Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW7305

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-04-2006
Datum publicatie
03-05-2006
Zaaknummer
200602246/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 maart 2006 heeft verweerder verzoeker onder aanzegging van bestuursdwang gelast binnen twee weken na de verzending van dit besluit de (verdere) opslag van bijproducten, zijnde afvalproducten, buiten stal E in de inrichting gelegen op het perceel [locatie] te [plaats] zonder de daartoe krachtens de Wet milieubeheer vereiste vergunning te beëindigen en beëindigd te houden.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 1.1
Wet milieubeheer 8.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2006/44 met annotatie van Van der Meijden

Uitspraak

200602246/1.

Datum uitspraak: 25 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2006 heeft verweerder verzoeker onder aanzegging van bestuursdwang gelast binnen twee weken na de verzending van dit besluit de (verdere) opslag van bijproducten, zijnde afvalproducten, buiten stal E in de inrichting gelegen op het perceel [locatie] te [plaats] zonder de daartoe krachtens de Wet milieubeheer vereiste vergunning te beëindigen en beëindigd te houden.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.

Bij brief van 22 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op 23 maart 2006, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 april 2006, waar verzoeker, in persoon en bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. R. Bloemsma en A.W. Adriaansen, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord het college van burgemeester en wethouders van Eersel, vertegenwoordigd door Y. Hommel-Sprengers.

2.    Overwegingen

2.1.    Verzoeker stelt dat uit de brief van 31 januari 2006 niet blijkt dat verweerder voornemens is een bestuursdwangbesluit te nemen noch heeft verweerder hem voorafgaand aan het besluit van 7 maart 2006 op grond van artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.

   In de brief van 31 januari 2006 is vermeld dat verweerder voornemens is een bestuursdwangbesluit te nemen ten aanzien van het opslaan van bijproducten, zijnde afval, buiten stal E. In deze brief wordt verzoeker niet de gelegenheid geboden zijn zienswijze hieromtrent naar voren te brengen. Verweerder stelt dienaangaande dat voorafgaand aan het besluit van 7 maart 2006, onder meer in het kader van de op 7 december 2004 opgelegde, en inmiddels ingetrokken, last onder dwangsom en de daartegen gevolgde rechtsbeschermingsprocedures, vele malen mondeling en schriftelijk informatie-uitwisseling heeft plaatsgevonden betreffende het opslaan van bijproducten buiten stal E. Verweerder stelt voorts dat het bestreden besluit hetzelfde doel heeft als voornoemde last onder dwangsom, te weten het beëindigen van de opslag van bijproducten, zijnde afval, buiten stal E. Verder hebben zich in de periode tot het uitvaardigen van het bestreden besluit volgens verweerder geen nieuwe relevante feiten en omstandigheden voorgedaan die opnieuw een uitgebreide zienswijze procedure rechtvaardigen. Gelet op het voortduren van de overtreding en de aanhoudende, gegronde, klachten over stankoverlast, was het direct opleggen van een bestuursdwangbesluit, volgens verweerder op zijn plaats.

   Onder voormelde omstandigheden is de Voorzitter van oordeel dat van het horen van verzoeker op grond van artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht kon worden afgezien.

2.2.    Verzoeker betoogt - kort weergegeven - dat stal E, die reeds deels was gerealiseerd, is afgebouwd en dat de opslag van bijproducten, zijnde afval, slechts nog in deze stal plaatsvindt. Voorts stelt verzoeker dat de vloer van stal E correct is uitgevoerd, zodat verweerder niet bevoegd was tot handhaving over te gaan.

2.2.1.    Uit de stukken en het ter zitting verhandelde is gebleken dat verweerder tijdens onder meer de (her)controlebezoeken van 23 januari 2006, 16 februari 2006 en 24 februari 2006 heeft geconstateerd dat buiten stal E onder meer uienpulp, prei en paprika lag opgeslagen. Voorts is uit de ter zitting overgelegde foto's gebleken dat de uitbreiding van de bestaande stal E ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker betoogt, niet was gerealiseerd. De conclusie is dat door het zonder vergunning opslaan van bijproducten, zijnde afvalstoffen, buiten stal E is gehandeld in strijd met artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, zodat verweerder ter zake handhavend kon optreden.

2.2.2.    De vraag of de gerealiseerde betonverharding al dan niet voldoet aan de in de vergunningen van 27 februari 2001 en 23 december 2005 opgenomen voorschriften 2.6.3 en 2.4.2 behoeft in de onderhavige procedure naar het oordeel van de Voorzitter geen beantwoording. Immers, in het bestreden besluit wordt hieromtrent door verweerder gesteld dat hij, indien wordt geconstateerd dat de opslag van bijproducten in stal E plaatsvindt zonder dat de noodzakelijke vloer(en) overeenkomstig de vigerende vergunningeisen zijn aangebracht, door middel van een separate last onder dwangsom handhavend zal optreden.

2.3.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4.    De Voorzitter stelt vast dat de bestaande stal E ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, in tegenstelling tot mededelingen daaromtrent van verzoeker in januari van dit jaar, niet was uitgebreid. Voorts staat naar het oordeel van de Voorzitter, mede gelet op de lange periode waarin verzoeker in de gelegenheid is geweest de overtreding te beëindigen, voldoende vast dat voor verweerder niet duidelijk was wanneer de uitbreiding van de bestaande stal E daadwerkelijk zou gaan plaatsvinden. Gelet hierop en nu de geconstateerde overtreding reeds een geruime tijd voortduurt, verzoeker in gebreke blijft de overtreding te beëindigen en mede gezien de geurhinder die omwonenden van het bedrijf ondervinden, is de Voorzitter van oordeel dat de gevolgen van handhavend optreden niet zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat verweerder daarvan had behoren af te zien.

   Dat de uitbreiding van de bestaande stal E inmiddels heeft plaatsgevonden leidt niet tot een ander oordeel. Gezien het betoog van verweerder en de door hem overgelegde foto's is naar het oordeel van de Voorzitter onvoldoende komen vast te staan dat stal E overeenkomstig eerdergenoemde vergunningen is opgericht en in werking is gebracht. Dit vergt naar het oordeel van de Voorzitter evenwel een nader onderzoek waartoe eerst in het kader van de beslissing op bezwaar kan worden ingegaan.

2.5.    Ten aanzien van het betoog van verzoeker omtrent de begunstigingstermijn, overweegt de Voorzitter dat niet aannemelijk is geworden dat de begunstigingstermijn van twee weken te kort is om de overtreding van artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer ongedaan te maken. Gelet op hetgeen verweerder bij zijn beoordeling heeft betrokken, is de Voorzitter van oordeel dat verweerder voornoemde termijn in redelijkheid aan het bestreden besluit heeft kunnen verbinden.

2.6.    Het bovenstaande brengt met zich dat de Voorzitter aanleiding ziet het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd    w.g. Montagne

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2006

374.