Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX2089

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-05-2006
Datum publicatie
17-05-2006
Zaaknummer
200506646/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 maart 2004 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Prins Alexander van de gemeente Rotterdam (hierna: het dagelijks bestuur) het besluit van 20 januari 2003 tot verlening van een eenmalige subsidie aan de vereniging "Voetbalvereniging "Alexandria '66"" (hierna: de voetbalvereniging) ingetrokken en het subsidiebedrag op nihil vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2006/211
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200506646/1.

Datum uitspraak: 17 mei 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting "Stichting B.E.K.A. '66", gevestigd te Rotterdam,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. 04/3432 van de rechtbank Rotterdam van 21 juni 2005 in het geding tussen:

1.    de vereniging "Voetbalvereniging "Alexandria '66"", gevestigd te Rotterdam, en

2.    appellante

en

het dagelijks bestuur van de deelgemeente Prins Alexander van de gemeente Rotterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 16 maart 2004 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Prins Alexander van de gemeente Rotterdam (hierna: het dagelijks bestuur) het besluit van 20 januari 2003 tot verlening van een eenmalige subsidie aan de vereniging "Voetbalvereniging "Alexandria '66"" (hierna: de voetbalvereniging) ingetrokken en het subsidiebedrag op nihil vastgesteld.

Bij besluit van 12 oktober 2004 heeft het dagelijks bestuur het daartegen door de voetbalvereniging en appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de motivering van het besluit van 16 maart 2004 gewijzigd.

Bij uitspraak van 21 juni 2005, verzonden op 22 juni 2005, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door de voetbalvereniging en appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 juli 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 12 oktober 2005 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

Bij brief van 23 februari 2005 heeft appellante een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 maart 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], voorzitter, en F.J.T. Miltenburg, penningmeester, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. E. van Lunteren en drs. P. van Leeuwen, ambtenaren van de deelgemeente Prins Alexander, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    De Afdeling stelt voorop dat in de onderhavige zaak uitsluitend door appellante hoger beroep is ingesteld. Het hoger-beroepschrift is namens haar ondertekend door [gemachtigde]. Op 6 september 2005 is weliswaar een brief van appellante ontvangen waaruit blijkt dat de voetbalvereniging [gemachtigde] heeft gemachtigd om namens haar hoger beroep in te stellen, doch uit het hoger-beroepschrift blijkt niet dat dit mede namens de voetbalvereniging is ingesteld.

2.2.    Ingevolgde artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende - voor wie ingevolge de artikelen 7:1 en 8:1 van die wet alsmede artikel 37 van de Wet op de Raad van State bezwaar, beroep en hoger beroep openstaat - verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2.1.    Appellante heeft blijkens artikel 2 van haar statuten ten doel het beheer en de exploitatie van de kantine van de vereniging, en voorts al hetgeen met een en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin des woords. Ter zitting is komen vast te staan dat appellante eigenaar is van het clubgebouw en de zich in het clubgebouw bevindende kleedkamers aan de voetbalvereniging verhuurt. Het belang van appellante als eigenaar van de kleedkamers is rechtstreeks betrokken bij het besluit waarbij de verlening van een eenmalige exploitatiesubsidie voor de bouw van vier nieuwe kleedkamers en de renovatie van de bestaande kleedruimten is ingetrokken. Gelet hierop stelt de Afdeling vast dat appellante belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

2.3.    Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Verordening algemene subsidievoorwaarden 2001 van de gemeente Rotterdam (hierna: de VAS 2001) stelt het bestuursorgaan, indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.

   Ingevolge artikel 18, tweede lid, aanhef en onder b, van de VAS 2001 kan de subsidie lager worden vastgesteld indien de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

   Ingevolge artikel 19, aanhef en onder c, van de VAS 2001 kan het bestuursorgaan de subsidie geheel of gedeeltelijk ambtshalve vaststellen, indien de beschikking tot subsidieverlening of de beschikking tot subsidievaststelling wordt ingetrokken of ten nadele van de subsidieontvanger wordt gewijzigd.

   Ingevolge artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van de VAS 2001 kan het bestuursorgaan, zolang de subsidie nog niet is vastgesteld, de subsidieverlening intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen, indien er sprake is van het vermelde in artikel 18, tweede lid, onderdelen b, c, d en e.

   Ingevolge de Lijst van Bevoegdheden behorende bij de Deelgemeenteverordening 2002 worden de bevoegdheden van de VAS 2001 uitgeoefend door het dagelijks bestuur van een deelgemeente, een en ander voorzover het betreft het subsidiëren van activiteiten waarbij een deelgemeentelijk belang aan de orde is.

2.4.    Bij besluit van 20 januari 2003 heeft het dagelijks bestuur een eenmalige subsidie verleend van € 22.400,00, onder de voorwaarde dat een nieuw financieringsvoorstel wordt ingediend, voordat wordt overgegaan tot het vaststellen van die subsidie.

   Dit besluit is bij besluit van 16 maart 2004 ingetrokken. Bij besluit van 12 oktober 2004, waarin het tegen het besluit van 16 maart 2004 gemaakte bezwaar ongegrond is verklaard, heeft het dagelijks bestuur zich op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan deze voorwaarde, nu geen nieuw en realistisch voorstel is ingediend voor de financiering van de nieuwbouw en renovatie van de kleedkamers.

2.5.    De rechtbank heeft overwogen, voor zover thans van belang, dat de voetbalvereniging en appellante niet in de door het dagelijks bestuur bedoelde en genoegzaam bij hen bekende zin hebben voldaan aan de voorwaarde dat een nieuw en realistisch financieringsvoorstel moest worden ingediend, nu het dagelijks bestuur van meet af aan te kennen heeft gegeven niet met de door hen beoogde wijze van financiering te kunnen instemmen en zij desondanks een nieuw voorstel hebben ingediend dat op dezelfde wijze van financiering is gebaseerd.

2.6.    Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur niet duidelijk heeft gemaakt wat het onder een realistisch financieringsplan verstaat.

2.6.1.    Dit betoog faalt. Bij brief van 20 november 2003 heeft het dagelijks bestuur zich op het standpunt gesteld dat het financieringsvoorstel van de Dienst Sport en Recreatie van de gemeente Rotterdam van 18 februari 2003, ertoe strekkende dat het dagelijks bestuur aan de voetbalvereniging een lening verstrekt, die middels verhoging van de huur van het complex wordt terugbetaald, niet wordt geaccepteerd. Uit de aangevallen uitspraak blijkt voorts dat ter zitting bij de rechtbank door het dagelijks bestuur is medegedeeld en door de voetbalvereniging en appellante niet is weersproken, dat voorafgaand aan het besluit van 16 maart 2004 diverse gesprekken zijn gevoerd, waarin het dagelijks bestuur reeds naar voren heeft gebracht niet akkoord te zullen gaan met evenbedoelde, door appellante en de voetbalvereniging beoogde wijze van financiering. Deze overweging is door appellante in hoger beroep niet bestreden. Ter zitting is door appellante desgevraagd bevestigd dat het voor haar duidelijk was dat het dagelijks bestuur geen lening wenste te verstrekken die door middel van een huurverhoging zou worden terugbetaald, omdat het daaraan teveel risico's verbonden acht. Desondanks zijn bij brieven van 24 februari en 14 april 2004 voorstellen ingediend die op dezelfde wijze van financiering zijn gebaseerd.

   Nu het gelet op het vorenoverwogene voor appellante voorafgaand aan het besluit tot intrekking van de subsidieverlening duidelijk moet zijn geweest dat een harerzijds ingediend financieringsvoorstel, dat (mede) was gebaseerd op een via een huurverhoging af te lossen lening van het dagelijks bestuur, niet viel aan te merken als realistisch, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het dagelijks bestuur zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat niet is voldaan aan de in het besluit tot subsidieverlening opgenomen voorwaarde, zodat het besluit van 20 januari 2003 mocht worden ingetrokken en de verleende subsidie op nihil mocht worden vastgesteld.

2.7.    Het betoog van appellante dat de rechtbank heeft miskend dat een subsidiebeleid waaraan deels op het niveau van de deelgemeente inhoud wordt gegeven en deels op het niveau van de gemeente tot onduidelijkheid en ongelijke behandeling leidt, faalt eveneens. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat voor appellante sprake was van een onduidelijke situatie, nu uit de besluiten tot subsidieverlening en tot intrekking daarvan blijkt dat het dagelijks bestuur het beslissingsbevoegde bestuursorgaan is. Voorts heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat de praktijk in andere deelgemeenten anders is. Reeds daarom is geen sprake van ongelijke behandeling van sportverenigingen.

2.8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. W. van den Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Groenendijk

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2006

164-453.