Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW3987

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-04-2006
Datum publicatie
26-04-2006
Zaaknummer
200505312/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 juni 2003 heeft appellant (hierna: het college) geweigerd aan [wederpartij] en [partij] bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een paardenstal met tien paardenboxen op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200505312/1.

Datum uitspraak: 26 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 03/4824 van de rechtbank Amsterdam van 10 mei 2005 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2003 heeft appellant (hierna: het college) geweigerd aan [wederpartij] en [partij] bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een paardenstal met tien paardenboxen op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 11 september 2003 heeft het college het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 mei 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 17 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Het college heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 18 juli 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 14 september 2005 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [wederpartij]. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 maart 2006, waar het college, vertegenwoordigd door mr. V.H. Affourtit, advocaat te Amsterdam, en [wederpartij], bijgestaan door mr. P. Nicolai, advocaat te Amsterdam, is verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het college betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat [wederpartij] in beroep niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang, nu hij het perceel op 2 augustus 2004 heeft verkocht. Het college voert hiertoe aan dat [wederpartij] zelfs niet een begin van een onderbouwing heeft gegeven voor de schade die hij stelt te hebben geleden door de weigering van de bouwvergunning.

2.1.1.    Dit betoog slaagt niet. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 5 juni 2002, no. 200106139/1 (AB 2002, 349), kan procesbelang bestaan indien appellant stelt schade te hebben geleden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk is gemaakt dat deze schade daadwerkelijk is geleden als gevolg van de weigering van de gevraagde vergunning. [wederpartij] heeft gesteld dat hij schade heeft geleden ten gevolge van het weigeren van de bouwvergunning en een waardeverklaring van 14 oktober 2004 overgelegd, waarin een makelaar/taxateur verklaart dat de vrije onderhandse verkoopwaarde van het perceel € 330.000,00 hoger zou zijn geweest als ter plaatse de mogelijkheid bestond een ruitersportcentrum te exploiteren. Voorts heeft [wederpartij] een expertiserapport van taxateur KakesWaal BV van 16 februari 2006 overgelegd, waarin de mogelijkheden voor exploitatie van horeca ter plaatse door [wederpartij], al dan niet in vennootschapsvorm, en het waardeverlies door beëindiging daarvan, zijn onderzocht en vastgesteld. Met deze rapporten heeft [wederpartij] tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat de gestelde schade daadwerkelijk is geleden. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat [wederpartij] procesbelang heeft.

   Hetgeen het college heeft aangevoerd omtrent de mogelijkheid om de gestelde schade te verhalen, dient in een eventuele civiele procedure aan de orde te komen.

2.2.    Het college betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het door [wederpartij] beoogde gebruik van de in het bouwplan voorziene bouwwerken niet in overeenstemming is met de ter plaatse geldende bestemming "Manege (Rm)".

2.2.1.    Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de ter plaatse geldende bestemmingsplanvoorschriften zijn de gronden met de bestemming "Manege (Rm)" bestemd voor de beoefening van de ruitersport, met bijbehorende bouwwerken, waaronder dienstwoningen, club- en kantinegebouwtjes en open terreinen, waaronder groen- en parkeervoorzieningen.

2.2.2.    Blijkens dit planvoorschrift wordt, anders dan het college meent, niet de eis gesteld dat de ruitersport uitsluitend ter plaatse wordt beoefend. Het door [wederpartij] beoogde gebruik van het perceel als omschreven in de brief van 18 november 2002 omvat de volgende activiteiten: vertrek van lesritten vanaf het centrum, vertrek van recreatieritten, theorielessen, lessen paardenmennen, kindercursus omgang met en verzorging van ponies en kinderpartijtjes gecombineerd met buitenrit of verzorgen. Deze activiteiten vallen onder de beoefening van de ruitersport. Voorts blijkt uit het op dit bouwplan toegespitste advies van de Federatie van Nederlandse Rijscholen (hierna: de FNRS) van 20 augustus 2003, dat appellant in de bezwaarschriftenprocedure heeft overgelegd, dat het recreatieve paardensportbedrijf dat [wederpartij] ter plaatse wilde opzetten voldoet aan de eisen van een manegebedrijf volgens de normen die de FNRS hanteert. Dit advies veronderstelt, gezien de bijgevoegde tekening, de aanwezigheid van een buitenbak. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het mogelijk is daarin te voorzien door het in de oude situatie herstellen van de voormalige buitenrijbaan.

   Gelet op het vorenstaande kan niet worden geoordeeld dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Het betoog van het college slaagt derhalve niet. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.

2.3.     Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.J.M. Schuyt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Steinebach-de Wit

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2006

328-488.