Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW4009

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-04-2006
Datum publicatie
26-04-2006
Zaaknummer
200504424/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 februari 2004 heeft appellant sub 1 (hierna: het college) appellanten sub 2 (hierna: appellanten) onder oplegging van dwangsommen gelast binnen zes weken na verzending van deze last het gebruik van de zuidelijke strook van het perceel kadastraal bekend gemeente Cuijk, sectie […], no. […], ten behoeve van het riooltechnisch bedrijf te staken door de aangebrachte verharding, de wasplaats met olietank en de opgeslagen materialen te verwijderen. Voorts heeft het college bij dit besluit [appellanten sub 2] gelast de dieren, de omheining rond de dierenweide en de op de weide aanwezige schuilhut te verwijderen. Tevens heeft het college bij dit besluit geweigerd handhavend op te treden tegen de aanwezige poel en de uitbreiding van de kantoorruimte op het perceel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200504424/1.

Datum uitspraak: 26 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    het college van burgemeester en wethouders van Cuijk,

2.    [appellanten sub 2], gevestigd respectievelijk wonend te [woonplaats], gemeente Cuijk,

appellanten,

tegen de uitspraak in zaken nos. AWB 04/2639 en 04/2664 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 6 april 2005 in het geding tussen:

appellanten sub 2 en [verzoeker rechtbank], wonend te [woonplaats], gemeente Cuijk,

en

appellant sub 1.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2004 heeft appellant sub 1 (hierna: het college) appellanten sub 2 (hierna: appellanten) onder oplegging van dwangsommen gelast binnen zes weken na verzending van deze last het gebruik van de zuidelijke strook van het perceel kadastraal bekend gemeente Cuijk, sectie […], no. […], ten behoeve van het riooltechnisch bedrijf te staken door de aangebrachte verharding, de wasplaats met olietank en de opgeslagen materialen te verwijderen. Voorts heeft het college bij dit besluit [appellanten sub 2] gelast de dieren, de omheining rond de dierenweide en de op de weide aanwezige schuilhut te verwijderen. Tevens heeft het college bij dit besluit geweigerd handhavend op te treden tegen de aanwezige poel en de uitbreiding van de kantoorruimte op het perceel.

Bij besluit van 27 juli 2004 heeft het college de daartegen door appellanten en [verzoeker rechtbank] gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 april 2005, verzonden op 8 april 2005, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door [verzoeker rechtbank] ingestelde beroep gegrond verklaard, het door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard voor zover het de hoogte van de last onder dwangsom betreft en dat beroep voor het overige ongegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief van 17 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op 20 mei 2005, en appellanten bij brief van 17 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op 18 mei 2005, hoger beroep ingesteld. Het college heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 9 juni 2005. Appellanten hebben hun hoger beroep aangevuld bij brief van 16 juni 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij besluit van 7 juni 2005 heeft het college, opnieuw beslissend op de bezwaren van appellanten en [verzoeker rechtbank], deze bezwaren wederom ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij brief van 17 juni 2005 hebben appellanten van antwoord gediend.

Bij brief van 29 juni 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 19 juli 2005 hebben appellanten een nadere reactie ingediend.

Bij brieven van 13 en 14 juli 2005 heeft [verzoeker rechtbank], die op de voet van artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen, een reactie ingediend.

Tegen het besluit van 7 juni 2005 heeft [verzoeker rechtbank] bij brief van 14 juli 2005 beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep is bij brief van 18 juli 2005 doorgezonden naar de Afdeling.

Bij brief van 8 september 2005 hebben appellanten een reactie ingediend op het door [verzoeker rechtbank] bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 7 juni 2005.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 februari 2006, waar het college, vertegenwoordigd door mr. B.A.A. Lucas, ambtenaar van de gemeente, en [appellanten sub 2] in persoon, bijgestaan door mr. C.J. Schipperus, advocaat te Nijmegen, zijn verschenen. Voorts is [verzoeker rechtbank], bijgestaan door mr. R.E. Izeboud, advocaat te Rosmalen, als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Op het perceel waarop de verharding en de dierenweide zijn gerealiseerd rust ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied Haps 1994" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Agrarische doeleinden, Agrarisch gebied A". Vaststaat dat het gebruik van het perceel ten behoeve van het riooltechnische bedrijf in strijd is met die bestemming.

   Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, is het verboden gronden en bouwwerken te gebruiken, te doen of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het plan aan de gronden gegeven bestemming.

   Ingevolge het vijfde lid, voor zover thans van belang, verlenen burgemeester en wethouders vrijstelling van het bepaalde onder 1 als strikte toepassing van het voorschrift leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

2.2.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college hen ten onrechte heeft verplicht de verharding te verwijderen, nu de verharding inmiddels niet meer wordt gebruikt ten behoeve van het riooltechnisch bedrijf en daarmee de feitelijke situatie niet meer in strijd is met het bestemmingsplan.

   Dit betoog faalt. De verharding is aangelegd met het oog op het niet als agrarisch aan te merken gebruik door het riooltechnisch bedrijf, welk gebruik in strijd is met de ter plaatse geldende bestemming "Agrarische doeleinden, Agrarisch gebied A". Gelet hierop heeft de rechtbank de aanwezigheid van de verharding terecht in strijd geacht met het in artikel 26, eerste lid, van de planvoorschriften neergelegde gebruiksverbod. De stelling van appellanten dat het gebruik van de verharding ten behoeve van de activiteiten van het riooltechnisch bedrijf inmiddels is gestaakt, leidt niet tot een ander oordeel, nu die stelling er niet aan af doet dat de verharding in strijd met voormeld gebruiksverbod is aangelegd.

   In het betoog van appellanten omtrent de mogelijkheid van het opstarten van een rietkwekerij is voorts geen grond gelegen voor het oordeel dat concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden behoort te worden afgezien.

2.4.    Met betrekking tot de dierenweide heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat niet is gebleken dat agrarisch gebruik daarvan naar objectieve maatstaven niet langer mogelijk is. Dat de omvang van de dierenweide gering is en de dierenweide is ingeklemd tussen een huisperceel en een perceel met bijzondere landschappelijke waarde, staat er niet aan in de weg dat de weide kan worden geëxploiteerd als een onderdeel van een meer omvattend agrarisch bedrijf. Ook het hierover naar voren gebrachte betoog faalt dus.

2.5.    Anders dan appellanten stellen, kan het gebruik van het perceel voor het hobbymatig houden van dieren planologisch gezien niet op één lijn worden gesteld met het bedrijfsmatig houden van dieren. In die stelling heeft de rechtbank dan ook terecht geen bijzondere omstandigheid gezien op grond waarvan het college van handhavend optreden had moeten afzien.

2.6.    Het hoger beroep van appellanten is ongegrond.

2.7.    Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het, gelet op het bepaalde in artikel 5:32, vierde lid, van de Awb, op zijn weg ligt om aannemelijk te maken dat er een verband bestaat tussen de hoogte van de dwangsom en de kosten die naar verwachting met het beëindigen van de overtreding gepaard gaan. Volgens het college schrijft artikel 5:32, vierde lid, van de Awb niet voor dat bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom de kosten die gepaard gaan met de beëindiging van de overtreding, in aanmerking moeten worden genomen.

2.7.1.    Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Awb, kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

   Ingevolge het vierde lid stelt het bestuursorgaan de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last. Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd. Het vastgestelde bedrag moet in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

2.7.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 10 december 2003 in zaak no. 200304169/1 vormen de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging de maatstaf van de hoogte van de dwangsom. In dat verband kunnen de kosten die naar verwachting met het beëindigen van de overtreding gepaard gaan, een rol spelen. Door te overwegen dat het college aannemelijk dient te maken dat een verband bestaat tussen de hoogte van de dwangsom en de kosten die naar verwachting met het beëindigen van de overtreding gepaard gaan, heeft de rechtbank op onjuiste gronden de onderbouwing van het besluit in strijd geacht met artikel 5:32 van de Awb.

   Het voorgaande leidt echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. In het besluit op bezwaar heeft het college ter onderbouwing van de hoogte van de dwangsom volstaan met het oordeel dat de dwangsom redelijk is gelet op de omvang en de ernst van de overtreding; het college heeft daarbij tevens de omvang van het bedrijf betrokken. Die onderbouwing is, mede gelet op de omstandigheid dat appellanten in bezwaar uitdrukkelijk zijn opgekomen tegen de hoogte van de dwangsom, onvoldoende draagkrachtig.

2.8.    Het hoger beroep van het college is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9.    Bij besluit van 7 juni 2005 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw op de bezwaren beslist. Gelet op de artikelen 6:18 en 6:19, in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, moet het hoger beroep van appellanten mede worden geacht te zijn gericht tegen dat nieuwe besluit. Voorts is tegen dat besluit van rechtswege een beroep gegenereerd ten behoeve van [verzoeker rechtbank], waarna tevens door hem een door de rechtbank doorgezonden beroepschrift is ingediend dat als nadere motivering van het beroep van rechtswege wordt aangemerkt.

2.10.    In het besluit van 7 juni 2005 heeft het college de hoogte van de dwangsom gehandhaafd op € 60.000,00. Volgens het college is de hoogte van de dwangsom aldus bepaald dat deze, gelet op de kosten die naar zijn mening met het beëindigen van de overtreding gepaard gaan, te weten € 15.800,00, en de aard en de duur van de overtreding, voor appellanten voldoende aanleiding zal zijn om een einde te maken aan de overtreding. Naar het oordeel van de Afdeling is deze onderbouwing voor de hoogte van de dwangsom voldoende gemotiveerd.

2.11.    [verzoeker rechtbank] betoogt dat het college zijn bezwaar tegen de weigering handhavend op te treden tegen de uitbreiding van de kantoorruimte welke zonder bouwvergunning is gerealiseerd en tegen de in strijd met het bestemmingsplan aangelegde poel, ten onrechte ongegrond heeft verklaard.

2.11.1.    De gemeenteraad van de gemeente Cuijk heeft bij besluit van 9 mei 2005 een herziening van het bestemmingsplan vastgesteld. Die herziening voorziet in het wijzigen van de woonbestemming in een bedrijfsbestemming met een bouwvlak voor bedrijfsdoeleinden. Daarmee is de uitbreiding van de kantoorruimte gelegaliseerd. Voorts wordt de bestemming "Agrarische doeleinden, Agrarisch gebied A" ter plaatse van de poel gewijzigd in de bestemming "Agrarisch gebied met bijzondere landschappelijke en natuurlijke kenmerken", waarbij de poel is aangeduid als "landschapselement".

   In hetgeen [verzoeker rechtbank] heeft aangevoerd, is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college op voorhand reden had moeten zien om aan te nemen dat de herziening van het bestemmingsplan in het vervolg van de procedure geen stand zou kunnen houden. Het college mocht dan ook weigeren hiertegen handhavend op te treden.

   Het betoog faalt.

2.12.    De beroepen van appellanten en [verzoeker rechtbank] tegen het besluit van 7 juni 2005 zijn ongegrond.

2.13.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    verklaart de beroepen tegen het besluit van 7 juni 2005 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin    w.g. Klein Nulent

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2006

218-457.