Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX2110

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-05-2006
Datum publicatie
17-05-2006
Zaaknummer
200506806/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 september 2004 heeft C. Peereboom, werkzaam bij de gemeente Amstelveen, aan appellante medegedeeld dat het peil van het nieuw te bouwen restaurant op het perceel Handweg 1/3/5 te Amstelveen (hierna: het perceel) is vastgesteld op -0,80 N.A.P.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2006/1307
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200506806/1.

Datum uitspraak: 17 mei 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HDH Beheer B.V., gevestigd te Amstelveen,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 05/720 WW 44 en AWB 05/1796 WW44 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 28 juni 2005 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2004 heeft C. Peereboom, werkzaam bij de gemeente Amstelveen, aan appellante medegedeeld dat het peil van het nieuw te bouwen restaurant op het perceel Handweg 1/3/5 te Amstelveen (hierna: het perceel) is vastgesteld op -0,80 N.A.P.

Bij besluit van 29 december 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 juni 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 3 augustus 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 september 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 27 september 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 maart 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door [directeur] van appellante, bijgestaan door mr. R.Ridder, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J. Tielbeke, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij brief van 7 mei 2004 is appellante een in bezwaar alsnog verleende bouwvergunning voor de bouw van een restaurant op het perceel toegezonden. In deze brief is de volgende passage opgenomen:

"Voor zover van toepassing dient u voor de verschillende bouwfasen zoals het uitzetten, het aangeven van het peil, het heien van de eerste paal of het keuren van de fundering, tenminste 2 werkdagen van tevoren contact op te nemen met de rayon-inspecteur, dhr. M.M. van der Werf, …"

2.2.    Ingevolge artikel 4.4., aanhef en onder a, van de bouwverordening 2003 van de gemeente Amstelveen (hierna: de bouwverordening) mag met een bouwwerk waarvoor een bouwvergunning is verleend - onverminderd het in de voorwaarden van de bouwvergunning bepaalde - niet worden begonnen alvorens door of namens burgemeester en wethouders voor zover nodig het straatpeil is aangegeven.

2.3.    Ingevolge artikel 1.1., eerste lid, van de bouwverordening moet onder straatpeil worden verstaan:

a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;

b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.

2.4.    Ingevolge artikel 1, onder 24, van de planvoorschriften moet onder peil worden verstaan:

a. voor gebouwen waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van die hoofdtoegang;

b. in alle overige gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitend afgewerkt terrein.

2.5.    De Afdeling stelt vast dat de hiervoor aangegeven omschrijvingen van het begrip straatpeil in artikel 1.1., eerste lid, van de bouwverordening en van het begrip peil in artikel 1, onder 24, van de planvoorschriften hetzelfde onderwerp regelen, zodat ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Woningwet de genoemde bepaling van de bouwverordening in dit geval buiten toepassing blijft. Bij de toepassing van artikel 4.4. van de bouwverordening moet derhalve in plaats van straatpeil worden gelezen het ingevolge het ter plaatse vigerende bestemmingsplan geldende peil. Nu de hoofdtoegang van het te bouwen gebouw niet onmiddellijk aan de weg grenst, geldt ingevolge artikel 1, onder 24, aanhef en onderdeel b, van de planvoorschriften derhalve als peil de gemiddelde hoogte van het aansluitend afgewerkte terrein.

2.6.    Appellante stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij haar standpunt dat het peil had moeten worden vastgesteld op -0.70 m N.A.P. niet heeft onderbouwd door metingen of anderszins. Zij voert aan dat moet worden uitgegaan van dit peil, dat in 1987 is vastgesteld. Haars inziens heeft het college de juistheid daarvan nimmer betwist en heeft het evenmin argumenten aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat dit peil niet meer actueel zou zijn. De meting die het college heeft verricht voldoet volgens appellante niet aan artikel 1, onder 24, van de planvoorschriften.

2.7.    Uit de stukken blijkt dat het college de hoogte van het peil heeft gemeten op de buitengrenzen van het perceel waarop het bouwwerk zal worden gebouwd. Gelet op artikel 1, onder 24, aanhef en onderdeel b, van de planvoorschriften moet het peil echter worden bepaald op de gemiddelde hoogte van het aansluitend aan de bebouwing afgewerkte terrein zoals dit wordt gerealiseerd en niet op de gemiddelde hoogte van het terrein aan de (buiten)grens van het perceel waarop zal worden gebouwd. Het besluit op bezwaar berust derhalve in strijd met artikel 7:12 van de Awb op een ondeugdelijke motivering. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.8.    Gelet op het vorenstaande is het hoger beroep gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaren en het besluit op bezwaar vernietigen.

2.9.    Het college dient op de hierna aangegeven wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 28 juni 2005, AWB 05/720 WW 44 en 05/1796 WW 44;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen van 29 december 2004, 2004.00352 04/20616;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Amstelveen aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de gemeente Amstelveen aan appellante het door haar voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 681,00 (zegge: zeshonderdeenentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. J.H. van Kreveld, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Lodder

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2006

17.