Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW3995

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-04-2006
Datum publicatie
26-04-2006
Zaaknummer
200508960/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 3 november 2004 heeft de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer (hierna: de Algemeen Directeur) medegedeeld dat hij een overtreding van appellante van artikel 3, tweede lid, van de Regeling zevendaagse kentekenbewijzen (hierna: de Regeling) heeft geconstateerd en heeft de Algemeen Directeur appellante gewaarschuwd dat bij het constateren van een volgende overtreding de bevoegdheid tot het aanvragen van zevendaagse kentekenbewijzen kan worden ingetrokken. In dezelfde brief is appellante medegedeeld dat een aangevraagd zevendaags kentekenbewijs niet is verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200508960/1.

Datum uitspraak: 26 april 2006.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 05/954 van de rechtbank Breda van 15 september 2005 in het geding tussen:

appellante

en

de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer.

1.    Procesverloop

Bij brief van 3 november 2004 heeft de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer (hierna: de Algemeen Directeur) medegedeeld dat hij een overtreding van appellante van artikel 3, tweede lid, van de Regeling zevendaagse kentekenbewijzen (hierna: de Regeling) heeft geconstateerd en heeft de Algemeen Directeur appellante gewaarschuwd dat bij het constateren van een volgende overtreding de bevoegdheid tot het aanvragen van zevendaagse kentekenbewijzen kan worden ingetrokken. In dezelfde brief is appellante medegedeeld dat een aangevraagd zevendaags kentekenbewijs niet is verstrekt.

Bij besluit van 16 februari 2005 heeft de Algemeen Directeur het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 september 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 26 oktober 2005, bij de Raad van State ingekomen op 27 oktober 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 8 december 2005 heeft de Algemeen Directeur van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 maart 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. drs. K. Moene, advocaat te Den Haag, en de Algemeen Directeur, vertegenwoordigd door C. van der Berg, werkzaam bij de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW), zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 50, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wet), dient de aanvraag van een kentekenbewijs te geschieden overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels en worden bij ministeriële regeling voorschriften vastgesteld ter uitvoering van die regels.

   Ingevolge artikel 62, eerste lid, van de Wet kan de RDW een erkenning verlenen aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon waardoor deze gerechtigd is motorrijtuigen en aanhangwagens, waarvan hij de eigendom heeft verkregen, in zijn bedrijfsvoorraad op te nemen. Ingevolge het tweede lid kunnen bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bevoegdheden aan de erkenning worden verbonden; zodanige bevoegdheden maken deel uit van de erkenning. Het in de artikelen 62 tot en met 66 ten aanzien van erkenningen bepaalde is van overeenkomstige toepassing op bedoelde bevoegdheden.

   Ingevolge artikel 65, tweede lid, aanhef en onder c, kan de RDW een erkenning intrekken of wijzigen indien degene aan wie de erkenning is verleend handelt in strijd met een of meer andere uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen.

   Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Regeling, gelezen in verbinding met het eerste lid van dat artikel, dient het erkende bedrijf het voertuig, voor een periode van ten hoogste 36 uur na ontvangst door de RDW van de aanvraag van een zevendaags kentekenbewijs voor het buiten Nederland brengen van een voertuig, op de in overleg met het erkende bedrijf door de RDW vastgestelde plaats beschikbaar te houden.

   Op 1 oktober 2003 heeft de Algemeen Directeur de toezichtbeleidsbrief met betrekking tot de bevoegdheid aanvraag zevendaagse kentekenbewijzen (hierna: de Toezichtbeleidsbrief) verspreid onder alle erkende bedrijven. De Toezichtbeleidsbrief luidt - voor zover hier van belang -:

"3. Sancties

[…]

Bij constatering van overtredingen bij de aanvraag van een zevendaags kentekenbewijs kunnen de volgende sancties worden opgelegd:

a.    waarschuwing

b.    voorwaardelijke intrekking

c.    tijdelijke intrekking

d.    definitieve intrekking."

2.2.    Ambtshalve overweegt de Afdeling het volgende.

Zoals de Afdeling heeft geoordeeld in haar uitspraak van 18 januari 2006 in zaak no. 200409413/1, is de Afdeling thans van oordeel dat een waarschuwing die is gebaseerd op een op schrift gesteld en bekendgemaakt beleid en die volgens dat beleid in het algemeen vooraf moet gaan aan het mogelijk opleggen van een zwaardere bestuurlijke maatregel, niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

2.3.    Nu de waarschuwing in de brief van 3 november 2004 geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb was, stond hiertegen geen bezwaar open en had de Algemeen Directeur het door appellante ingestelde bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren.

2.4.    Appellante heeft nog gewezen op de mededeling in de brief van 3 november 2004, dat het aangevraagde zevendaagse kentekenbewijs niet wordt verstrekt. Appellante stelt dat de brief van 3 november 2004 is aan te merken als het afwijzen van een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, tweede lid, van de Awb en dus als een beschikking. Het bezwaar van appellante zou daarom wel ontvankelijk zijn.

De Afdeling volgt appellante niet in dit betoog. Wat er ook zij van het karakter van de mededeling dat het aangevraagde zevendaagse kentekenbewijs niet wordt verstrekt, het bezwaar en het beroep van appellante waren slechts gericht tegen de waarschuwing, zodat de mededeling dat het aangevraagde zevendaagse kentekenbewijs niet wordt verleend - en haar karakter - buiten de omvang van dit geding vallen.

2.5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van appellante tegen het besluit van de Algemeen Directeur van 16 februari 2005 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen. Nu er rechtens geen andere mogelijkheid is dan niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar, zal de Afdeling, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zelf in de zaak voorzien en deze niet-ontvankelijkheid uitspreken.

2.6.    De Algemeen Directeur dient op na te melden wijze in de proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 15 september 2005, 05/954;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de Algemeen Directeur van de RDW van 16 februari 2005, VIZ 2005/1852/5412;

V.    verklaart het bezwaarschrift van appellante van 13 december 2004 alsnog niet-ontvankelijk;

VI.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII.    veroordeelt de Algemeen Directeur van de RDW tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: duizend tweehonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Dienst Wegverkeer aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VIII.    veroordeelt de Algemeen Directeur van de RDW tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Dienst Wegverkeer aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IX.    gelast dat de Dienst Wegverkeer aan appellante het door haar voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 483,00 (zegge: vierhonderddrieëntachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Klein

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2006.

176-514.