraak: 18 mei 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

de vereniging "afdeling Den Helder van het Koninklijk Verbond van Ondernemers in het Horeca- en aanverwante Bedrijf Horeca Nederland, gevestigd te Den Helder,

verzoekster,

tegen de uitspraak in zaak nos. 05/2154 en 05/2155 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar van 1 december 2005 in het geding tussen:

verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Helder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van De Helder (hierna: het college), voorzover hier van belang, het verzoek van verzoekster om op grond van artikel 3 van de Drank- en Horecawet handhavend op te treden tegen de stichting "Stichting De Marineclub" (hierna: De Marineclub) te Den Helder afgewezen onder de mededeling dat hij daartoe niet bevoegd is.

Bij besluit van 14 september 2005 heeft het college het daartegen door verzoekster gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 december 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover hier van belang, het daartegen door verzoekster ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd.

Tegen deze uitspraak heeft verzoekster bij brief van 5 januari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 9 januari 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 3 februari 2006.

Bij brief van 26 april 2006, bij de Raad van State ingekomen op 27 april 2006, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 10 mei 2006, waar verzoekster, vertegenwoordigd door D.A. Hogervorst, werkzaam bij het Bureau Eerlijke Mededinging te Woerden, en het college, vertegenwoordigd door Y.A.M. Loogman, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts zijn gehoord De Marineclub en de Minister van Defensie, die ingevolge artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) als partij tot het geding zijn toegelaten, beide vertegenwoordigd door mr. M. Rus, advocaat te Den Haag.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Bij besluit van 3 januari 2006 heeft het college gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak opnieuw beslist op het door verzoekster gemaakte bezwaar en dit ongegrond verklaard. Aangezien bij dit nieuwe besluit niet aan de bezwaren van verzoekster is tegemoetgekomen, wordt het hoger beroep van verzoekster, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht mede een beroep tegen dit besluit in te houden en heeft het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening mede betrekking op dit besluit.

2.3.    Het verzoek om voorlopige voorziening is blijkens het verhandelde ter zitting uitsluitend erop gericht dat de Voorzitter het college gelast door middel van handhavend optreden te beletten dat De Marineclub op 26 mei 2006 een lunch verzorgt ten behoeve van het gezelschap van de Tafelronde Drechterland.

2.4.    Ingevolge artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de Drank- en Horecawet, is deze wet niet van toepassing op legerplaatsen en lokaliteiten, aan het militair gezag onderworpen, gedurende de tijd dat deze uitsluitend voor militaire doeleinden worden gebruikt.

2.5.    De voorzieningenrechter heeft ten aanzien van het in de statuten van De Marineclub neergelegde recht voor zelfstandig toegangsgerechtigden om introducé(e)s mee te nemen naar De Marineclub geoordeeld dat dit geacht moet worden uitsluitend militaire doeleinden te dienen, omdat het meenemen van gasten bijdraagt aan het kweken van begrip voor en betrokkenheid bij de (voormalige) werkkring van de - kortweg - officier.

De Voorzitter acht weliswaar niet buiten twijfel dat deze door de voorzieningenrechter gegeven uitleg van artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de Drank- en Horecawet, die verzoekster in hoger beroep gemotiveerd bestrijdt, door de Afdeling in de bodemprocedure zal worden gevolgd. Niettemin ziet de Voorzitter geen aanleiding om het verzoek toe te wijzen om de navolgende redenen.

2.6.    Ter zitting is door het college en De Marineclub onweersproken gesteld dat de Tafelronde Drechterland op 26 mei 2006 een bezoek aan De Marineclub aflegt in verband met het bijwonen aldaar van een vergadering van de Defensie Telematica Organisatie (een defensieorganisatie die behoort tot het Commando Diensten Centrum te Den Haag). De vergadering heeft betrekking op het voornemen van die organisatie om via bemiddeling van de Tafelronde Drechterland een aantal ICT-voorzieningen te schenken aan kinderverblijven in Afrika. Naar het oordeel van de Voorzitter valt niet op voorhand uit te sluiten dat het gebruik van De Marineclub voor het verzorgen van de lunch aansluitend op de vergadering (mede) voor de gasten van de Defensie Telematica Organisatie kan worden aangemerkt als gebruik van die lokaliteit als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de Drank- en Horecawet.

   Verzoekster heeft gesteld dat het spoedeisende belang bij de gevraagde voorziening is gelegen in omzetderving van de lokale horeca-ondernemers. Aangezien verzoekster die gestelde schade op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt en in aanmerking genomen hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van het gebruik van De Marineclub voor de lunch, acht de Voorzitter het door verzoekster aangedragen belang onvoldoende zwaarwegend voor het treffen van de gevraagde voorziening. De Voorzitter wijst het verzoek derhalve af.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.I.M. Peute, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Peute

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2006

391.