Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX2140

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-05-2006
Datum publicatie
17-05-2006
Zaaknummer
200504755/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 november 2003 heeft appellant (hierna: het college) aan [wederpartij] geweigerd vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een serre aan de zij- en voorkant van de woning aan de [locatie] in Alphen aan den Rijn.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:4
Algemene wet bestuursrecht 8:24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2006/193
JOM 2006/1455
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200504755/1.

Datum uitspraak: 17 mei 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/3020 van de rechtbank

's-Gravenhage van 29 april 2005 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 24 november 2003 heeft appellant (hierna: het college) aan [wederpartij] geweigerd vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een serre aan de zij- en voorkant van de woning aan de [locatie] in Alphen aan den Rijn.

Bij besluit van 15 juni 2004 heeft het college het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 april 2005, verzonden op 2 mei 2005, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft K. Castelijn (hierna: Castelijn) bij brief van 30 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op 31 mei 2005, beweerdelijk namens het college hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 maart 2006, waar het college zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. A. Habets-Brunt, ambtenaar der gemeente. Voorts is [wederpartij] daar gehoord, bijgestaan door mr. P. van Veen, gemachtigde.

2.    Overwegingen

2.1.    [wederpartij] heeft aangevoerd, dat niet is gebleken van een tijdig besluit van het college om hoger beroep in te stellen of van een juiste mandaatverlening aan de ondertekenaar van het hoger beroepschrift.

2.2.    Uit artikel 6:4, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) volgt, dat het instellen van (hoger) beroep op een administratieve rechter geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij die rechter. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef, en onder d, van de Awb wordt een beroepschrift ondertekend en bevat het de gronden van het beroep. Ingevolge artikel 8:24, eerste lid, van de Awb kunnen partijen zich door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. Indien hoger beroep is ingesteld bij de Afdeling, kan zij krachtens artikel 8:24, tweede lid, van de gemachtigde, niet zijnde een advocaat of procureur, een schriftelijke machtiging verlangen. Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het hoger beroep, kan het hoger beroep ingevolge artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

2.3.    Castelijn heeft hoger beroep ingesteld namens het college. Daarbij heeft zij geen machtiging of andere stukken overgelegd waaruit de gestelde vertegenwoordiging blijkt.

   De Secretaris van de Raad van State heeft bij aangetekende brief van 1 juni 2005 aan Castelijn medegedeeld dat haar hoger beroepschrift geen gronden bevat en dat geen verklaring is toegezonden van het college, waaruit blijkt dat zij gemachtigd is het hoger beroepschrift in te dienen. Zij is tot en met 29 juni 2005 in de gelegenheid gesteld alsnog aan de voormelde formaliteiten te voldoen. Tevens is haar medegedeeld, dat indien van de geboden gelegenheid geen gebruik wordt gemaakt, er rekening mee moet worden gehouden dat het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.

   Na het verstrijken van deze termijn, te weten op 1 juli 2005, is bij de Raad van State een brief ingekomen waarin F. Bottenberg, beweerdelijk namens het college, betoogt dat geen machtiging behoeft te worden overgelegd en om verlenging van de termijn voor het indienen van gronden verzoekt.

   Bij brief van 7 juli 2005 heeft de Secretaris van de Raad van State aan Castelijn bericht dat de termijn voor het aanvoeren van gronden en voor het aantonen van volmacht is verlengd tot en met 4 augustus 2005.

   Bij brief van 28 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op

1 augustus 2005, heeft het college bij door burgemeester en wethouders ondertekende brief gronden aangevoerd voor het hoger beroep.

   De gestelde vertegenwoordiging is niet binnen de in de brief van de Secretaris van de Raad van State van 1 juni 2005 gestelde termijn aangetoond, noch zijn de gronden van het hoger beroep binnen die gestelde termijn aangevoerd. Aan het op 1 juli 2005 door F. Bottenberg beweerdelijk namens het college gedane verzoek kon niet meer rechtsgeldig gevolg worden gegeven omdat de termijn reeds verstreken was. De brief van 7 juli 2005, waarin aan Castelijn een verlenging is gegund van de termijn voor herstel van verzuim, kan dan ook in dit opzicht geen betekenis toekomen. Termijnen als de gestelde strekken evenals beroepstermijnen immers mede ter bescherming van de belangen van andere partijen in het geding. Gelet op het voorgaande moet ervan worden uitgegaan dat het college pas bij brief van 29 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op 1 augustus 2005, hoger beroep heeft ingesteld, derhalve na het verstrijken van de beroepstermijn. Het hoger beroep dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.4.    Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

2.5.    Het college dient op hierna te vermelden wijze in de proceskosten van [wederpartij] te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Alphen

   aan den Rijn tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Alphen aan den Rijn aan [wederpartij] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin    w.g. Schortinghuis

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2006

66.