Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW4010

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-04-2006
Datum publicatie
26-04-2006
Zaaknummer
200505489/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 september 2001 heeft appellant sub 1 (hierna: het college) besloten tot instelling van een parkeerverbodzone en 30-km-zone in de wijk Landweg te Poortugaal. Bij besluit van 2 januari 2002 heeft het college dit besluit ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200505489/1.

Datum uitspraak: 26 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard,

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats] gemeente Albrandswaard,

appellanten,

tegen de uitspraak in zaak nos. BESLU 04/2248, 04/2250, 04/2252 en 04/2361 van de rechtbank Rotterdam van 18 mei 2004 (lees: 2005) in het geding tussen:

1.    [wederpartij sub 1],

2.    [wederpartij sub 2],

3.    [wederpartij sub 3],

4.    [wederpartij sub 4],

   allen wonend te [woonplaats], gemeente Albrandswaard,

en

appellant sub 1.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2001 heeft appellant sub 1 (hierna: het college) besloten tot instelling van een parkeerverbodzone en 30-km-zone in de wijk Landweg te Poortugaal. Bij besluit van 2 januari 2002 heeft het college dit besluit ingetrokken.

Bij besluit van 28 januari 2003 heeft het college het bezwaar van [appellant sub 2] tegen het besluit van 2 januari 2002 gegrond verklaard en de besluiten van 18 september 2001 en 2 januari 2002 ingetrokken.

Bij uitspraak van 25 februari 2004 heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant sub 2] ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 28 januari 2003 vernietigd.

Bij besluit van 1 juni 2004 heeft het college opnieuw beslist op het bezwaar van [appellant sub 2], het bezwaar gegrond verklaard en - voor zover thans van belang - besloten tot de aanleg van extra parkeerplaatsen in de wijk Landweg en het instellen van een parkeerverbodzone voor de wijk. Tevens is besloten dat het besluit tot instelling van de parkeerverbodzone niet eerder in werking treedt dan na aanleg van de parkeerplaatsen.

Bij uitspraak van 18 mei 2004 (lees: 2005), verzonden op 20 mei 2005, heeft de rechtbank het beroep van [wederpartij sub 2] niet-ontvankelijk verklaard, de beroepen van [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 3] en [wederpartij sub 4] niet-ontvankelijk verklaard, voor zover deze zich richten tegen het besluit om parkeerplaatsen aan te leggen, de beroepen van [wederpartij sub 1 en sub 4] voor het overige ongegrond verklaard, het beroep van [wederpartij sub 3] voor het overige gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuwe beslissing op het bezwaar van [appellant sub 2] neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 2] bij brief van 23 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, en het college bij brief van 30 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen op 1 juli 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

De eisende partijen bij de rechtbank zijn in de gelegenheid gesteld deel te nemen aan het geding in hoger beroep. [wederpartij sub 3 en sub 4] hebben elk een memorie ingediend, beide gedateerd op 27 augustus 2005.

Bij brief van 20 september 2005 heeft [appellant sub 2] van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [appellant sub 2]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 maart 2006, waar het college, vertegenwoordigd door S. Zantman en P. Knoester, beiden werkzaam bij de gemeente, en [appellant sub 2] in persoon, bijgestaan door mr. drs. M.C. van Meppelen Scheppink, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen. Voorts zijn als partij gehoord [wederpartij sub 3], verschenen in persoon, en de weduwe en erfopvolgster van wijlen [wederpartij sub 4], verschenen bij gemachtigde P.A. Dane.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wet) - voor zover thans van belang - kunnen op basis van die wet vastgestelde regels strekken tot het verzekeren van de veiligheid op de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid van de weg.

   In artikel 15, eerste lid, van de Wet is bepaald dat de plaatsing van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, geschiedt krachtens een verkeersbesluit.

   Ingevolge artikel 12 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (hierna: BABW) moet de plaatsing van - onder meer - de borden E1, E10 en E11, als bedoeld in bijlage 1 bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, geschieden krachtens een verkeersbesluit.

   Artikel 21 van het BABW bepaalt dat de motivering van een verkeersbesluit in ieder geval vermeldt welke doelstelling met het verkeersbesluit wordt beoogd, alsmede dat daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wet genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit.

2.2.    [appellant sub 2] heeft zich verzet tegen de toelating van [wederpartij sub 4] als partij in dit geding. Ter zitting is evenwel duidelijk gemaakt dat het hier een toelating op de voet van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht betreft.

2.3.    Het college betoogt dat de rechtbank het besluit van 1 juni 2004 te indringend heeft getoetst. De toepasselijke wet- en regelgeving laten het bestuursorgaan veel vrijheid, zodat slechts sprake kan zijn van een terughoudende toets, zoals ook is bepaald in de eerdere uitspraak van de rechtbank in dit geschil, aldus het college.

2.3.1.    De Afdeling stelt voorop, dat ongeacht of een bestuursorgaan beleidsvrijheid toekomt of niet, het bestuursorgaan zijn besluiten zorgvuldig moet voorbereiden en naar behoren moet motiveren. Voor zover gronden zijn aangevoerd tegen de voorbereiding en motivering van een besluit, moet de rechter het besluit toetsen aan de eisen van zorgvuldige voorbereiding en motivering, los van de vraag of het bestuursorgaan al dan niet beleidsvrijheid toekomt. De rechtbank heeft deze beoordeling dan ook terecht uitgevoerd en in zoverre faalt het betoog van het college.

2.4.    [appellant sub 2] en het college betogen beiden - zakelijk weergegeven - dat er wel degelijk sprake is geweest van een voldoende zorgvuldige voorbereiding van het besluit en dat daaraan een draagkrachtige motivering ten grondslag ligt.

2.4.1.    De Afdeling volgt appellanten niet in dit betoog. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is niet uit enig onderzoek gebleken dat de doorstroming van het verkeer in de wijk wordt belemmerd of dat de verkeersveiligheid in de wijk in gevaar is of is geweest. Het onderzoek naar de parkeerdruk in de wijk biedt geen enkel inzicht in de doorstroming of de verkeersveiligheid. Op grond van de beschikbare gegevens valt niet in te zien dat het belang van een onbelemmerde doorstroming van het verkeer het instellen van een parkeerverbodzone voor deze wijk noodzakelijk zou maken. Uit deze gegevens komt veeleer naar voren dat het een (rustige) woonwijk betreft waar doorstroming van het verkeer niet een eerste vereiste is. Evenmin zijn ongevallenstatistieken beschikbaar waaruit een conclusie kan worden getrokken met betrekking tot de verkeersveiligheid in de wijk. Politie en brandweer hebben slechts in algemene termen instemmend gereageerd op het voornemen van het college tot het instellen van een parkeerverbodzone. Adviezen van deze instanties dat deze maatregel uit een oogpunt van verkeersveiligheid dan wel verkeersdoorstroming noodzakelijk dan wel gewenst zou zijn, ontbreken evenwel. Stukken van andere hulpdiensten waaruit blijkt dat er wezenlijke problemen zijn op het punt van de bereikbaarheid en/of veiligheid ontbreken eveneens.

   Reeds gelet op het voorgaande, was de beslissing van de rechtbank om het besluit van 1 juni 2004 te vernietigen op grond van onzorgvuldige voorbereiding en onvoldoende draagkrachtige motivering, juist. De hiertegen gerichte gronden van appellanten falen derhalve.

2.5.    Het college heeft voorts betoogd, dat de rechtbank de betekenis en werking van de factor 0,7 heeft miskend.

2.5.1.    De Afdeling leidt uit de aangevallen uitspraak af, dat de rechtbank heeft begrepen dat het college is uitgegaan van de aanwezigheid van 0,7 parkeerplaats per eigen erf. Uit de stukken blijkt echter dat het college de hoeveelheid aanwezige parkeerplaatsen op eigen erf heeft geteld en deze slechts voor 0,7 heeft meegerekend in de totale hoeveelheid aanwezige parkeerplaatsen in de wijk.

Het betoog van het college slaagt dus in zoverre, maar leidt niettemin niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, omdat een en ander niet afdoet aan het oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en een draagkrachtige motivering ontbeert.

2.6.    [appellant sub 2] heeft zich op het standpunt gesteld, dat er wel degelijk sprake is van voldoende parkeerruimte op het erf van [wederpartij sub 3]. Voorts zou het college, naar [appellant sub 2] stelt, geen ander besluit hebben genomen wanneer het de door [wederpartij sub 3] geschetste feitelijke situatie voor ogen had gehad.

2.6.1.    De Afdeling stelt voorop, dat artikel 3:2 van de Awb de verplichting tot feitenonderzoek beperkt tot het onderzoek naar de relevante feiten. Mitsdien kan een - gestelde - fout in het feitenonderzoek niet tot vernietiging leiden, indien die fout, gelet op het besluit in kwestie, niet relevant is.

De onderhavige zaak betreft een wijkbreed parkeerregime. Zelfs wanneer zou komen vast te staan, dat het college de situatie op het erf van [wederpartij sub 3]    verkeerd voor ogen heeft gehad, vermag de Afdeling niet in te zien waarom de parkeersituatie op dat ene perceel in de wijk relevant is ten opzichte van een parkeerregime dat voor de gehele wijk bedoeld is.

Het betoog van [appellant sub 2] kan derhalve geen afbreuk doen aan de juistheid van de vernietiging van het besluit van 1 juni 2004 en kan derhalve niet leiden tot een gegrond hoger beroep.

2.7.    De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop die rust, te worden bevestigd.

2.8.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. De Leeuw-van Zanten

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2006

97-514.