Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AX0754

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-05-2006
Datum publicatie
10-05-2006
Zaaknummer
200506276/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 oktober 2003 heeft de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) het verzoek van appellanten om een stimuleringsbijdrage bestuurlijke krachtenbundeling voor het schooljaar 2003-2004 afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet overige OCenW-subsidies
Wet overige OCenW-subsidies 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200506276/1.

Datum uitspraak: 10 mei 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Samenwerkende Besturen Openbaar Primair Onderwijs, gevestigd te Twello,

appellanten,

tegen de uitspraak in zaak no. 04/1050 van de rechtbank Zutphen van 6 juni 2005 in het geding tussen:

appellanten

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2003 heeft de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) het verzoek van appellanten om een stimuleringsbijdrage bestuurlijke krachtenbundeling voor het schooljaar 2003-2004 afgewezen.

Bij besluit van 15 juni 2004 heeft de minister het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 juni 2005, verzonden op 8 juni 2005, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 juli 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 30 augustus 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 21 september 2005 heeft de minister van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 januari 2006, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. F.J.J.M. Janssen, juridisch beleidsadviseur bij E&S Advies en Management te Leeuwarden, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.A. van der Meer, werkzaam bij de Centrale Financiën Instellingen, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 4:23, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) verstrekt een bestuursorgaan slechts subsidie op grond van een wettelijk voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt.

   Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet overige OCenW-subsidies (hierna: de wet) kan de minister subsidie verstrekken voor activiteiten die passen in het regeringsbeleid inzake onderwijs.

   Ingevolge artikel 4, eerste lid, onder b, van de wet verstrekt de minister slechts subsidie op grond van een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling, tenzij het een subsidie betreft waarvan de voorgenomen verstrekking tevoren is meegedeeld aan de beide kamers der Staten-Generaal.  

   Volgens de Verlenging regeling Stimuleringsbijdrage bestuurlijke krachtenbundeling primair onderwijs voor de schooljaren 2002-2003 en 2003-2004 (gepubliceerd in Uitleg OCenW-Regelingen nr. 11 van 24 april 2002, in werking getreden met ingang van het schooljaar 2002-2003, hierna: de Regeling) dient het aanvraagformulier voor de stimuleringsbijdrage voor het schooljaar 2003-2004 uiterlijk op 1 april 2003 te zijn ingediend en worden aanvragen die na deze datum zijn ingediend, afgewezen.      

2.2.    De rechtbank heeft de beslissing op bezwaar van de minister van 15 juni 2004 vernietigd wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag voor de gevraagde subsidie als bedoeld in artikel 4:23, eerste lid, van de Awb. Zij heeft daartoe overwogen dat deze grondslag niet kan worden gevonden in artikel 4, eerste lid, van de wet, omdat de subsidieverlening is gebaseerd op de Regeling. Dit is een beleidsregel en niet een in deze wetsbepaling geëiste algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling.

2.3.    Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de subsidieaanvraag van appellanten had moeten worden afgewezen, omdat de subsidieverlening in het kader van de Regeling een wettelijke grondslag ontbeert.

2.4.    Dit betoog slaagt. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, betreft het hier een subsidie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet . De voorgenomen verstrekking ervan is immers tevoren meegedeeld aan de beide kamers der Staten-Generaal, nu deze is opgenomen in de begrotingsstaat van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor het jaar 2003 (Kamerstukken II 2002-2003, 28600 VIII en Kamerstukken I 2002-2003, VIII). Daarin wordt vermeld dat voor de regeling bestuurlijke krachtenbundeling voor 2003 een bedrag beschikbaar is van € 35,1 miljoen en voor 2004 een bedrag van € 21,2 miljoen. Aldus is voldaan aan het vereiste van een wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 4:23, eerste lid, van de Awb. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank de beslissing op bezwaar dan ook ten onrechte vernietigd.

2.5.    De rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit geheel in stand blijven. Daartoe heeft zij overwogen dat de in de Regeling genoemde datum waarvoor de subsidieaanvraag moest zijn ingediend, 1 april 2003, een fatale termijn betreft zodat, anders dan appellanten betogen, de afwijzing door de minister van de na deze datum (in kopie) ontvangen aanvraag van appellanten niet in strijd is met zijn beleid. Voorts is de rechtbank niet gebleken van enige concrete toezeggingen van de zijde van de minister dat de niet tijdige indiening niet aan appellanten zou worden tegengeworpen.

2.6.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de te late indiening van de subsidieaanvraag verschoonbaar was, nu zij hun aanvraag van 27 maart 2003 wel tijdig hebben verzonden maar deze buiten hun schuld niet door de minister is ontvangen.

2.7.    De rechtbank heeft overeenkomstig vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 2 september 1996, no. R01.93.2126, AB 1997, 51 en van 22 februari 2002, no. H01.99.0601, JB 2000, 95) met juistheid geoordeeld dat appellanten het risico dragen van het niet ontvangen door de minister van de niet aangetekend verzonden subsidieaanvraag en van het bij gebreke van een datumstempel niet kunnen leveren van het bewijs dat de aanvraag (tijdig) ter post is bezorgd. In hoger beroep brengen appellanten hiertegen geen argumenten in die zij niet reeds eerder hebben aangevoerd en die tot een ander oordeel kunnen leiden, zodat hun betoog niet slaagt. De rechtbank heeft dan ook op goede gronden geoordeeld dat de minister zijn afwijzing van de subsidieaanvraag in de beslissing op bezwaar terecht in stand heeft kunnen laten.

2.8.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Omdat de rechtbank de beslissing op bezwaar ten onrechte heeft vernietigd, is ook de instandlating van de rechtsgevolgen onjuist. Hetgeen de rechtbank ten behoeve hiervan heeft overwogen, had haar tot ongegrondverklaring van het beroep moeten leiden. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep ongegrond verklaren.

2.9.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 6 juni 2005,  no. 04/1050;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV.    gelast dat het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan appellanten het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 414,00 (zegge: vierhonderdveertien euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. D.A.C. Slump en mr. G.J. van Muijen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Groenendijk

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2006

164-477.