Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW3991

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-04-2006
Datum publicatie
26-04-2006
Zaaknummer
200506745/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 november 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Stadskanaal (hierna: het college) vrijstelling en bouwvergunning verleend aan [vergunninghouder] voor het bouwen van een woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200506745/1.

Datum uitspraak: 26 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], thans zijn [erfopvolger], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/1015 van de rechtbank Groningen van 13 juli 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Stadskanaal.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 november 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Stadskanaal (hierna: het college) vrijstelling en bouwvergunning verleend aan [vergunninghouder] voor het bouwen van een woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 8 mei 2002 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard, doch het besluit van 27 november 2001 in stand gelaten.

Bij besluit van 12 juni 2002 heeft het college vergunninghouder een gecorrigeerde bouwvergunning voor het uitbreiden van een woning doen toekomen. Het college heeft vergunninghouder daarbij medegedeeld dat de bouwvergunning van 27 november 2001, waarin abusievelijk vermeld staat dat vergunning is verleend voor het bouwen van een woning, hierbij komt te vervallen.

Bij uitspraak van 31 juli 2003, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het tegen het besluit van 8 mei 2002 door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij besluit van 20 oktober 2003 heeft het college het besluit van 12 juni 2002 gewijzigd, in die zin dat in de vergunning alsnog de overwegingen hoe het college tot de bouwvergunning is gekomen, zijn vermeld.

Bij uitspraak van 10 maart 2004 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de uitspraak van 31 juli 2003 van de rechtbank vernietigd, het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaard en de besluiten van 8 mei 2002 en 20 oktober 2003 vernietigd.

Bij besluit van 27 mei 2004 heeft het college het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 27 november 2001 gegrond verklaard, het besluit herroepen en besloten te beoordelen of de aanvraag om bouwvergunning kan worden verleend door middel van een vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO).

Bij uitspraak van 27 juli 2004 heeft de rechtbank het door appellant tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dit besluit vernietigd.

Bij besluit van 14 september 2004 heeft het college het door appellant tegen het besluit van 27 november 2001 gemaakte bezwaar gegrond verklaard, dit besluit herroepen, en vrijstelling ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en bouwvergunning verleend voor vorengenoemd bouwplan.

Bij uitspraak van 13 juli 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 27 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op 2 augustus 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 8 augustus 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 19 september 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 maart 2006, waar het college, vertegenwoordigd door mr. D.S.W. van ’t Ende, ambtenaar van de gemeente, is verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij het verlenen van vrijstelling onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belangen bij een goed zicht vanuit en een goede daglichttoetreding tot zijn naast het perceel gelegen woning. Hij voert hiertoe aan dat de civielrechtelijke belemmering als bedoeld in artikel 5:50, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek voor het college aanleiding had moeten zijn de vrijstelling te weigeren.

2.1.1.    Het betoog slaagt niet. Zoals de voormalige Afdeling Rechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen in de uitspraak van 9 maart 1984 in zaak no. A31.7408 (AB 1984, 351) zijn civielrechtelijke belemmeringen voor de uitvoering van een bouwplan in de regel niet relevant bij het beoordelen van de vraag of een bouwvergunning behoort te worden verleend, maar ligt dit anders indien deze vergunning slechts kan worden verleend met toepassing van wat toen nog de anticipatieprocedure heette. De Afdeling Rechtspraak heeft in die uitspraak voorts overwogen dat bij de beslissing tot medewerking aan de anticipatie alle daarbij in het geding zijnde belangen dienen te worden afgewogen en dat wanneer vast staat of er redelijkerwijs van uitgegaan moet worden dat bepaalde bouwwerkzaamheden als gevolg van civielrechtelijke belemmeringen niet zullen kunnen worden uitgevoerd, deze omstandigheid aanleiding kan zijn de gevraagde medewerking te weigeren.

   In dit geval doet een dergelijke omstandigheid zich niet voor. Het college heeft in de beslissing op bezwaar aangegeven dat het gerealiseerde bouwplan niet zorgt voor een ontoelaatbare beperking van lichtinval. In bijlage 2 bij de beslissing op bezwaar, waarin de door appellant ingediende zienswijzen tegen het voornemen om vrijstelling te verlenen ten behoeve van de bouwvergunning worden weerlegd, heeft het college voorts gemotiveerd dat de ruimte, waarvan appellant betoogt dat het zicht en de lichtinval door het bouwplan worden belemmerd, als bergruimte staat vermeld op een op 4 juli 1980 aan appellant verleende bouwvergunning. Uit de daglichtberekening van 22 maart 2003 die in opdracht van het college door Ingenieursburo Ritsma is opgesteld en waarvan de juistheid door appellant niet is betwist, blijkt dat het verlies van daglichttoetreding in de door appellant bedoelde ruimte 3% is, zodat die ruimte, zoals het college in het verweerschrift bij de rechtbank heeft betoogd, zelfs voor een keuken nog aan de daarvoor gestelde normen voldoet. De rechtbank heeft derhalve terecht in artikel 5:50, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek geen civielrechtelijke belemmering gezien die eraan in de weg staat dat het bouwplan wordt uitgevoerd. De rechtbank heeft eveneens terecht geoordeeld dat, gezien de situatie in de buurt, het college in redelijkheid een doorslaggevend gewicht heeft kunnen toekennen aan de belangen die gemoeid zijn met het realiseren van het bouwplan.

2.2.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Klein Nulent

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2006

218-488.