Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW4006

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-04-2006
Datum publicatie
26-04-2006
Zaaknummer
200504753/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 november 2002 heeft appellant (hierna: het college) geweigerd om ten behoeve van [wederpartij] gebruik te maken van de in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid voor de vestiging van een nieuw agrarisch bouwperceel op de percelen, kadastraal bekend sectie […], nrs. […] aan de [locatie] in [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2007, 20
Module Ruimtelijke ordening 2006/4361

Uitspraak

200504753/1.

Datum uitspraak: 26 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/2802 van de rechtbank Arnhem van 19 april 2005 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 12 november 2002 heeft appellant (hierna: het college) geweigerd om ten behoeve van [wederpartij] gebruik te maken van de in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid voor de vestiging van een nieuw agrarisch bouwperceel op de percelen, kadastraal bekend sectie […], nrs. […] aan de [locatie] in [plaats].

Bij besluit van 13 oktober 2003 heeft appellant het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 mei 2004 heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar van 13 oktober 2003 vernietigd.

Bij besluit van 5 oktober 2004 heeft het college het door [wederpartij] gemaakte bezwaar wederom ongegrond verklaard en het besluit van 12 november 2002 onder aanvulling van de motivering gehandhaafd.

Bij uitspraak van 19 april 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar van 5 oktober 2004 vernietigd en het college opgedragen met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit op het bezwaarschrift te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 24 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op 31 mei 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 juni 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [wederpartij]. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 maart 2006, waar appellant, vertegenwoordigd door A.G. van Liempt en A. Zweerus, ambtenaren der gemeente, en [wederpartij] in persoon en bijgestaan door mr. G.C. Kooijman, advocaat te 's-Hertogenbosch, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    De vraag moet worden beantwoord, of de rechtbank het besluit van het college van 5 oktober 2004, waarbij het bezwaar van [wederpartij] tegen de weigering om voor hem een agrarisch bouwperceel op te nemen op de percelen met de kadastrale nrs […] aan de [locatie] in [plaats] opnieuw ongegrond is verklaard, terecht heeft vernietigd.

2.2.    Het betoog van het college in hoger beroep komt erop neer, dat de planwetgever niet heeft beoogd dat ter plaatse, indien daar al een nieuw agrarisch bouwperceel zou kunnen worden gesitueerd, een bedrijfswoning zal mogen worden gebouwd.  Bovendien moet een nieuw agrarisch bouwperceel in beginsel ten dienste staan aan iedere vorm van agrarische bedrijvigheid. Indien het huidige bedrijf zal groeien of [wederpartij] naar een andere vorm van agrarische bedrijvigheid zal overstappen, is niet voldoende verzekerd, dat de agrarische bedrijvigheid zich in milieuhygiënisch opzicht voldoende verdraagt met de ter plaatse gevestigde burgerwoning aan de Hooiweg 31.

2.2.1.    Artikel 6, zesde lid, van het geldende bestemmingsplan "Buitengebied Hedel 1995" biedt de mogelijkheid de bestemming te wijzigen met het oog op de vestiging van een nieuw agrarisch bouwperceel ten behoeve van een volwaardig agrarisch bedrijf, mits de oppervlakte maximaal 1 ha zal bedragen en gehoord de provinciale dienst aangaande agrarische aangelegenheden in de provincie Gelderland.

2.2.2.    Niet in geschil is, dat het door [wederpartij] uitgeoefende bedrijf een volwaardig agrarisch bedrijf is dat ter plaatse is gevestigd en waarvan de oppervlakte de gestelde eis van maximaal 1 ha niet overschrijdt. Evenmin is in geschil dat het bedrijf, gelet op het huidige karakter ervan, de wijze van exploitatie en de omvang, zich voldoende laat combineren met de burgerwoning ter plaatse. Voorts staat vast dat het college eraan heeft meegewerkt, dat het bedrijf zich ter plaatse kon ontwikkelen zoals het heeft gedaan. Met de rechtbank moet worden geoordeeld, dat niet is komen vast te staan dat de aanwezige woonfunctie als gevolg van de door [wederpartij] verzochte vestiging van een nieuw agrarisch bouwperceel onevenredig zal worden geschaad. Bij een uitbreiding van de voorgenomen bebouwing en/of wijziging van de agrarische activiteiten ter plaatse zal moeten worden bezien, of aan de eisen, gesteld bij of krachtens de Wet milieubeheer kan worden voldaan. De Afdeling oordeelt in het licht van het voorgaande dan ook, evenals de rechtbank, dat het besluit in dit opzicht een deugdelijke motivering ontbeert. Met de rechtbank is ook de Afdeling er niet van overtuigd, dat in dit geval, als gevolg van het vestigen van een agrarisch bouwperceel, de oprichting van een bedrijfswoning niet mogelijk zou zijn.

2.3.     Uit het vorenstaande volgt, dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin    w.g. Schortinghuis

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2006

66.