Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW4013

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-04-2006
Datum publicatie
26-04-2006
Zaaknummer
200503327/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 februari 2003 hebben verweerders, op voorstel van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 28 januari 2003, het streekplan "Zuid-Holland West" (hierna te noemen: het streekplan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2006, 46K
Gst. 2006, 109
Module Ruimtelijke ordening 2006/2010
Milieurecht Totaal 2006/3100

Uitspraak

200503327/1.

Datum uitspraak: 26 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    de vereniging "Vereniging Vrienden Oostvlietpolder", gevestigd te Leiden,

2.    de vereniging "Vereniging Bewoners Vrouwenweg", gevestigd te Leiden,

3.    [appellante sub 3], gevestigd te [plaats],

4.    [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

en

provinciale staten van Zuid-Holland,

verweerders.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2003 hebben verweerders, op voorstel van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 28 januari 2003, het streekplan "Zuid-Holland West" (hierna te noemen: het streekplan) vastgesteld.

Bij uitspraak van 21 juli 2004, in zaak no. 200301816/1, heeft de Afdeling dit besluit gedeeltelijk vernietigd, onder meer voor zover het betreft

"(…) de concrete beleidsbeslissing "De op de kaartbladen contouren 1 tot en met 27 ingetekende rode contouren geven de grens aan van het stedelijk gebied, daarbuiten mag geen verdere verstedelijking plaatsvinden met inachtneming van het gestelde in SE.11 (zie ook plankaart)", voor zover het betreft:

   a. de contour aan de oostzijde van De Zilk ter hoogte van de Regenvlietweg, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart 1;

   b. de contour aan de zuidzijde van Leiden rond de Oostvlietpolder, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart 2;

   c. de gronden liggend tussen de Europaweg en de Vrouwenweg te Leiden, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart 3;(…)"

Bij besluit van 23 februari 2005 hebben verweerders, op voorstel van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 30 november 2004, het "Nieuw besluit Streekplan Zuid-Holland West 2003 met betrekking tot de rode contour rond Noordwijkerhout (De Zilk), Leiden (Oostvlietpolder) en Voorschoten (De Groot)" (hierna: het bestreden besluit) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 15 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 15 april 2005, appellante sub 2 bij brief van 14 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 18 april 2005, appellante sub 3 bij brief van 15 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 18 april 2005, en appellant sub 4 bij brief van 18 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 19 april 2005, beroep ingesteld. Appellante sub 1 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 17 mei 2005. Appellante sub 3 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 12 mei 2005.

Bij brief van 28 juni 2005 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de Vereniging Vrienden Oostvlietpolder en verweerders. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 oktober 2005, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door mr. K. Ulmer, advocaat te Dordrecht en J.M.M. Pieters, appellante sub 2, vertegenwoordigd door mr. drs. C. Raat, appellante sub 3, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Winkelhuijzen, advocaat te Alphen aan den Rijn, en [gemachtigde], appellant sub 4 in persoon en bijgestaan door ing. H.G.M. Stol, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. G.C.W. van der Feltz, advocaat te Den Haag, en mr. J. du Pont en ing. E. Schepers, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn [partijen], en de gemeenteraad van Leiden, vertegenwoordigd door mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam, en A.V. de Kok en D.J. Scholten, ambtenaren van de gemeente, daar gehoord.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

2.2.    Op 1 februari 2004 is in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in verband met de invoering van een rijksprojectenprocedure van 20 november 2003 (Stb. 519). Bij deze wet is onder meer artikel 56, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) gewijzigd.

Nu het ontwerp van het streekplan ter inzage is gelegd vóór 1 februari 2004 volgt uit artikel V van deze wet dat op dit geschil artikel 56, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals dat voor dit tijdstip luidde, van toepassing is.

Planbeschrijving

2.3.    Het bestreden besluit voorziet in de vaststelling van de concrete beleidsbeslissing waarbij een rode contour is aangegeven rond de kernen De Zilk, Leiden (Oostvlietpolder) en Voorschoten. Deze rode contouren geven - kort samengevat - de grens aan van het stedelijk gebied; daarbuiten mag geen verdere verstedelijking plaatsvinden, behoudens enige uitzonderingen.

Bevoegdheid

2.4.    Ingevolge artikel 4a, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verder te noemen: WRO), voor zover hier van belang, kunnen provinciale staten voor één of meer gedeelten of voor het gehele gebied der provincie een streekplan vaststellen, waarin de toekomstige ontwikkeling van het in het plan begrepen gebied in hoofdlijnen wordt aangegeven, alsmede een vastgesteld streekplan herzien.

Ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder a, voorzover hier van belang, gelezen in samenhang met artikel 56, eerste lid, van de WRO kan door een ieder beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden ingesteld tegen een concrete beleidsbeslissing, een herziening of een intrekking daarvan, opgenomen in een streekplan.

Ingevolge artikel 1 van de WRO wordt onder een concrete beleidsbeslissing verstaan een als zodanig door het bestuursorgaan aangegeven besluit in een planologische kernbeslissing, een streekplan of een regionaal structuurplan.

Ingevolge artikel 7, derde lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 wordt in een streekplan een concrete beleidsbeslissing als zodanig in de tekst of op de kaart benoemd en herkenbaar aangegeven.

Uit deze bepalingen volgt dat de Afdeling met betrekking tot een vastgesteld of herzien streekplan slechts bevoegd is te oordelen over beroepen die zijn gericht tegen daarin vervatte concrete beleidsbeslissingen. Indien een beroep is gericht tegen een niet door het bestuursorgaan als concrete beleidsbeslissing aangegeven onderdeel van een streekplan, is het niet gericht tegen een concrete beleidsbeslissing in de zin van artikel 1 van de WRO; de Afdeling is onbevoegd van zo’n beroep kennis te nemen.

2.4.1.    De Afdeling stelt het volgende vast.

In het bestreden besluit zijn concrete beleidsbeslissingen opgenomen met betrekking tot de rode contouren rond kernen, waaronder de contouren rond Leiden (Oostvlietpolder) en De Zilk. De beroepen zijn gericht tegen de vastlegging van deze rode contouren.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling bevoegd kennis te nemen van deze beroepen.

Formeel bezwaar

2.5.    De Vereniging Vrienden Oostvlietpolder stelt in beroep dat het besluit tot vaststelling van de nieuwe contouren is genomen in strijd met artikel 4a van de WRO. Zij wijst er op dat ten onrechte geen ontwerp van het bestreden besluit ter inzage is gelegd, zodat zij geen mogelijkheid heeft gehad om bedenkingen in te dienen.

2.5.1.    Verweerders hebben kunnen volstaan met het nemen van een nieuw besluit na de gedeeltelijke vernietiging van de Afdeling van het besluit van 19 februari 2003, waarbij verweerders het streekplan hebben vastgesteld. In het bestreden besluit zijn uitsluitend de drie in overweging 2.3. genoemde rode contouren opnieuw vastgesteld ter reparatie van het besluit van 19 februari 2003, voor zover dat was vernietigd. De wijzigingen, die het bestreden besluit bevat ten opzichte van het ontwerp dat ten grondslag heeft gelegen aan het besluit van 19 februari 2003, zijn in dit geval niet van zodanige aard en omvang dat verweerders zich daarop bij de hernieuwde vaststelling van de rode contouren niet hebben kunnen baseren. Onder deze omstandigheden hoefden verweerders niet opnieuw de procedure van ter inzage legging van het ontwerp te volgen.

Voor zover het voorgenomen bestreden besluit wijzigingen bevat ten opzichte van het ontwerp is, overeenkomstig artikel 4a van de WRO, de Inspecteur Ruimtelijke Ordening in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Hij heeft ingestemd met het te nemen bestreden besluit.

Het bezwaar van appellante treft geen doel.

De rode contouren

2.6.    De Afdeling heeft in de uitspraak van 21 juli 2004 over de rode contouren in algemene zin het volgende overwogen:

   "2.5.    In het streekplan is als concrete beleidsbeslissing opgenomen:

   "De op de kaartbladen contouren 1 tot en met 27 ingetekende rode contouren geven de grens aan van het stedelijk gebied, daarbuiten mag geen verdere verstedelijking plaatsvinden met inachtneming van het gestelde in SE.11."

   De tekst van SE.11. luidt als volgt:

   "Het accommoderen van nieuwe stedelijke functies buiten de rode contouren is behoudens enkele uitzonderingen niet toegestaan.

   - Woningbouw buiten de rode contour is uitsluitend mogelijk in het kader van de ruimte-voor-ruimte-benadering (met inachtneming van SE.4. inzake bescherming waterfuncties en niet in groene contour-gebieden). Hieronder valt in ieder geval het rood in het groen overeenkomstig het IOPW zoals dat in het Westland door middel van aanduidingen op de streekplankaart is aangegeven en de woningbouw zoals die in de streekplanuitwerking voor de Duivenvoorde-corridor wordt voorgesteld.

   - Op de vrijkomende terreinen van instellingen voor geestelijke gezondheidszorg, voorzover gelegen buiten groene contourgebieden, zijn nieuwe stedelijke functies toegestaan. Voor de herinrichting van deze terreinen gelden randvoorwaarden die in acht genomen moeten worden."

   2.5.1.    Deze concrete beleidsbeslissing is blijkens het streekplan opgenomen omdat het voeren van een restrictief verstedelijkingsbeleid noodzakelijk wordt geacht gelet op de aanhoudende druk op het buitengebied vanuit de stedelijke gebieden. De rode contouren dienen om het stedelijk ruimtebeslag te sturen door het buitengebied te vrijwaren van ongewenste verstedelijking en de ruimtelijke verscheidenheid van stad en land te waarborgen. Een flexibele houding ten aanzien van de contouren in het streekplangebied wordt niet gewenst geacht omdat dit snel ten koste gaat van de kwaliteit van de duinen, de regionale parken, de ontwikkelingsmogelijkheden van het glas of de bollen en de druk op de agrarische functies onaanvaardbaar doet vergroten.

   Binnen de rode contouren wordt ruimte geboden voor wonen, werken en andere stedelijke voorzieningen en de ruimtebehoefte voor wonen en werken zal binnen deze contouren moeten worden gevonden. Hiertoe kunnen mogelijkheden worden gevonden door het zoveel mogelijk bouwen binnen bestaand stedelijk gebied door herinrichting en intensivering.

   De gedachte achter deze beleidskeuze is volgens het streekplan zuinig omgaan met ruimte. Het beleid binnen de rode contouren wordt meer aan de handelingsvrijheid van de gemeenten overgelaten.

   2.5.2.    Bij het bepalen van de ligging van de rode contouren is een aantal uitgangspunten gehanteerd. De rode contouren zijn getrokken rond bestaand stedelijk gebied (in de betekenis van fysiek aanwezige aaneengesloten bebouwing) met daaraan toegevoegd de gebieden waarop bebouwing mogelijk is op grond van geldende bestemmingsplannen en onherroepelijke bouwvergunningen (nieuw stedelijk gebied). Daarnaast zijn binnen de contour gebieden opgenomen die ruimte moeten bieden voor op grond van in VINEX-kader gemaakte afspraken en in het streekplan geaccordeerde landschappelijke en stedenbouwkundige aanpassingen alsook ruimte voor verstedelijkingsopgaven. Solitair in het landelijke gebied gelegen stedelijke voorzieningen en voorzieningen van geringe omvang hebben, evenals lintbebouwing en andere kleinschalige bebouwing in het landelijke gebied, geen rode contour gekregen.

   Stedelijk groen, sportcomplexen en (andere) openluchtrecreatiegebieden die geen ruimtelijke eenheid vormen met het binnen de contour te brengen stedelijke gebied zijn buiten de contour gehouden. Daarnaast zijn deze buiten de contour gehouden indien natuurwaarden of landschappelijke waarden zich tegen het binnen de contour brengen verzetten, dan wel indien het om beleidsmatige redenen niet gewenst is dergelijke gebieden vrij te geven voor bebouwing. Binnen de stedelijke gebieden gelegen infrastructuur ligt binnen de rode contour. Buiten de stedelijke gebieden gelegen infrastructuur ligt buiten de rode contour. Uitgangspunt is voorts dat de contour ligt op een op kaart en/of in het veld herkenbare grens.

   Daarnaast zijn voor de in de Leidse Regio, de Duin- en Bollenstreek en het Groene Hart gelegen gemeenten de rode contouren uit het streekplan Zuid- Holland West 1996 en het Afsprakenkader Leidse Regio/Duin- en Bollenstreek als basis genomen. Voor de in Haaglanden gelegen gemeenten is als basis genomen het in het RSP Haaglanden aangegeven stedelijke gebied. Ook overigens is voor de afweging inzake de begrenzing van de contour in concrete gevallen een aantal uitgangspunten gehanteerd afhankelijk van de kenmerken van het deelgebied waarin deze contour ligt.

   2.5.3.    De Afdeling acht het beleid van verweerders voorzover dat voorziet in het instrument van de rode contouren als zodanig en de motivering die aan het vastleggen van deze contouren ten grondslag ligt niet onredelijk. Evenmin acht zij de in overweging 2.5.2. genoemde uitgangspunten waarop de ligging van de contouren is gebaseerd in hun algemeenheid onredelijk.

   Dit laat onverlet dat de Afdeling op basis van de stellingen van appellanten dient te beoordelen of verweerders in concrete gevallen in redelijkheid hebben kunnen overgaan tot de gekozen begrenzing van de contouren."

2.6.1.    De Afdeling ziet geen aanleiding om ten aanzien van het thans bestreden besluit tot een ander oordeel te komen.

Oostvlietpolder

Het standpunt van appellanten

2.7.    De Vereniging Vrienden Oostvlietpolder en de Vereniging Bewoners Vrouwenweg richten zich in beroep tegen de ligging van de contour ter hoogte van de Oostvlietpolder in de gemeente Leiden. Zij stellen dat de polder ten onrechte binnen de contour is gebracht omdat deze vrij dient te blijven van verstedelijking. Verstedelijking op deze plaats is volgens hen in strijd met het rijksbeleid ten aanzien van het Groene Hart en het rijksbufferzonebeleid. Er is volgens appellanten geen behoefte aan een bedrijventerrein. In dat verband is volgens hen te weinig onderzoek gedaan, omdat enkel wordt verwezen naar het bestemmingplan. Er is geen afweging gemaakt tussen de behoefte aan bedrijventerrein en de behoefte aan groen. Verder is het streekplan aangepast aan het bestemmingsplan in plaats van andersom. Het streekplan kan daarom niet als toetsingskader dienen voor het bestemmingsplan. Voorts zijn de natuurwaarden in de polder onvoldoende onderzocht, ondanks dat in de uitspraak van de Afdeling staat dat een onderzoek naar die waarden ten onrechte ontbreekt. Het besluit is verder in strijd met het Besluit luchtkwaliteit. De Vlietweg is in het streekplan aangewezen als gebied met bijzondere cultureel-historische waarde. Door de ligging van de Oostvlietpolder binnen de rode contour wordt in strijd met deze kwalificatie gehandeld.

2.7.1.    [appellante sub 3] richt zich eveneens tegen de ligging van de contour ter hoogte van de Oostvlietpolder in de gemeente Leiden. Zij stelt dat de gronden tussen de Europaweg en de Vrouwenvaart ten onrechte buiten de contour zijn gelaten. Een goede motivering hiervoor ontbreekt volgens appellante, omdat enkel wordt verwezen naar het bestemmingsplan "Oostvlietpolder". In dit bestemmingsplan wordt echter verwezen naar het streekplan. De goedkeuring van dit bestemmingsplan is bovendien door de Afdeling vernietigd. Er heeft geen zelfstandige afweging op streekplanniveau plaatsgevonden, aldus appellante.

Het standpunt van verweerders

2.8.    Verweerders hebben bij de ligging van de rode contour rekening gehouden met de ontwikkeling van een bedrijventerrein in de Oostvlietpolder. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 21 juli 2004 hebben verweerders thans slechts een gedeelte van de Oostvlietpolder binnen de rode contour gebracht, hetgeen overeenkomt met de te verwachten daadwerkelijk benodigde omvang van de gronden ten behoeve van de aanleg van een bedrijventerrein. Op deze wijze is duidelijk waar ruimte wordt geboden voor verstedelijkingsopgaven, en welk gedeelte van de Oostvlietpolder van verstedelijking dient te worden gevrijwaard. Volgens verweerders is de behoefte aan een bedrijventerrein op deze locatie voldoende aangetoond, zodat van strijd met het rijksbeleid geen sprake is. Voorts bevat het desbetreffende gedeelte van de Oostvlietpolder geen natuurwaarden die in de weg staan aan de thans gekozen ligging van de rode contour. Ten slotte is de ligging van de rode contour in overeenstemming met het provinciale beleid inzake verstedelijking, aldus verweerders.

Vaststelling van de feiten

2.9.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.9.1.    De Oostvlietpolder ligt ten zuiden van de kern van Leiden. Het gebied wordt begrensd door het Rijn-Schiekanaal (Vliet) aan de noordwestzijde, park Cronestein aan de noordoostzijde, Rijksweg A4 aan de zuidoostzijde en recreatiegebied Vlietland aan de zuidwestzijde. Het grootste deel van het gebied bestaat uit weiland. Aan zowel de noordwest- als de noordoostrand bevindt zich lintbebouwing. Centraal in het gebied bevinden zich twee stroken met volkstuincomplexen. Verder wordt het gebied aan de noordoostzijde doorsneden door de Europaweg (N206), de zuidelijke invalsweg naar Leiden vanaf de A4.

2.9.2.    Op de streekplankaart heeft het gebied voor een deel de aanduiding "Bedrijventerrein" en voor een deel, waaronder de gronden tussen de Europaweg en de Vrouwenvaart, de aanduiding "Openluchtrecreatiegebied of stedelijk groen" gekregen, is langs de Vliet tussen Vlietland en Cronesteyn een "Groene verbinding" aangegeven en is de Vlietweg aangeduid als "Bebouwingslint met cultuurhistorische waarde". De Europaweg is weergegeven als "Regionale verbinding".

Voor de Oostvlietpolder zijn de volgende kernpunten in het streekplan van belang:

Kernpunt 60: "Voor de Oostvlietpolder en het noordoostelijke deel van de Hofpolder wordt ingezet op benutting van deze polders voor bedrijventerrein. Bij de aanleg van dit bedrijventerrein zal rekening moeten worden gehouden met de in dit gebied voorkomende natuurwaarden en de benodigde recreatieve verbindingen vanuit het stedelijk gebied naar de aangrenzende recreatiegebieden en het Groene Hart. Tevens zal rekening moeten worden gehouden met bestaande functies zoals volkstuinen. Naast de op de streekplankaart opgenomen ruimtelijke reservering voor de N11-West zal ook rekening moeten worden gehouden met de ruimtereservering om de Europaweg eventueel te verbreden en op een andere manier te koppelen met de Churchilllaan."

Kernpunt 64: "Het bieden van een voldoende aanbod van en behoud van bestaande vestigingsmogelijkheden voor milieuhinderlijke bedrijvigheid op daartoe geschikte bestaande of nog aan te leggen bedrijventerreinen. Dit geldt voor een gedeelte van de locatie Oostvlietpolder en de locatie Groenendijk alsmede voor een locatie van 6,5 hectare bij Nootdorp (Grote Driehoek)."

Kernpunten vormen volgens het streekplan de schakel tussen de structurerende elementen en de concrete uitvoeringspraktijk en geven aan op welke punten de provincie zich bij de uitvoering van het streekplan vooral zal richten.

In paragraaf F.4 van het streekplan is neergelegd dat naast stedelijke functies als wonen, werken en voorzieningen ook lokale groenblauwe elementen binnen de bebouwingscontouren zijn gebracht. Het gaat bij groenblauwe functies om op stedelijke schaal belangrijke groengebieden en waterstructuren, zowel in de stad (parken) als aan de randen daarvan.

2.9.3.    De gemeenteraad van Leiden heeft bij besluit van 20 januari 2004 voor de Oostvlietpolder een nieuw bestemmingsplan vastgesteld, welke bij besluit van 6 juli 2004 door het college van gedeputeerde staten is goedgekeurd. Laatstgenoemd besluit is door de Afdeling bij uitspraak van 20 april 2005 in zaak no. 200406300/1, vernietigd.

2.9.4.    Ingevolge kaartblad 11a bij het bestreden besluit (Contour Zoeterwoude, Stompwijk en zuidoostelijk deel Leiden) ligt een deel van de Oostvlietpolder binnen de rode contour aan de zuidzijde van Leiden. De gronden tussen de Europaweg en de Vrouwenvaart liggen buiten de rode contour.

2.9.5.    In de meergenoemde uitspraak van 21 juli 2004 heeft de Afdeling over de contour rond de Oostvlietpolder het volgende overwogen:

   "2.13.1.    Verweerders hebben de Oostvlietpolder binnen de contour gelegd onder andere omdat rekening wordt gehouden met de ontwikkeling van een bedrijventerrein. Zij hebben hierbij het gehele gebied betrokken omdat nog niet duidelijk is waar binnen de polder het bedrijventerrein zal komen. Volgens de reactie op het deskundigenbericht wordt niet uitgesloten dat grote delen van de polder uiteindelijk worden verstedelijkt waarbij de inrichting wordt afgewogen op bestemmingsplanniveau. Strijd met het rijksbeleid doet zich volgens verweerders niet voor nu hierin geen concrete beleidsbeslissingen zijn opgenomen. Onderzoek naar natuurwaarden inclusief de Europese regelgeving zal voorts plaatsvinden op bestemmingsplanniveau.

   2.13.2.    De Afdeling stelt voorop dat de rode contouren de uiterste grens aangeven van het verstedelijkte gebied. Hoe het gebied binnen de rode contouren zal worden ingericht en of hier  ook daadwerkelijk verstedelijking zal plaatsvinden, wordt in dit geval niet op streekplanniveau vastgelegd, maar dient op het niveau van het bestemmingsplan nader te worden ingevuld en dient dan ook in dat kader aan de orde te worden gesteld.

   De betekenis van een rode contour in dit verband is gelegen in de daarmee vastgelegde beslissing dat het streekplan in beginsel niet aan verstedelijking in de weg staat.

   2.13.3.    Blijkens kaartblad 11 is het grootste gedeelte van de Oostvlietpolder, namelijk 166 hectare, binnen de rode contour opgenomen. Dit is een gebied dat voor een klein gedeelte bestaat uit volkstuinen en voor het overige grotendeels uit een open weidegebied met enkele boerderijen. Alleen met de noordwestzijde sluit de Oostvlietpolder aan op verstedelijkt gebied. Voor het gebied dat binnen de contour is gebracht bestaan geen geldende bestemmingsplannen of onherroepelijke bouwvergunningen die voorzien in verstedelijking. Ook overigens is niet gebleken dat de begrenzing van de contour voldoet aan de uitgangspunten die zijn gehanteerd bij het opstellen van het streekplan.

   2.13.4.    In de Planologische Kernbeslissing Nationaal Ruimtelijk Beleid (PKB NRB) behorende bij de Actualisering van de Vierde nota over de ruimtelijke ordening Extra (Vinac) is Den Haag-Leiden- Zoetermeer aangewezen als bufferzone. De Oostvlietpolder maakt deel uit van deze bufferzone. Voorts maakt de polder deel uit van het zogenoemde Groene Hart. Voor beide gebieden is het rijksbeleid gericht op het vrijwaren van het gebied van verstedelijking. Verweerders hebben niet afdoende gemotiveerd waarom in dit geval aan het rijksbeleid kan worden voorbijgegaan. Het standpunt dat geen acht behoeft te worden geslagen op het rijksbeleid nu dit punt geen concrete beleidsbeslissing betreft is onjuist. Dit ontslaat verweerders niet van de verplichting met dit beleid rekening te houden en een eventuele afwijkende keuze afdoende te motiveren.

   Evenmin is afdoende gemotiveerd hoe de begrenzing van de contour zich verhoudt tot de uitgangspunten van het provinciale beleid inzake verstedelijking.

   Met name is niet duidelijk om welke reden een gebied van 166 hectare binnen de contour is gebracht nu het beoogde oppervlak van het te ontwikkelen bedrijventerrein ongeveer 40 hectare is, wat er ook zij van de aanvaardbaarheid van deze ontwikkeling bezien vanuit het rijksbeleid. De stelling dat de contour ruim is getrokken omdat nog niet bekend is waar precies in dit gebied het bedrijventerrein zal komen is in het licht van de uitgangspunten van zowel het rijks- als het provinciale beleid niet consistent. Hierbij kan ook worden gewezen op de tegenstrijdigheid hiervan met de systematiek die is gehanteerd ten aanzien van de zogenoemde transformatiegebieden, waarbij de begrenzing in afwachting van de nadere afweging inzake verstedelijking zo krap mogelijk is getrokken.

   Daarnaast zijn verweerders niet ingegaan op de stelling van appellante dat het gebied gelet op de bijzondere natuurwaarden vrij van verstedelijking dient te blijven. Blijkens het besluit hebben zij een onderzoek naar het voorkomen van natuurwaarden in het gebied in het geheel doorgeschoven naar het bestemmingsplanniveau. Daarmee heeft bij het bepalen van de begrenzing van de contour geen afweging plaatsgevonden tussen de belangen die gediend zijn met de mogelijkheid tot verstedelijking van het gebied en de belangen die gediend zijn bij het vrijwaren van het gebied van verstedelijking. Om deze afweging mogelijk te maken had een onderzoek naar de natuurwaarden, met name nu aannemelijk is dat ter plaatse waarden aanwezig zijn, niet mogen ontbreken.

   2.13.5.    Gelet op al het voorgaande is de begrenzing van de rode contour ter hoogte van de Oostvlietpolder niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en berust het besluit op dit punt niet op een deugdelijke motivering. Het beroep is in zoverre gegrond en het besluit dient in zoverre wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd."

En aangaande de gronden tussen de Vrouwenvaart en de Europaweg is het volgende overwogen:

   "2.14.1.    Verweerders stellen dat het gebied feitelijk in het buitengebied ligt. Het bestemmingsplan laat woningbouw ter plaatse toe maar dateert uit 1960 zodat dit niet langer de recente inzichten over een goede ruimtelijke ordening weergeeft, met name wat betreft geluidhinder. Ook de gemeente Leiden heeft in het nieuwe bestemmingsplan geen mogelijkheden tot verstedelijking opgenomen, aldus verweerders.

   2.14.2.    De gronden liggen in de Oostvlietpolder ingeklemd tussen de Vrouwenvaart, de Europaweg en de Kruisherenweg aan de zuidkant van Leiden. De strook is ongeveer 700 bij 150 meter. De gronden zijn grotendeels onbebouwd en worden gebruikt als weiland.

   Het gebied kan daarom niet worden aangemerkt als bestaand stedelijk gebied. Niet in geding is dat het geldende bestemmingsplan "Vrouwenweg/Vlietweg" vastgesteld in 1960 woonbebouwing toelaat. Het niet opnemen van dit gebied binnen de contour is derhalve op dit punt niet in overeenstemming met de uitgangspunten van het streekplan. Verweerders hebben zich echter in dit geval in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aan het bestaan van deze bouwmogelijkheden in het geldende bestemmingsplan, gelet op de ouderdom van dit plan, geen grote betekenis behoeft te worden toegekend.

   2.14.3.    De Afdeling ziet evenwel desondanks aanleiding tot gegrondverklaring van het beroep over te gaan. Zij overweegt hiertoe dat, gelet op het verhandelde ten aanzien van het beroep van de Vereniging Vrienden Oostvlietpolder, het besluit wat betreft de begrenzing van de contour rond de Oostvlietpolder zoals in het streekplan opgenomen wordt vernietigd.

   Gelet op de stukken hangt de afweging omtrent de door appellante bedoelde strook grond in sterke mate samen met de afweging omtrent de gehele Oostvlietpolder. Zo is ter zitting gebleken dat de strook grond met name moet gaan dienen als buffer tussen de polder Cronestein en het binnen de contour opgenomen gedeelte van de Oostvlietpolder.

   Gelet op de samenhang tussen de strook grond en het overige deel van de Oostvlietpolder en hetgeen daaromtrent is overwogen ten aanzien van het beroep van de Vereniging Vrienden Oostvlietpolder is het besluit ook ten aanzien van [appellante sub 3] niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en berust het besluit in zoverre niet op een deugdelijke motivering.

   2.14.4.    Het beroep van [appellante sub 3] is gegrond. Het besluit dient in zoverre wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd."

Het oordeel van de Afdeling

2.10.    De Afdeling stelt thans wederom voorop hetgeen in overweging 2.13.2. van de hiervoor aangehaalde uitspraak van 21 juli 2004 is overwogen. Hoe het gebied binnen de rode contouren zal worden ingericht en of hier ook daadwerkelijk verstedelijking zal plaatsvinden, wordt in dit geval niet op streekplanniveau vastgelegd, maar dient op het niveau van het bestemmingsplan nader te worden ingevuld en dient dan ook in dat kader aan de orde te worden gesteld. De betekenis van een rode contour in dit verband is gelegen in de daarmee vastgelegde beslissing dat het streekplan in beginsel niet aan verstedelijking binnen die contour in de weg staat.

2.11.    Voor zover appellanten hebben aangevoerd dat de ligging van de rode contour in strijd is met het rijksbeleid en het provinciaal beleid inzake het weren van verstedelijking, overweegt de Afdeling het volgende.

Door partijen zijn bij nadere memorie en ter zitting over en weer argumenten aangevoerd die verband houden met de status van de Oostvlietpolder in de planologische kernbeslissing Nota Ruimte. Wat daar verder van zij, in deze nota is geen ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geldend rijksbeleid neergelegd, zodat deze argumenten verder buiten beschouwing kunnen blijven.

2.11.1.    Onder verwijzing naar hetgeen in de uitspraak van 21 juli 2004 is overwogen, stelt de Afdeling vast dat niet in geschil is dat het ten tijde van het bestreden besluit geldende rijksbeleid, neergelegd in de Planologische Kernbeslissing Nationaal Ruimtelijk Beleid (PKB NRB) behorende bij de Actualisering van de Vierde nota over de ruimtelijke ordening Extra (Vinac), is gericht op vrijwaren van het in geding zijnde gebied van verstedelijking. Hiervan kan echter, mits gemotiveerd, worden afgeweken.

   In dit verband hebben verweerders zich, onder verwijzing naar de paragrafen 3.4. en 4.2.5, en G.2. van het streekplan en thema 4 van deel 1 van de Nota van Beantwoording op de bedenkingen tegen het ontwerpstreekplan, op het standpunt gesteld dat de behoefte aan nieuwe locaties voor bedrijventerreinen in de regio Leiden groot is. Het streekplan komt, in tegenstelling tot de voorgaande streekplannen, slechts gedeeltelijk aan de vraag naar nieuwe bedrijventerreinen tegemoet. Uit de genoemde passages blijkt dat het provinciaal beleid is gericht op duurzame herstructurering en intensivering van de reeds bestaande bedrijventerreinen en het optimaliseren van resterende nog uitgeefbare gronden. Gelet op de berekening van de vraag en het aanbod in de Leidse regio in de periode 2000-2015 en de periode 2015-2020 is er echter een tekort van 100, respectievelijk 35 netto hectare bedrijventerrein. Gelet op de behoefte is het niet mogelijk om alle nieuwe bedrijventerreinen in het bestaand stedelijk gebied te realiseren. De locatie Oostvlietpolder wordt in het streekplan genoemd als nieuwe locatie.

   Het standpunt dat er een groot tekort is aan bedrijventerreinen in Leiden en omgeving is verder onderbouwd met de onderzoeken "Actualisatie nieuwe behoefte bedrijventerreinen Leidse regio, stand van zaken 2003" en "Quick scan behoefteraming bedrijventerrein Leidse regio en duin- en bollenstreek 2002" van onderzoeksbureau Ecorys-NEI.

In het laatstgenoemd onderzoek is zowel een lage als een midden- en een hoge raming vastgesteld. De zogenoemde uitgiftemethode is toegepast voor de lage raming en de zogenoemde terreinquotiëntenmethode is toegepast voor de vaststelling van de middenraming en de hoge raming. In de laatstvermelde methode wordt rekening gehouden met groeifactoren als economische groei, conjunctuur en werkgelegenheid. Gelet hierop treft het argument van appellanten, dat sprake is van een economische recessie en dat de behoefteraming in zoverre niet actueel is, geen doel. In het streekplan is neergelegd dat de vraag naar nieuwe bedrijventerreinen niet volledig wordt gehonoreerd, zodat binnen de rode contouren geen ruimte wordt geboden om tegemoet te komen aan de ruimtebehoefte volgens de hoge raming. Vanwege een tekort aan uitgeefbaar terrein is de uitgifte van gronden in de Leidse regio in de periode 1991-2000 laag geweest. De historische uitgifte geeft daarom in dit geval een onjuist beeld van de vraag in die periode. Gelet hierop is evenmin uitgegaan van de lage raming.

Bij de vaststelling van de contour is daarom uitgegaan van de middenraming.

De actualisering uit 2003 geeft aan dat er een verschil zit tussen vraag en aanbod van 115 hectare netto tot 2015. Ter zitting is gebleken dat het verschil thans nog iets groter is.

   Voor zover appellanten stellen dat een bedrijventerrein in de Oostvlietpolder gedeeltelijk zal worden benut voor de verplaatsing van bestaande bedrijven uit de kern van Leiden en dat het bedrijventerrein niet nodig zou zijn als van verplaatsing wordt afgezien, is ter zitting gebleken dat verplaatsing uit de kern nodig is vanwege milieuhinder en de mate van overlast vanwege sommige bedrijven. Verweerders hebben zich in dit verband in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat bij de bepaling van de omvang van de rode contour is gekeken naar de behoefte aan verstedelijking en dat het in zoverre in beginsel niet uitmaakt waar binnen de contour ruimte wordt geboden aan woningbouw en waar aan bedrijventerreinen.

   Voor zover appellanten wijzen op verschillen in uitkomsten tussen de genoemde onderzoeken en een door hen genoemde behoefteraming van het Centraal Planbureau, overweegt de Afdeling dat, wat daar van zij, op grond van de cijfers van het Centraal Planbureau eveneens kan worden geconcludeerd dat de behoefte aan bedrijventerreinen zodanig is dat verweerders ruimte kunnen bieden aan de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen.

   In hetgeen appellanten overigens met betrekking tot de gehanteerde onderzoeken hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de door verweerders gehanteerde onderzoeken zodanige gebreken of leemten in kennis bevatten dat deze niet aan het bestreden besluit ten grondslag konden worden gelegd.

2.11.2.    De Oostvlietpolder is volgens verweerders in de regio Leiden de meest geschikte locatie voor de vestiging van een nieuw bedrijventerrein in het buitengebied. Het gebied ligt tussen het bestaande stedelijk gebied en de A4, tegen het bestaande stedelijk gebied aan. Het is een locatie die goed en snel kan worden ontsloten op de A4 en waar voldoende afstand tot woonbebouwing kan worden aangehouden om hinder te voorkomen.

Door ruimte te bieden aan verstedelijking in een deel van de Oostvlietpolder kan aantasting van andere, meer gevoelige gebieden worden voorkomen. In dat verband kan worden vastgesteld dat het bestaande stedelijk gebied van Leiden aan de noord- en oostzijde strak wordt begrensd door het Groene Hart, zodat de aanleg van een bedrijventerrein daar is uitgesloten. Aan de westzijde zijn er ontwikkelingsmogelijkheden op de locaties Rijnfront Zuid en Kleij Oost. Beide locaties zijn in het streekplan aangegeven en bij de berekening van de behoefte is al rekening gehouden met de realisatie van deze nieuwe bedrijventerreinen. Daarnaast worden er ontwikkelingsmogelijkheden voorzien op de huidige locatie van Vliegbasis Valkenburg. De ontwikkelingsmogelijkheden aldaar zijn echter thans onvoldoende zeker. Desondanks is er bij de berekening van het aanbod van uit gegaan dat ook daar een bedrijventerrein kan worden gerealiseerd. Aan de zuidzijde ligt het landelijk gebied van Wassenaar en de zogenoemde Duivenvoordecorridor, zodat de aanleg van een bedrijventerrein daar is uitgesloten. Verder kan in aanmerking worden genomen dat uit het streekplan blijkt dat er vooral een tekort is aan vestigingsmogelijkheden voor milieuhinderlijke bedrijvigheid (categorie 4 en 5). Voor deze bedrijven moeten geschikte terreinen blijven bestaan en, in verband met saneringen elders, ontwikkeld worden. De Oostvlietpolder wordt vanwege de locatiekenmerken als mogelijkheid in de regio Leiden genoemd.    

2.11.3.    Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de behoefte aan een bedrijventerrein op deze locatie voldoende aannemelijk is. In dat verband hebben verweerders voorts de ligging van de contour, waarmee wordt afgeweken van het genoemde rijksbeleid, voldoende gemotiveerd.

2.11.4.    Voorts hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de ligging van de contour zich verdraagt met de uitgangspunten van het provinciale beleid inzake verstedelijking. Hierbij kan worden betrokken dat de rode contouren in de eerste plaats zijn getrokken rond bestaand stedelijk gebied, met daaraan toegevoegd de gebieden waarop bebouwing mogelijk is op grond van geldende bestemmingsplannen en onherroepelijke bouwvergunningen. Daarnaast zijn echter binnen de contour gebieden opgenomen die ruimte moeten bieden voor op grond van in het streekplan geaccordeerde landschappelijke en stedenbouwkundige aanpassingen alsook ruimte voor verstedelijkingsopgaven. Het laatste doet zich hier volgens verweerders voor. In dat verband wordt verwezen naar de aanduiding "Bedrijventerrein" in het streekplan, dat aan het gedeelte van de Oostvlietpolder dat thans binnen de rode contour is gelegen is toegekend. Ten opzichte van het oorspronkelijke streekplan is de rode contour in het thans bestreden besluit aanzienlijk verkleind. De ligging van de rode contour komt thans overeen met de genoemde aanduiding in het streekplan. Het gebied dat thans binnen de rode contour is gebracht bedraagt ongeveer 40 hectare tegenover 166 hectare in het oorspronkelijke streekplan. Zoals in Kernpunt 60 van het streekplan is vermeld, willen verweerders de Oostvlietpolder gedeeltelijk benutten voor een bedrijventerrein. Voorts staat in Kernpunt 64 dat er voldoende aanbod en behoud van bestaande vestigingsmogelijkheden voor milieuhinderlijke bedrijvigheid moet zijn op daartoe geschikte bestaande of nog aan te leggen bedrijventerreinen. Hierbij wordt onder meer de locatie Oostvlietpolder genoemd.

2.11.5.    In hetgeen appellanten overigens op dit punt hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond om het plan in strijd te achten met het genoemde rijks- of provinciaal beleid inzake verstedelijking.

2.12.    Voor zover appellanten stellen dat de natuurwaarden in de Oostvlietpolder onvoldoende zijn onderzocht, overweegt de Afdeling als volgt. Bij het vaststellen van de begrenzing van de onderhavige rode contour, die bepalend is voor de vraag op welke gronden verstedelijking in het geheel moet worden uitgesloten, dient een afweging plaats te vinden tussen de belangen die zijn gediend met de mogelijkheid tot verstedelijking van het gebied en de belangen die zijn gediend met het vrijwaren van het gebied van verstedelijking. Hoewel onderzoek naar de natuurwaarden daarom - zoals de Afdeling in haar uitspraak van 21 juli 2004 heeft overwogen - niet mocht ontbreken, behoeft het in dit geval minder gedetailleerd te zijn dan op het bestemmingsplanniveau. Thans moet slechts de vraag kunnen worden beantwoord of sprake is van natuurwaarden, die zodanig zijn dat verstedelijking in het geheel niet kan worden toegestaan, dan wel dat verstedelijking - afgezien van de vraag in welke vorm en in welke omvang, hetgeen immers een afweging op bestemmingsplanniveau vergt - niet uitgesloten moet worden geacht.

Met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende onderzoek heeft plaatsgevonden naar de in het plangebied aanwezige natuurwaarden.

   In dit verband blijkt uit het bestreden besluit dat verweerders zich hebben gebaseerd op bijlage 7 Flora en Fauna van het in overweging 2.9.3. genoemde bestemmingsplan "Oostvlietpolder" van de gemeente Leiden. In het kader van de bestemmingsplanprocedure heeft onderzoek plaatsgevonden naar de in de Oostvlietpolder aanwezige natuurwaarden.

In 2002 heeft een inventarisatie plaatsgevonden en in dat kader is gebleken dat als gevolg van het intensieve agrarisch gebruik van de gronden en de daarmee samenhangende mineralenoverschotten, en het peilbeheer dat heeft geleid tot verdroging van de veenbodem, de natuurwaarden relatief gering zijn. In 2004 heeft een aanvullend onderzoek plaatsgevonden, waarin de conclusies van het eerste onderzoek zijn bevestigd. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat de door verweerders gehanteerde onderzoeken zodanige gebreken of leemten in kennis bevatten dat deze niet aan het bestreden besluit ten grondslag konden worden gelegd. De omstandigheid dat de goedkeuring van het genoemde bestemmingsplan inmiddels door de Afdeling is vernietigd betekent niet dat de daaraan ten grondslag gelegde onderzoeken met betrekking tot natuurwaarden niet door verweerders bij het bestreden besluit mochten worden betrokken.

   Blijkens de stukken bestaat het gedeelte van de Oostvlietpolder waar verstedelijking niet wordt uitgesloten thans voor het overgrote deel uit nat grasland. Het gebied noch de omgeving daarvan zijn aangewezen als beschermd natuurmonument of als speciale beschermingszone. Het gebied maakt ingevolge de planologische kernbeslissing Structuurschema Groene Ruimte of het streekplan evenmin onderdeel uit van de ecologische hoofdstructuur. De Oostvlietpolder is wel gedeeltelijk onderdeel van het zogenoemde groenblauwe raamwerk, zoals nader aangegeven op kaart 3 van het streekplan. Hierop is een gedeelte van de Oostvlietpolder aangeduid als "Openluchtrecreatiegebied of stedelijk groen". Uit overweging 2.9.2. blijkt echter dat deze aanduiding niet aan verstedelijking in de weg staat.

   In het kader van de eerdervermelde belangenafweging hebben verweerders de rode contour aanmerkelijk verkleind. Het gebied waarin verstedelijking niet is uitgesloten is teruggebracht tot het gedeelte van de Oostvlietpolder waar aan de natuurwaarden relatief het minste gewicht behoeft te worden toegekend. Het gedeelte van de Oostvlietpolder waar aan de natuurwaarden relatief het grootste gewicht kan worden toegekend, en dat van betekenis is voor de door appellanten genoemde weidevogels, is thans buiten de rode contour gebracht, zodat verstedelijking daar is uitgesloten. Uit het bestreden besluit blijkt dat het verlies van natuurwaarden zal worden gecompenseerd met een graslandreservaat in het gedeelte van de Oostvlietpolder met in potentie de grootste natuurwaarden. Het betreft de drassige gronden die het laagst gelegen zijn. Aldaar zal onder meer aangepast maai- en peilbeheer plaatsvinden. Voorts zal een ecologische verbindingszone worden aangelegd in de vorm van een natte biotoop. De kwaliteit van de natuurwaarden in de Oostvlietpolder wordt hierdoor verhoogd.

   Uit de stukken blijkt dat in het gebied planten- en diersoorten voorkomen die ingevolge de Flora- en faunawet zijn beschermd. Niet gebleken is dat de aangetroffen soorten zonder meer aan elke vorm van verstedelijking in de weg staan. Afhankelijk van de invulling van het gebied op bestemmingsplanniveau zal moeten worden bezien of een ontheffing, indien nodig, kan worden verleend en of de Flora- en faunawet in zoverre aan de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan in de weg staat. Eén en ander is in de onderhavige procedure niet aan de orde nu, zoals eerder overwogen, de rode contour geen bindende werking heeft ten aanzien van de invulling van het gebied.

   Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de informatie met betrekking tot natuurwaarden in de Oostvlietpolder die verweerders aan het bestreden besluit ten grondslag hebben gelegd voldoende is om een afweging te kunnen maken tussen de belangen die zijn gediend met de mogelijkheid tot verstedelijking van het gebied en de belangen die zijn gediend met het vrijwaren van het gebied van verstedelijking.

Voorts hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de natuurwaarden die zijn aangetroffen er niet toe nopen dat verstedelijking in het desbetreffende gedeelte van de Oostvlietpolder volledig uitgesloten dient te worden. Dat neemt niet weg dat op het niveau van het bestemmingsplan dient te worden bezien of bij de toekenning van concrete bestemmingen aan dit gebied aan de natuurwaarden voldoende gewicht wordt toegekend.

2.13.    Ingevolge het Besluit luchtkwaliteit dienen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, behoudens voor zover de betrokken wettelijke regeling zich daartegen verzet, de in het Besluit gestelde grenswaarden in acht te nemen. De vaststelling van een concrete beleidsbeslissing in een streekplan kan onder omstandigheden worden aangemerkt als de uitoefening van een bevoegdheid die gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, indien en voor zover in dat streekplan een ruimtelijke ontwikkeling op bindende wijze wordt vastgelegd. Of zich gevolgen voor de luchtkwaliteit kunnen voordoen hangt af van de formulering en de strekking van de desbetreffende concrete beleidsbeslissing.

   De Afdeling overweegt, onder verwijzing naar overweging 2.10., dat de in geding zijnde concrete beleidsbeslissing een verstedelijkingscontour met een werend karakter betreft. Anders dan bij een concrete beleidsbeslissing waarin de functie van een gebied bindend is vastgelegd in het streekplan, is in dit geval, anders dan appellanten stellen, niet dwingend in het streekplan neergelegd dat de Oostvlietpolder als bedrijventerrein dient te worden ingericht. Eerst in een bestemmingsplan wordt de functie van het desbetreffende gebied, naar in dit geval uit de stukken en ter zitting is gebleken gedeeltelijk als bedrijventerrein, op een juridisch bindende wijze vastgelegd. Alsdan dient te worden onderzocht en inzichtelijk gemaakt wat de gevolgen van de in het gebied neergelegde bestemmingen zijn voor de luchtkwaliteit.

   Van de uitoefening van een bevoegdheid die gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit is bij het nemen van de voorliggende concrete beleidsbeslissing, gelet op de formulering en strekking daarvan, geen sprake. Hieruit volgt dat strijd met het Besluit luchtkwaliteit zich hier niet voordoet.

2.14.    Zoals in overweging 2.9.2. is aangegeven is de Vlietweg in het streekplan aangeduid als "Bebouwingslint met cultuurhistorische waarde". Het desbetreffende gedeelte van de Vlietweg met deze aanduiding ligt binnen de onderhavige rode contour. De Afdeling volgt appellanten niet in hun stelling dat de vaststelling van de onderhavige rode contour in strijd is met de genoemde aanduiding. De Afdeling wijst er hierbij op dat de concrete beleidsbeslissing verstedelijking buiten de rode contour uitsluit. Over het beleid voor de binnen de rode contour gelegen gronden zijn in de concrete beleidsbeslissing geen bindende bepalingen neergelegd. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat er, gelet op de cultuurhistorische waarde van de lintbebouwing aan de Vlietweg, geen enkele vorm van verstedelijking mogelijk is. In dat verband is ter zitting gebleken dat er vanwege de cultuurhistorische waarde voldoende afstand zal worden aangehouden tot de Vlietweg, zodat van onevenredige aantasting geen sprake hoeft te zijn. Eén en ander zal in de bestemmingsplanprocedure nader kunnen worden bezien.

2.15.    Ten aanzien van het beroep van [appellante sub 3], waarin wordt gesteld dat de gronden tussen de Europaweg en de Vrouwenvaart ten onrechte buiten de contour zijn gelaten, wijst de Afdeling op hetgeen zij in overweging 2.14.2. van de uitspraak van 21 juli 2004 heeft overwogen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding om thans tot een ander oordeel te komen.

   Verweerders hebben zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aan het bestaan van bouwmogelijkheden in het geldende bestemmingsplan, gelet op de ouderdom van dit plan, geen grote betekenis behoeft te worden toegekend. Voorts hebben verweerders ter motivering van de ligging van de contour in redelijkheid van doorslaggevend belang kunnen achten dat het geen stedelijk gebied betreft maar een gebied met een overwegend agrarische functie en dat de strook grond moet gaan dienen als buffer tussen de polder Cronestein, die een recreatieve functie heeft, en het binnen de contour opgenomen gedeelte van de Oostvlietpolder.

   De stelling van appellante dat het streekplan ten onrechte is aangepast aan het bestemmingsplan, wat daar van zij, treft geen doel omdat dit niet betekent dat in dit geval geen zelfstandige afweging op streekplanniveau heeft plaatsgevonden. Thans staat alleen ter beoordeling of verweerder de belangen die zijn gediend met de mogelijkheid tot verstedelijking van het gebied en de belangen die zijn gediend bij het vrijwaren van het gebied van verstedelijking voldoende tegen elkaar heeft afgewogen. Zoals uit al het vorenoverwogene kan worden opgemaakt is dit het geval. Het beroep van appellante treft in zoverre geen doel.

2.16.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen van de Vereniging Vrienden Oostvlietpolder, de Vereniging Bewoners Vrouwenweg en [appellante sub 3] zijn ongegrond.

De Zilk

Het standpunt van appellant

2.17.    [appellant sub 4] richt zich in beroep tegen de vaststelling van de nieuwe contour rond Noordwijkerhout (De Zilk). Doordat de contour thans op de Regenvlietweg is gelegd kan een bouwplan voor zes woningen op een appellant in eigendom toebehorend perceel niet worden uitgevoerd, waardoor appellant niet de financiële middelen krijgt voor een efficiënte bedrijfsvoering van zijn agrarisch bedrijf. De belangen van appellant zijn niet meegewogen in het besluit tot vaststelling van de contour. De gronden vallen volgens appellant buiten het Pact van Teylingen, zodat geen sprake is van strijd met dit Pact. De door appellant gewenste bebouwing zorgt voor afronding van de kern de Zilk en voor goede doorstroommogelijkheden.

Het standpunt van verweerder

2.18.    Bij de Zilk is de contour aangepast overeenkomstig de grenzen van het bestaande stedelijk gebied, omdat er onvoldoende zwaarwegende gronden zijn om van het Pact van Teylingen af te wijken. Als gevolg hiervan kan geen medewerking worden verleend aan de voorgenomen bouw van zes nieuwe woningen op bestaande bollengrond langs de Regenvlietweg.

Vaststelling van de feiten

2.19.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.19.1.    Het Pact van Teylingen, waarin afspraken zijn gemaakt over onder meer verstedelijkingsmogelijkheden, heeft een rol gespeeld bij de begrenzing van de rode contouren in het streekplan en is in zoverre in de uitgangspunten voor de vaststelling van de rode contouren verwerkt. In afspraak D1 uit het Pact van Teylingen is vermeld dat geen woningbouw mag plaats vinden op hoogwaardige bollengrond. Het beleid is gericht op het spaarzaam toestaan van bebouwingsmogelijkheden.

2.19.2.    In de uitspraak van 21 juli 2004 heeft de Afdeling over de de contour rond De Zilk het volgende overwogen:

   "2.8.    [partijen] richten zich in beroep tegen de ligging van de rode contour rond De Zilk. Zij stellen dat ten onrechte een deel van het bestaande bollenland aan de oostzijde van de Regenvlietweg binnen deze contour ligt. Zij wensen dat de contour wordt teruggeplaatst naar de Regenvlietweg overeenkomstig het ontwerp- streekplan.

   2.8.1.    Verweerders stellen dat het terugleggen van de contour zoals door appellanten voorgestaan niet wenselijk is, aangezien dit een van de weinige (kleine) uitbreidingsmogelijkheden van de kern De Zilk is en er al enige tijd het voornemen is om daadwerkelijk tot bebouwing over te gaan.

   2.8.2.    In het verweerschrift en ter zitting hebben verweerders zich op het standpunt gesteld dat de contour ten onrechte afwijkt van de contour zoals die in het vorige streekplan was opgenomen. In dat streekplan lag de contour enkele tientallen meters oostelijk van de Regenvlietweg, maar minder oostelijk dan de contour die thans in het streekplan is opgenomen. Volgens verweerders is dit de contour die in het plan had moeten worden opgenomen. Nu verweerders zich ten aanzien van de ligging van deze contour op een ander standpunt stellen dan zij in het bestreden besluit hebben gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

   2.8.3.    Voorzover appellanten ervoor pleiten de contour, ten opzichte van de bebouwingscontour in het vorige streekplan, verder terug te leggen tot aan de Regenvlietweg overweegt de Afdeling als volgt. De strook gronden tussen het noordelijke deel van de Regenvlietweg en de begrenzing van de contour in het vorige streekplan is in gebruik ten behoeve van bollenteelt en maakt deel uit van het grotere bollenareaal dat ten oosten van het noordelijke deel van de Regenvlietweg ligt. Op grond van het geldende bestemmingsplan bestaan geen verstedelijkingsmogelijkheden op de strook gronden. Evenmin bestaan deze op grond van een onherroepelijke bouwvergunning.

   Voorts behoeft het bollenareaal volgens afspraak A1 uit het Pact van Teylingen bescherming. In afspraak D1 uit het Pact van Teylingen is vermeld dat geen woningbouw mag plaats vinden op hoogwaardige bollengrond, in natuur- en de relatienotagebieden en binnen de landschapsbuffers/-zones. Blijkens de stukken heeft deze afspraak uit het Pact van Teylingen een rol gespeeld bij het bepalen van de begrenzing van de contouren. De contour rond De Zilk gaat evenwel ten koste van het bollenareaal, hoe beperkt dan ook. De Afdeling is van oordeel dat verweerders niet deugdelijk hebben gemotiveerd waarom zij niettemin de gronden binnen de contour hebben gebracht. Verweerders kunnen hiertoe niet zonder meer verwijzen naar de bebouwingscontour in het vorige streekplan. De enkele omstandigheid dat al enige tijd plannen in ontwikkeling zijn om over te gaan tot bebouwing van de gronden laat onverlet dat inzichtelijk dient te worden gemaakt in hoeverre het belang van verstedelijking van het gebied zwaarder dient te wegen dan het belang van het behoud van het bollenareaal. Het bestreden besluit berust wat dit onderdeel betreft niet op een deugdelijke motivering.

   2.8.4.    Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit wat betreft de begrenzing van de rode contour ten oosten van De Zilk nabij de Regenvlietweg is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en daarnaast niet berust op een deugdelijke motivering.

   Het beroep van [partijen] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht."

2.19.3.    Het gebied waarlangs de rode contour uit het streekplan door de Afdeling is vernietigd ligt aan de oostzijde van de Zilk, direct grenzend aan de Regenvlietweg tussen de Sint Jacobstraat en de Zilkerduinweg. In het zuidelijk deel van dit gebied staan direct langs de Regenvlietweg woningen, horeca en een tandartsenpraktijk. De noordzijde van het gebied is volledig in gebruik als bollengrond en als zodanig bestemd.

Ingevolge kaartblad 1a bij de partiële herziening van het streekplan (Contour Hillegom en De Zilk) is de contour bij De Zilk - in tegenstelling tot de contour in het streekplan - op het zuidelijk deel van de Regenvlietweg direct langs de perceelsgrens van de bebouwing en op het noordelijk deel van de Regenvlietweg direct op de Regenvlietweg gelegd zodat de gronden van appellant thans buiten de contour liggen. Verstedelijking is daarom in beginsel uitgesloten.

Het oordeel van de Afdeling

2.20.    Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn gronden buiten de reikwijdte van het Pact van Teylingen vallen. Blijkens overweging 2.19.3. is de noordzijde van het gebied volledig in gebruik als bollengrond en als zodanig bestemd. Naar aanleiding van de voornoemde uitspraak van de Afdeling van 21 juli 2004 hebben verweerders de onderhavige situatie opnieuw bekeken en geoordeeld dat het zakelijk belang van appellant onvoldoende zwaar weegt om een afwijking van het Pact van Teylingen te rechtvaardigen. De Afdeling acht dit standpunt, gelet op het belang van het behoud van het bollenareaal dat is neergelegd in het Pact van Teylingen en dat heeft gediend als een van de uitgangspunten bij de begrenzing van de rode contouren in het streekplan, niet onredelijk.

   Het gemeentebestuur zou in beginsel medewerking willen verlenen aan de wens van appellant om te voorzien in de mogelijkheid van de bouw van zes woningen op zijn gronden. Hierbij is aangegeven dat het bouwplan van belang is voor het op peil houden van het voorzieningenniveau van De Zilk. Verweerders hebben zich echter, afgewogen tegen het belang van het behoud van het bollenareaal en gelet op de omstandigheid dat het slechts zes woningen betreft, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aan het behoud van het voorzieningenniveau in dit geval geen doorslaggevend gewicht behoeft te worden toegekend.

   Voor zover appellant heeft aangevoerd dat het bouwplan een onlosmakelijk onderdeel vormt van een zogenoemde carrousel van bouwplannen in de Zilk, waarbij verliezen op het ene bouwplan verevend zouden worden met de winsten van andere bouwplannen, overweegt de Afdeling dat, wat daar verder van zij, deze omstandigheid geen rol speelt bij de beoordeling op streekplanniveau van de vraag of verstedelijking al dan niet dient te worden uitgesloten. Ook de omstandigheid dat met het bouwplan de kern De Zilk stedenbouwkundig kan worden afgerond hebben verweerders in redelijkheid, afgewogen tegen het belang van het behoud van het bollenareaal, van onvoldoende gewicht kunnen achten.

   De belangen van appellant zijn voldoende meegewogen bij de vaststelling van de ligging van de contour. Verweerders hebben zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in dit geval onvoldoende redenen bestaan om het belang van het behoud van het bollenareaal niet te laten prevaleren.

2.21.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders in zoverre niet in redelijkheid tot het bestreden besluit hebben kunnen komen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 4] is ongegrond.

Proceskosten

2.22.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin    w.g. Van Dorst

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2006

357.