Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW3999

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-04-2006
Datum publicatie
26-04-2006
Zaaknummer
200507881/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juli 2004 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Kralingen-Crooswijk (hierna: het dagelijks bestuur) aan appellante een eenmalige subsidiebijdrage verstrekt van € 78.873,15.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200507881/1.

Datum uitspraak: 26 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap De Dikkedeur Kralingen B.V., gevestigd te Rotterdam,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. BELEI 05/256  van de rechtbank Rotterdam van 25 juli 2005 in het geding tussen:

appellante

en

het dagelijks bestuur van de deelgemeente Kralingen-Crooswijk.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2004 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Kralingen-Crooswijk (hierna: het dagelijks bestuur) aan appellante een eenmalige subsidiebijdrage verstrekt van € 78.873,15.

Bij besluit van 10 december 2004 heeft het dagelijks bestuur het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 juli 2005, verzonden op 29 juli 2005, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 8 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 10 oktober 2005 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 april 2006, waar het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. J.A. van Luijk en L. van der Bijl, is verschenen. Appellante is met bericht niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling uitbreiding kinderopvang en buitenschoolse opvang (hierna: de Regeling) kan aan een gemeente een uitkering worden verstrekt ten behoeve van de in de periode van 1 januari 1997 tot en met 31 december 2003 gerealiseerde opvangplaatsen.

   Ingevolge artikel 2, vijfde lid, van de Regeling wordt de uitkering slechts verstrekt, voor zover de kinderopvang wordt gerealiseerd door een kindercentrum of door middel van gastouderopvang.

   Ingevolge artikel 2, zesde lid, aanhef en onder c , van de Regeling, voor zover thans van belang, wordt de uitkering vermeerderd met een bedrag van ten hoogste € 2.949,57 per opvangplaats die uiterlijk 31 december 2001 is gerealiseerd onder de voorwaarde dat de gemeente op 31 december 2002 90% gerealiseerd heeft van het aantal opvangplaatsen waarvoor de gemeente een uitkering is verleend op grond van de artikelen 3, 4, 4a, 4b en 5, tweede lid. Deze vermeerdering wordt aangeduid als bonusgelden.

2.2.    Ingevolge de Verordening algemene subsidievoorwaarden 2001 in samenhang met de Deelgemeenteverordening 2002 is het dagelijks bestuur bevoegd tot het verlenen van de onderhavige subsidie.

2.3.    Aan de gemeente Rotterdam is met toepassing van artikel 2, zesde lid, aanhef en onder c, van de Regeling voor gerealiseerde opvangplaatsen een uitkering verstrekt gebaseerd op € 1.942,00 per plaats. Na aftrek van kosten heeft de gemeente Rotterdam de uitkering verdeeld over de deelgemeenten. Vervolgens heeft het dagelijks bestuur de aan hem toegewezen bonusgelden verdeeld over alle kinderdagverblijven in zijn deelgemeente, waaronder appellante. Uitgangspunt is daarbij geweest om de ontvangen bonusgelden te verdelen onder die instellingen, die nieuwe opvangplaatsen hebben gerealiseerd. De verdeling vond plaats naar rato van het aantal per 31 december 2003 gerealiseerde opvangplaatsen.

2.4.    Appellante komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat de Regeling geen enkel aanknopingspunt biedt voor haar standpunt dat de bonusgelden geoormerkt zijn. Appellante betoogt dat het dagelijks bestuur een onjuiste verdeelsleutel heeft gehanteerd, nu zij als enig kinderdagverblijf in de deelgemeente conform de voorwaarden van de Regeling het aantal door haar geëxploiteerde opvangplaatsen heeft uitgebreid. Zij meent daarom aanspraak te hebben op het uit de Regeling voortvloeiende bedrag per opvangplaats van € 1.942,00, vermenigvuldigd met het aantal door haar gerealiseerde opvangplaatsen van 56,5 zijnde een bedrag van € 109.723,00 in plaats van het haar toegekende bedrag van € 78.873,15.

2.5.    Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de Regeling ziet op de rechtsverhouding tussen de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport enerzijds en de gemeente anderzijds. In de Regeling wordt niet aangegeven hoe de aan de gemeente toegekende uitkering verdeeld moet worden. De Regeling geeft aan een kindercentrum dat opvangplaatsen exploiteert geen individuele en rechtstreekse aanspraak op toekenning van de uitkering door de deelgemeente. De rechtbank is dan ook met juistheid tot het oordeel gekomen dat de bonusgelden niet geoormerkt zijn. Nu het dagelijks bestuur voorts de via de gemeente Rotterdam van het rijk ontvangen bonusgelden heeft besteed met inachtneming van het doel dat met de Regeling is beoogd, stond het het dagelijks bestuur vrij, om de ontvangen bonusgelden naar eigen inzicht verder te verdelen over de kinderdagverblijven.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos    w.g. Van Meurs-Heuvel

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2006

47-515.