Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW4011

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-04-2006
Datum publicatie
26-04-2006
Zaaknummer
200505160/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 november 2004 heeft de gemeenteraad van Amerongen, thans de gemeenteraad van Utrechtse Heuvelrug, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 oktober 2004, het bestemmingsplan "Bedrijventerrein" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200505160/1.

Datum uitspraak: 26 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"Cash Beheer B.V.", gevestigd te Amerongen,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2004 heeft de gemeenteraad van Amerongen, thans de gemeenteraad van Utrechtse Heuvelrug, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 oktober 2004, het bestemmingsplan "Bedrijventerrein" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 31 mei 2005, no. 2005REG001336i, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 15 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen op 15 juni 2005, beroep ingesteld.

Verweerder heeft binnen de hem gestelde termijn geen verweerschrift ingediend.

[partij] is als partij tot het geding toegelaten.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verweerder en de gemeenteraad. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. Appellante heeft op deze stukken een reactie ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van appellante. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 april 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door [directeur] en verweerder, vertegenwoordigd door F.L.H.G. Assmann, ambtenaar der provincie, zijn verschenen. Voorts is daar als partij gehoord de gemeenteraad van Utrechtse Heuvelrug, vertegenwoordigd door mr. R.J. Lievaart, ambtenaar der gemeente.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

         De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het plan

2.3.    Het plan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor het bestaande bedrijventerrein ten westen van de kern Amerongen. Het plan is met name conserverend van aard, maar is tevens gericht op herstructurering en revitalisering van het gebied. Daartoe zijn reeds aanwezige maar minder gewenst geachte functies zoveel mogelijk van een specifieke bestemming voorzien.

Het standpunt van appellante

2.4.    Appellante stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" en de aanduiding 'gassenhandel' naast haar perceel. Nu het plan de voortzetting van de gassenhandel mogelijk maakt, meent zij in de exploitatie van haar bedrijfsgebouwen te worden beperkt vanwege de in acht te nemen afstand tot de gassenhandel, dat volgens appellante een zogenoemd categorie 4-bedrijf is als bedoeld in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure).

2.4.1.    Voorts stelt appellante dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" betreffende haar perceel. Appellante wenst haar bedrijfsgebouwen, die zij hoofdzakelijk voor de opslag van diverse goederen verhuurt, tevens te verhuren voor horeca- en recreatiedoeleinden. Zij merkt op dat een sportschool in het plan ook een specifieke horecabestemming heeft gekregen.

2.4.2.    Verder acht appellante het plan in strijd met het provinciaal ruimtelijk beleid zoals neergelegd in het streekplan. Voor zover het plan in overeenstemming is met het streekplan, stelt zij dat het plangebied ten onrechte in het streekplan is aangeduid als 'bedrijvenmilieu algemeen' in plaats van 'gemengd woon/werkmilieu'. Het provinciaal beleid is daarmee in strijd met de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening, omdat het bedrijventerrein naar haar stelling als 'landelijk-dorps' als in deze nota getypeerd dient te worden.

Ook stelt zij dat een groot aantal bedrijven uit de categorieën 1 en 2 als bedoeld in de VNG-brochure ten onrechte niet is opgenomen in de bij het plan behorende staat van bedrijfsactiviteiten. Nu appellante door het plan is beperkt in de gebruiksmogelijkheden van haar bedrijfsgebouwen, acht zij het plan tevens in strijd met het Stimuleringsprogramma Intensief Ruimtegebruik, dat is gericht op het combineren van functies en het medegebruik van gebouwen.

Het bestreden besluit

2.5.    Verweerder heeft geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan goedgekeurd.

Verweerder acht het plan in overeenstemming met het streekplan en het daarin neergelegde locatiebeleid. Indien een gemengd woon-/werkmilieu zou worden nagestreefd, zouden volgens hem juist meer en onaanvaardbare beperkingen worden gesteld aan de uitoefening van de reeds bestaande en toekomstige bedrijfsactiviteiten op het bedrijventerrein. Verder is er volgens verweerder geen sprake van strijd met het rijksbeleid.

Voorts stelt hij dat de gassenhandel zich legaal heeft gevestigd en uitgebreid op de betreffende gronden en is ingepast in het voorheen geldende bestemmingsplan. De specifieke bestemmingsregeling voor de gassenhandel in het onderhavige plan acht hij toereikend.

Verder stelt verweerder dat de beperkingen voor de door appellante gewenste bedrijfsactiviteiten slechts indirect en in geringe mate verband houden met de aanwezigheid van de gassenhandel en voor alle bedrijven in het plangebied gelden. De samenstelling van de staat van bedrijfsactiviteiten acht verweerder voldoende toegelicht en beargumenteerd in de plantoelichting.

Vaststelling van de feiten

2.6.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.6.1.    Ingevolge artikel 4, eerste lid, onder a, van de voorschriften bij het plan zijn de gronden die zijn aangewezen als "Bedrijfsdoeleinden" bestemd voor bedrijven die zijn genoemd in de categorieën 1 en 2 van de staat van bedrijfsactiviteiten die als bijlage bij de voorschriften is opgenomen.

   Ingevolge artikel 4, eerste lid, onder h, van de voorschriften bij het plan zijn de gronden voorzien van de aanduiding 'gassenhandel', behalve voor het gebruik zoals omschreven in lid 1 sub a. t/m f. van dat artikel en met dien verstande dat de milieuhinder in de omgeving niet onevenredig toeneemt, tevens bestemd voor de opslag van en groothandel in gassen, met dien verstande dat indien het feitelijk gebruik van de betreffende gronden wordt gewijzigd in een andere, krachtens dit bestemmingsplan toegestane functie, een nieuwe functieverandering naar de opslag en groothandel van gassen niet meer is toegestaan.

       Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de voorschriften bij het plan zijn de gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" niet bestemd voor:

a. detailhandel, anders of elders dan de in lid 1 onder h. bedoelde (…) gassenhandel, en met uitzondering van productiegebonden detailhandel;

b. zelfstandige kantoren (…);

c. horeca;

d. geluidzoneringplichtige inrichtingen.

2.6.2.    Het "Streekplan 2005-2015" van de provincie Utrecht, vastgesteld op 13 december 2004, onderscheidt zeven vestigingsmilieus, te weten het nationaal stedelijk werkmilieu, het regionaal stedelijk werkmilieu, het gemengd woon-/werkmilieu, het specifiek voorzieningenmilieu, het algemeen bedrijvenmilieu, het specifiek ontsloten milieu en het specifiek kantoren-milieu. Het algemeen bedrijvenmilieu is bedoeld voor bedrijven die qua schaal of functioneren (milieuhinder of onveiligheid) niet passen in de directe woonomgeving. Het gaat daarbij om bedrijventerreinen aan de rand van of op afstand van de stad. Deze terreinen zijn geschikt voor lichtere bedrijfsvormen uit de milieucategorieën 2 en 3 en in specifieke gevallen categorie 4, aldus het streekplan. Het plangebied wordt op de kaart 6.5 B 'Vestigingsmilieus', behorende bij het streekplan, aangegeven met 'bedrijvenmilieu algemeen'.

Het streekplan situeert het gemengde woon-/werkmilieu in gebieden in steden en dorpen waar de woonfunctie dominant is. Het grondgebruik is hier weinig intensief en het mengen van wonen met andere kleinschalige functies wordt gewenst geacht. Hier liggen goede mogelijkheden voor het toevoegen van extra functies, zoals kleinschalige bedrijven, kantoren en leisure (sport en horeca) met een locale aantrekkingskracht, aldus het streekplan.

2.6.3.    Het "Stimuleringsprogramma Intensief Ruimtegebruik" van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu betreft een ten tijde van het bestreden besluit vervallen subsidieregeling voor projecten, gericht op het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit door zorgvuldiger en intensiever gebruik van de schaarse ruimte, vooral in stedelijk gebied.

2.6.4.    Het bedrijventerrein grenst aan de westzijde aan agrarisch gebied en wordt verder omgeven door woonbebouwing. In het plangebied bevinden zich enkele (bedrijfs)woningen.

De bedrijfsbebouwing op het perceel van appellante aan de Industrieweg 9 is in afzonderlijke ruimten opgedeeld en wordt door appellante aan een wisselend aantal bedrijven verhuurd voor verschillende bedrijfsactiviteiten. Direct naast het perceel van appellante aan de [locatie] is de gassenhandel van [partij] gevestigd. Tegenover de gassenhandel bevindt zich een sportschool annex praktijk voor fysiotherapie, die met een maatbestemming in het plan is opgenomen.

2.6.5.    Volgens de plantoelichting wordt de vestiging van publieksaantrekkende functies op het bedrijventerrein uitgesloten, omdat de daarmee gepaard gaande grotere verkeersstroom en parkeerbehoefte een beperking kunnen betekenen voor de uitbreidingsruimte van de omringende bedrijven.

De plantoelichting vermeldt dat vanwege de ligging van woningen op en rond het bedrijventerrein in beginsel bedrijven zijn toegestaan van milieucategorie 3 met een hindercirkel van maximaal 50 meter. Omdat de gassenhandel echter niet goed is onder te brengen in de bedrijfscategorieën die zijn opgenomen in de staat van bedrijfsactiviteiten is een individuele beoordeling van het bedrijf gemaakt. Ter vermijding van het zogenoemde groepsrisico in het kader van de externe veiligheid, moet worden voorkomen dat er binnen een straal van 80 meter rondom de gassenhandel nieuwe activiteiten worden ontplooid. Voorts is met de specifieke bestemming voor de gassenhandel in planologisch opzicht gewaarborgd dat er geen onacceptabele milieuhinder zal ontstaan voor omliggende woningen, aldus de plantoelichting.

2.6.6.    Blijkens de plantoelichting heeft ten behoeve van het plan een selectie plaatsgevonden van alle bedrijfstypen die zijn genoemd in de zogenoemde basiszoneringslijst van de VNG-brochure van 2001. Geschrapt is onder meer de bedrijvigheid die vanwege de geografische gesteldheid van het plangebied niet voorkomt en de bedrijven die zijn ingedeeld in de milieucategorieën met een hinderafstand van 100 meter en groter. De functies die vallen binnen het specifiek voorzieningenmilieu als bedoeld in het streekplan (ziekenhuizen, onderwijs- en zorginstellingen, discotheken en sportcomplexen en samenhangende bedrijfsactiviteiten) zijn eveneens niet opgenomen. Verder worden alleen bedrijven toegelaten met een lage arbeids- en/of bezoekers-intensiteit en een hoge auto-afhankelijkheid en/of een hoge afhankelijkheid van het goederenvervoer over de weg. De instellingen gericht op horeca, sport, cultuur en recreatie zijn daartoe geschrapt uit de staat van bedrijfsactiviteiten.

Het oordeel van de Afdeling

2.7.    Appellante heeft haar stelling dat het plan in strijd is met het provinciaal ruimtelijk beleid zoals neergelegd in het "Streekplan 2005-2015" van de provincie Utrecht niet nader onderbouwd. Voor zover appellante heeft gesteld dat het plangebied ten onrechte in het streekplan is aangeduid als 'bedrijvenmilieu algemeen' in plaats van 'gemengd woon/werkmilieu', overweegt de Afdeling dat de aard en situering van het bedrijventerrein zoals omschreven in 2.6.4. aansluit bij de in 2.6.2. genoemde omschrijving van het algemeen bedrijvenmilieu in het streekplan. Nu zich slechts enkele bedrijfswoningen bevinden in het plangebied en daarmee de woonfunctie niet dominant is, acht de Afdeling de stelling van appellante, dat het plangebied in het provinciaal beleid moet worden aangeduid als 'gemengd woon-/werkmilieu', niet juist. In hetgeen appellante verder heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het locatiebeleid van verweerder, zoals verwoord in het streekplan, onredelijk is. Verweerder kon mitsdien uitgaan van de aanduiding van het plangebied als algemeen bedrijvenmilieu.

2.7.1.    Ter zitting heeft appellante tevens aangevoerd dat de in 2.6.2. genoemde kaart 6.5 B 'Vestigingsmilieus' ten onrechte niet ter inzage heeft gelegen bij het ontwerp van het plan. Nu deze kaart bij het streekplan behoort, behoefde deze gelet op artikel 23 van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 3:11 van de Awb, niet ter inzage te worden gelegd bij de stukken van het onderhavige plan. Dit betoog kan daarom niet slagen.

2.7.2.    Ten aanzien van het betoog van appellante dat het plan, voor zover het in overeenstemming is met het streekplan, in strijd is met rijksbeleid, overweegt de Afdeling dat de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening nimmer in werking is getreden en dat het zogenoemde Stimuleringsprogramma Intensief Ruimtegebruik geen geldend planologisch beleid bevatte. Verweerder behoefde op beide dan ook geen acht te slaan bij het nemen van zijn besluit. Het betoog faalt derhalve.

2.8.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" en de aanduiding 'gassenhandel' in overeenstemming zijn met de bestaande legale situatie. Voorts is niet in geschil dat eventuele verplaatsing van de gassenhandel financieel niet uitvoerbaar is. Ook zijn de ruimtelijke omstandigheden sedert de planologische beoordeling bij de vestiging en uitbreiding van het bedrijf niet gewijzigd. Gelet op het bovenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen instemmen met een op de bestaande milieuhinder toegesneden bestemming van de gassenhandel.

2.9.    Voorts overweegt de Afdeling dat uit de planvoorschriften bij de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" reeds volgt dat de door appellante gewenste horeca- en recreatieactiviteiten op het gehele bedrijventerrein in beginsel niet zijn toegestaan. Het standpunt van verweerder, dat de beperkingen voor de door appellante gewenste bedrijfsactiviteiten, niet direct verband houden met de aanwezigheid van de gassenhandel, is derhalve juist.

Voor zover appellant ter zitting heeft aangevoerd dat het plan door deze beperkingen schade veroorzaakt voor appellante, kan zij - in geval van aantoonbare schade - een aanvraag tot schadevergoeding doen op grond van artikel 49 van de WRO.

Ten aanzien van de door appellante gewenste gebruiksmogelijkheden overweegt de Afdeling dat verweerder het mengen van horeca- en bedrijfsdoeleinden op het bedrijventerrein in redelijkheid niet gewenst heeft kunnen achten. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat op een bedrijventerrein in beginsel sprake is van een bepaalde mate van milieuhinder of gevaar en dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat op het bedrijventerrein zich enkele bedrijven van milieucategorie 3 en hoger bevinden.

Ten aanzien van de door appellante gemaakte vergelijking met de op het bedrijventerrein aanwezige sportschool overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat die situatie zodanig overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie op het perceel van appellante, dat verweerder om deze reden niet heeft kunnen instemmen met het plan. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat voor de sportschool een bestemmingsregeling is opgenomen die aansluit bij het bestaande gebruik.

2.10.    Ten aanzien van de stelling van appellante dat ten onrechte een groot aantal bedrijven uit de categorieën 1 en 2 zoals bedoeld in de VNG-brochure niet is opgenomen in de bij het plan behorende staat van bedrijfsactiviteiten, overweegt de Afdeling dat deze brochure een indicatief karakter heeft en in beginsel is bedoeld voor toepassing in nieuwe situaties. Niet in geschil is dat ten aanzien van het bedrijventerrein sprake is van een bestaande situatie. Het gebruik van de bij deze brochure behorende basiszoneringslijst is derhalve niet dwingend voorgeschreven.

Voorts is de bij het plan behorende staat van bedrijfsactiviteiten blijkens de plantoelichting wel gebaseerd op de basiszoneringslijst van de VNG-brochure, maar zijn meerdere bedrijfstypen uit deze lijst niet opgenomen en daarmee niet toegestaan in het plan. Gezien het bovenstaande en hetgeen in 2.6.6. is overwogen is de Afdeling van oordeel dat voldoende onderbouwd is aangegeven om welke reden deze bedrijfstypen niet zijn opgenomen in de bij het plan behorende staat van bedrijfsactiviteiten. Verweerder behoefde hierin derhalve geen aanleiding te zien goedkeuring aan het plan te onthouden.  

2.11.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra    w.g. Nolles

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2006

291-516.