Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW4007

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-04-2006
Datum publicatie
26-04-2006
Zaaknummer
200506030/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 mei 2005 heeft verweerder aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Ricas Safety trainingen b.v." een vergunning verleend als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer voor een trainingscentrum voor bedrijfshulpverlening en brandweeropleidingen, gelegen aan de Almelosestraat 11 te Ambt Delden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200506030/1.

Datum uitspraak: 26 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hof van Twente,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 mei 2005 heeft verweerder aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Ricas Safety trainingen b.v." een vergunning verleend als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer voor een trainingscentrum voor bedrijfshulpverlening en brandweeropleidingen, gelegen aan de Almelosestraat 11 te Ambt Delden.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 11 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op 12 juli 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 8 december 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 maart 2006, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. M.H. Fleers, advocaat te Den Haag, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.H.M. van der Aa, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghouder, vertegenwoordigd door [directeur].

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

   Bij wet van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 2005, 432), in werking getreden op 1 december 2005, is de Wet milieubeheer gewijzigd. Nu het bestreden besluit vóór 1 december 2005 is genomen, moet dit worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet.

2.2.    De vergunning betreft de gehele inrichting. Het beroep richt zich uitsluitend op de gevolgen voor het milieu van de ‘Flash-over’ installatie, waarmee wordt geoefend om de gevolgen van een ‘flash-over’ bij brand te leren onderkennen en bij het bluswerk op een juiste manier te reageren. Appellant stelt overlast te ondervinden van de roet- en rookuitstoot van de ‘Flash-over’ installatie.

2.3.    Appellant stelt dat de aanvraag op het punt van de 'Flash-over' niet voldoet aan artikel 5.1, sub h, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, waarin is bepaald dat in of bij de aanvraag wordt vermeld wat de aard en omvang is van de belasting van het milieu die de inrichting tijdens normaal bedrijf kan veroorzaken.

2.3.1.    De Afdeling stelt vast dat in de aanvraag uitvoerig is weergegeven wat de werking is van de 'Flash-over' en hoe deze wordt toegepast. Hetgeen appellant hierover heeft aangevoerd leidt de Afdeling niet tot het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.4.    Appellant betoogt dat de 'Flash-over' installatie ten onrechte niet is getoetst aan de richtlijn Integrated Pollution Prevention and Control (hierna: de IPPC-richtlijn).

2.4.1.    De Afdeling stelt vast dat de inrichting is bedoeld voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken. Die activiteit is niet aangewezen in Bijlage I van de IPPC-richtlijn, zodat die richtlijn niet van toepassing is op de inrichting en/of de ‘Flash-over’ installatie.

2.5.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voor zover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van artikel 8.10, eerste lid, en artikel  8.11, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.6.    Appellant betoogt dat verweerder bij de toetsing van de milieugevolgen van de ‘Flash-over’ installatie ten onrechte geen aansluiting heeft gezocht bij de normen van bestaande richtlijnen, zoals de Nederlandse Emissie Richtlijn (hierna: de NeR). Uit de overwegingen van het besluit leidt appellant bovendien af dat volgens verweerder de NeR hier ten minste als uitgangspunt had kunnen worden genomen.

2.6.1.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat de NeR niet uitdrukkelijk ziet op inrichtingen voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken, zoals hier aan de orde. Daarbij is, in tegenstelling tot wat onder F7 van de NeR is geregeld over de verbranding van schoon resthout, een optimale verbranding bij de "Flash-over"-oefening juist niet gewenst. Wel wordt bij de afhandeling van de oefening optimale naverbranding nagestreefd. Volgens verweerder is de emissie van de 'Flash-over echter te gering om de daadwerkelijke uitstoot conform de normen van de NeR te meten.

2.6.2.    De Afdeling stelt vast dat de NeR geen bijzondere regeling bevat voor inrichtingen voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken. De Afdeling onderschrijft ook voor het overige laatstgenoemd standpunt van verweerder.

2.7.    Appellant stelt dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft  verricht naar de emissie van schadelijke en/of vervuilende stoffen door het gebruik van de ‘Flash-over’ installatie. Hij betoogt dat, nu daardoor een afweging van de kosten die zijn verbonden aan mogelijke voorzieningen onmogelijk is, verweerder niet de best bestaande technieken heeft voorgeschreven.

2.7.1.    Verweerder heeft ter zitting verklaard dat emissieonderzoek in dit geval niet zinvol is, maar dat visueel onderzoek is verricht naar de uitstoot van de ‘Flash-over’ installatie. Daarbij is gebleken dat door toepassing van naverbranders nagenoeg volledige verbranding van rookgassen plaatsvindt. Verweerder heeft in de voorschriften betreffende brandoefeningen waarbij hout als brandstof wordt gebruikt, voorgeschreven dat daarbij alleen droog en schoon afvalhout gebruikt mag worden. Aan de ‘Flash-over’ installatie zijn in de vergunning voorschriften gesteld over onder meer de constructie van de installatie, de afvoer van rookgassen, de naverbrander en het aantal oefeningen en de tijdstippen waarop deze mogen plaatsvinden. Voorts zijn voorschriften opgenomen om een blijvende goede werking van de installatie te garanderen.    

2.7.2.    De Afdeling acht het op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting aannemelijk dat hier geen betrouwbare metingen kunnen worden uitgevoerd vanwege de zeer kortdurende uitstoot van verbrandingsgassen met hoge temperatuur. Daarbij komt nog dat een op dit geval toegespitste normstelling om emissiegegevens aan te toetsen ontbreekt. De resultaten van het visueel onderzoek wijzen niet op de noodzaak van nader onderzoek naar de aard en de omvang van de emissie van de 'Flash-over'. De Afdeling ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder te kort geschoten is in zijn onderzoeksplicht. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door hem gestelde overlast van roet- en rookuitstoot wordt veroorzaakt door het gebruik van de ‘Flash-over’ installatie. Mede daarom is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorschriften onder G.2 van de vergunning een toereikende bescherming bieden tegen de nadelige gevolgen van de inrichting en dat verdergaande technieken niet behoefden te worden voorgeschreven. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.8.    Volgens appellant heeft verweerder, nu het hier een nieuwe en experimentele methode betreft, ten onrechte geen tijdelijke vergunning, als bedoeld in artikel 8.17 van de Wet milieubeheer, verleend.

2.8.1.    Verweerder stelt primair dat appellant deze beroepsgrond niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit heeft aangevoerd en dat het beroep daarom wat die grond betreft volgens hem niet ontvankelijk is.

   Verweerder stelt hierover voorts dat er, gezien de aan de vergunning verbonden voorschriften, met name de eis van een evaluatie van de ‘Flash-over’ installatie na één jaar na inwerkingtreding van de vergunning die er op gericht is verbeteringen aan te brengen ter beperking van de directe overlast voor omwonenden, geen noodzaak is om de aanvraag gedeeltelijk te weigeren of tijdelijk te verlenen.

2.8.2.    De Afdeling is, anders dan verweerder, van oordeel dat de grond inzake de tijdelijke vergunning wel een grondslag vindt in de bedenkingen omtrent roet- en rookoverlast door de ‘Flash-over’ installatie. Het beroep  van appellant is daarom in zoverre ontvankelijk.

2.8.3.    Ingevolge artikel 8.17, eerste lid, onder c en d, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, kan in een vergunning worden bepaald dat zij slechts geldt voor een daarbij vast te stellen termijn van ten hoogste vijf jaar, indien dat nodig is in het belang van het ontwikkelen van werkwijzen in de inrichting, die minder nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaken of indien dat nodig is in verband met het ontwikkelen van een beter inzicht in de gevolgen van de inrichting voor het milieu.

2.8.4.    De Afdeling ziet, gezien de aard en omvang van de inrichting, de te verwachten nadelige gevolgen en hetgeen is overwogen onder 2.7.2, geen omstandigheden die nopen tot het oordeel dat verweerder in redelijkheid niet heeft kunnen afzien van het gebruik van zijn bevoegdheid om de vergunning voor de 'Flash-over' installatie voor beperkte duur te verlenen. Het beroep is ook in zoverre ongegrond.

2.9.    Het beroep is ongegrond.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink    w.g. Stolker

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2006

157-456.