Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX2076

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-05-2006
Datum publicatie
17-05-2006
Zaaknummer
200508568/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 juni 2004 heeft appellant sub 1 (hierna: het college) aan [appellant sub 2B] een uitwegvergunning verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200508568/1.

Datum uitspraak: 17 mei 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    het college van burgemeester en wethouders van Voorst,

2.    [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 04/1548 van de rechtbank Zutphen van 31 augustus 2005 in het geding tussen:

[wederpartij A] en [wederpartij B], wonend te [woonplaats]

en

appellant sub 1.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 23 juni 2004 heeft appellant sub 1 (hierna: het college) aan [appellant sub 2B] een uitwegvergunning verleend.

Bij besluit van 1 oktober 2004 heeft het college het daartegen door [wederpartij A] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 augustus 2005, verzonden op 2 september 2005, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij A] en [wederpartij B] (hierna: [wederpartijen]) ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief van 10 oktober 2005, bij de Raad van State ingekomen op 11 oktober 2005, en appellanten sub 2 bij brief van 11 oktober 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. Appellanten sub 2 hebben hun hoger beroep aangevuld bij brief van 1 november 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 18 november 2005 heeft het college een reactie gegeven op het hogerberoepschrift van appellanten sub 2.

Bij brief van 8 januari 2006 hebben [wederpartijen] van antwoord gediend.

Op 15 maart 2006 zijn nadere stukken ingediend door het college.

Op 21 maart 2006 zijn nadere stukken ingediend door [wederpartijen].

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 april 2006, waar het college, vertegenwoordigd door C. Morren, werkzaam bij de gemeente, en appellanten sub 2 in persoon, bijgestaan door mr. drs. I. Simonides, werkzaam bij de Stichting Achmea Rechtsbijstand, zijn verschenen. Voorts is daar verschenen [wederpartij A] in persoon.

2.    Overwegingen

2.1.    Ambtshalve overweegt de Afdeling als volgt. Het beroep bij de rechtbank is ingesteld door [wederpartijen]. Het bezwaarschrift van 13 juni 2004 is ingediend door [wederpartij A]. Nu [wederpartij B] geen bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit van 23 juni 2004 en niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan dit redelijkerwijs niet aan haar kan worden verweten, stond artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) eraan in de weg dat zij in haar beroep werd ontvangen. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De uitspraak van de rechtbank komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het inleidende beroep van [wederpartij B] alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

2.2.    Ingevolge artikel 2.1.5.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Voorst (hierna: de APV) is het verboden zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders een uitweg te maken naar de weg.

   Ingevolge het derde lid kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd in het belang van:

a. de bruikbaarheid van de weg;

b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

d. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

2.3.    De rechtbank heeft overwogen dat het gaat om vier naast elkaar kops op een smalle weg gelegen parkeerplaatsen tegenover de vlak bij die weg gelegen woning van [wederpartij A] en dat bij het (achterwaarts) uitrijden, zeker wanneer meerdere auto's staan geparkeerd, geen volledig beeld van aankomend verkeer zal worden verkregen en voorts dat een kleine uitwijking door dat verkeer op deze smalle weg op deze plaats ernstige gevolgen kan hebben. Het belang van appellanten sub 2 is niet van dien aard dat het college deze aantasting van het veilig en doelmatig gebruik van de weg voor lief zou moeten nemen. Twee van de vier parkeerplaatsen zijn niet voor direct eigen gebruik en appellanten sub 2 kunnen ook anders dan direct tegenover de woning van [wederpartij A] uitwegen, aldus de rechtbank. Op grond van deze overwegingen komt de rechtbank tot het oordeel dat het college de uitwegvergunning in strijd met artikel 2.1.5.3, derde lid, van de APV en artikel 3:4 van de Awb heeft verleend.

2.4.    Appellanten betogen dat de bevoegdheid om een uitwegvergunning te weigeren, als bedoeld in artikel 2.1.5.3, derde lid, van de APV, een discretionaire bevoegdheid van het college is. Dientengevolge had de rechtbank zich moeten beperken tot een marginale toetsing van de uitoefening van deze bevoegdheid. De rechtbank heeft dit naar de mening van appellanten miskend.

2.5.    Dit betoog slaagt. Het woord "kan" in artikel 2.1.5.3, derde lid, van de APV, duidt op een discretionaire bevoegdheid van het college. De toetsing door de rechtbank van de uitoefening van deze bevoegdheid dient terughoudend te zijn. Getoetst dient te worden of het college in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. De overwegingen van de rechtbank, zoals hierboven aangehaald, geven onvoldoende blijk van deze terughoudendheid omdat daarin veeleer een eigen oordeel te lezen valt.

   Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient ook in zoverre te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding het door [wederpartij A] ingestelde beroep bij de rechtbank zelf te behandelen.

2.6.    [wederpartij A] heeft, samengevat weergegeven, in de eerste plaats betoogd dat het belang van de bruikbaarheid van de weg zich verzet tegen de verlening van de uitwegvergunning door het college. Naar zijn mening wordt de bruikbaarheid van de weg verminderd door het vele extra gedraai en gekeer van auto's. Bovendien is niet voldoende duidelijk dat de door appellanten sub 2 aangelegde parkeerplaatsen, waarvoor de uitwegvergunning is aangevraagd, geen openbare parkeerplaatsen zijn, waardoor de bruikbaarheid van de weg wordt verminderd, aldus [wederpartij A].

2.6.1.    Dit betoog faalt. Het college heeft zich in de Reactienota van 28 september 2004, welke onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het in- en uitdraaien van auto's onvoldoende reden is om de uitwegvergunning te weigeren omdat dit slechts een beperkte en tijdelijke vermindering van de bruikbaarheid van de weg oplevert.

2.7.    Voorts heeft [wederpartij A] aangevoerd dat het veilig en doelmatig gebruik van de weg zich verzet tegen het verlenen van de uitwegvergunning, omdat de straat waaraan de uitweg is gelegen, de Langestraat, een smalle straat is, waar hard wordt gereden. Bovendien, zo stelt hij, maakt veel sluipverkeer gebruik van de Langestraat. De parkeerplaatsen waarvoor een uitwegvergunning is verleend, liggen tegenover zijn woning waarvan de voordeur zich aan de straatkant bevindt, op zeer korte afstand daarvan. Doordat de uitdraaiende auto's geen goed zicht op de weg hebben noch op het aankomend verkeer, kunnen gevaarlijke situaties ontstaan, mede voor zijn nog jonge kinderen omdat voor het aankomend verkeer geen uitwijkmogelijkheden bestaan, aldus [wederpartij A]. Het rapport van de politie over de verkeerssituatie in de Langestraat acht [wederpartij A] onvolledig, onbegrijpelijk en onjuist. Het feit dat dit rapport kennelijk na de uitspraak van de rechtbank is opgesteld, doet hem bovendien twijfelen aan de objectiviteit ervan.

2.7.1.    Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat door de verleende uitwegvergunning geen gevaarlijke situatie ontstaat, omdat de verkeerssituatie niet wezenlijk anders is dan bij andere uitwegen. Bovendien zijn de parkeerplaatsen goed zichtbaar voor naderend verkeer en hebben uitdraaiende auto's eveneens goed zicht op het naderende verkeer. Het college wijst er in dit verband op dat de politie dezelfde mening is toegedaan. Voorts geldt in de Langestraat een maximumsnelheid van dertig kilometer per uur en wordt de Langestraat vrijwel uitsluitend gebruikt door bestemmingsverkeer, aldus het college.

2.7.2.    Gelet op de omstandigheden ter plaatse, zoals onder meer de maximumsnelheid van 30 km per uur welke gold ten tijde van het bestreden besluit, en zoals blijkend uit de foto's die door partijen zijn overgelegd, ziet de Afdeling geen aanleiding het standpunt van het college voor onjuist te houden. Aan de omstandigheid dat eerder een maximumsnelheid van 80 km per uur ter plaatse gold, zoals [wederpartij A] aanvoert, komt geen betekenis meer toe omdat de omstandigheden zoals die golden ten tijde van het besluit van 1 oktober 2004, bepalend zijn. Geen grond bestaat voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zowel uitdraaiende auto's als naderend verkeer voldoende zicht op de weg hebben. De Afdeling betrekt bij dit oordeel, behalve de foto's, het tot de dossierstukken behorende politierapport over de verkeerssituatie in de Langestraat. Dat dit rapport is opgesteld naar aanleiding van een verzoek van de gemeente Voorst van 20 september 2005 doet niet af aan het duidelijke standpunt van de politie over het goede zicht op het naderende verkeer bij het verlaten van de parkeervakken. De enkele omstandigheid dat [wederpartij A] hierover een andere mening heeft, is onvoldoende om de Afdeling tot een ander oordeel te brengen. Het college is dan ook op grond van de door hem genoemde argumenten tot het oordeel kunnen komen dat in het veilig en doelmatig gebruik van de weg in dit geval geen aanleiding hoeft te worden gevonden de verleende vergunning in te trekken.

2.8.    Verder heeft [wederpartij A] naar voren gebracht dat de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving zich verzet tegen de verlening van de uitwegvergunning. Naar zijn mening is de uitwegvergunning verleend in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, de welstandsnota en de Ruimtelijke toekomstvisie Voorst. De aanleg van de uitweg gaat naar de mening van [wederpartij A] ten koste van het karakteristieke uiterlijk van Steenenkamer, dat onder meer wordt gekenmerkt door de ligging van de huizen direct aan de straat en de open ruimtes tussen de huizen.

2.8.1.    Het college heeft zich in het bestreden besluit hierover op het standpunt gesteld dat door de verlening van de uitwegvergunning niets verandert aan de karakteristieke ligging van de huizen aan de straat en de tussenliggende open ruimtes. Voorts is, naar de mening van het college, de uitwegvergunning niet in strijd met het bestemmingsplan en zijn de welstandsnota en de Ruimtelijke toekomstvisie Voorst niet van toepassing, aangezien een uitweg geen bouwwerk is.

2.8.2.    De Afdeling is van oordeel dat, mede gelet op de foto's van de situatie ter plaatse, het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat door de verlening van de uitwegvergunning niets verandert aan de karakteristieke ligging van de huizen aan de straat en de tussenliggende open ruimtes. Van strijd met het bestemmingsplan is naar het oordeel van de Afdeling geen sprake, nu blijkens de van het bestemmingsplan "Steenenkamer 2000" onderdeel uitmakende plankaart de desbetreffende gronden de bestemming "Steenenkamer -SK-" hebben, welke bestemming op grond van artikel 3 A, aanhef en onder 9, van de voorschriften inritten toestaat. Evenmin is gebleken van strijd met de welstandsnota of de Ruimtelijke toekomstvisie Voorst, nog daargelaten of daaraan in dit verband betekenis toekomt nu een uitwegvergunning niet ziet op bebouwing.

2.9.    Hetgeen [wederpartij A] voor het overige naar voren heeft gebracht leidt evenmin tot het oordeel dat het college niet tot verlening van de uitwegvergunning mocht overgaan. Het door [wederpartij A] bij de rechtbank ingestelde beroep is dan ook ongegrond.

2.10.    De hoger beroepen zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep bij de rechtbank van [wederpartij B] alsnog niet-ontvankelijk verklaren en het beroep bij de rechtbank van [wederpartij A] alsnog ongegrond.

2.11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 31 augustus 2005, 04/1548;

II.    verklaart het bij de rechtbank door [wederpartij B] ingestelde beroep niet-ontvankelijk;

III.    verklaart het door [wederpartij A] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV.    gelast dat de gemeente Voorst aan appellanten sub 2 het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 207,00 (zegge: tweehonderdzeven euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Broodman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena    w.g. Broodman

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2006

204-512.