Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW3986

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-04-2006
Datum publicatie
26-04-2006
Zaaknummer
200510411/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 juni 2005 heeft verweerder het verzoek van appellant om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de inrichting op het perceel [locatie] te [plaats] gedeeltelijk afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200510411/1.

Datum uitspraak: 26 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Sint Anthonis,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2005 heeft verweerder het verzoek van appellant om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de inrichting op het perceel [locatie] te [plaats] gedeeltelijk afgewezen.

Bij besluit van 7 november 2005, verzonden op 9 november 2005, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 29 juni 2005 in zoverre herroepen.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 19 december 2005, bij de Raad van State ingekomen op 20 december 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 1 februari 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 april 2006, waar appellant, in persoon en bijgestaan door [gemachtigde] en mr. M.J. Smaling, en verweerder, vertegenwoordigd door R.H.M.G. Hendriks en H.L.J. Zegers, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord [partij], vertegenwoordigd door mr. ing. J.P.J.M. Rouwet.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

2.2.    Het verzoek van appellant om krachtens de Wet milieubeheer handhavingsmaatregelen te nemen ten aanzien van de inrichting heeft betrekking op de plaatsing van een tent op het terrein van de inrichting, stankoverlast alsmede op overtreding van de voor de inrichting geldende geluidvoorschriften verbonden aan de bij besluit van 7 september 1993 krachtens de Wet milieubeheer verleende revisievergunning.

   Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek om handhaving voor zover het de plaatsing van een tent op het terrein van de inrichting betreft, toegewezen. Voor het overige heeft verweerder het handhavingsverzoek van appellant afgewezen. Verweerder heeft hier de overweging aan ten grondslag gelegd dat een procedure tot actualisatie van de voor de inrichting geldende vergunningvoorschriften zal worden gestart teneinde meer adequaat te kunnen handhaven. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, overeenkomstig en onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, het bezwaar van appellant gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en appellant een vergoeding voor de gemaakte kosten in de bezwaarfase toegekend. In het advies van de bezwaarschriftencommissie is erop gewezen dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of er sprake is van overtreding van een wettelijk voorschrift en, zo dit het geval mocht zijn, of er een concreet zicht op legalisatie bestaat.

2.3.    Appellant kan zich niet verenigen met de beslissing op bezwaar en voert hiertoe ondermeer aan dat uit het bestreden besluit niet blijkt of er sprake is van overtreding van de voor de inrichting geldende geluidvoorschriften. Verweerder had in het bestreden besluit niet kunnen volstaan met een verwijzing naar een nog uit te voeren geluidmeting, aldus appellant. Voorts stelt appellant zich op het standpunt dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte het uitgangspunt hanteert, dat de inrichting onder de werkingssfeer van het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer (hierna: het Besluit) valt.

2.3.1.    Verweerder stelt zich blijkens het verweerschrift op het standpunt dat appellant geen rechtens te respecteren belang heeft bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit, nu in dit besluit het bezwaar van appellant gegrond is verklaard en het primaire besluit is herroepen.

2.3.2.    De Afdeling kan uit de stukken en het verhandelde ter zitting niet concluderen dat appellant geen procesbelang heeft bij een beoordeling van het bestreden besluit. Weliswaar strekt het bestreden besluit tot gegrondverklaring van het bezwaar en herroeping van het primaire besluit, doch verweerder heeft geen nieuw besluit daarvoor in de plaats gesteld. Ook de motivering die verweerder hier in het bestreden besluit aan ten grondslag heeft gelegd, staat thans ter beoordeling.

2.3.3.    Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat het bezwaar van appellant gegrond is, het primaire besluit wordt herroepen en dat op korte termijn een meting zal worden verricht naar de door de inrichting veroorzaakte geluidbelasting. Verweerder heeft hierbij te kennen gegeven dat naar aanleiding van de uitkomsten van deze geluidmeting eventueel een procedure tot het opleggen van nadere eisen als bedoeld in het Besluit zal worden gevoerd.

2.3.4.    De Afdeling overweegt dat artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht met zich brengt dat ingeval de heroverweging van het primaire besluit leidt tot een gegrondverklaring van het bezwaar, hiermee niet volstaan kan worden, maar dat tevens het primaire besluit dient te worden herroepen, waarna zo nodig een nieuw besluit daarvoor in de plaats dient te worden gesteld. De aankondiging van verweerder in het bestreden besluit dat eventueel nadere eisen als bedoeld in het Besluit aan de inrichting zullen worden opgelegd mochten de uitkomsten van de nog uit te voeren geluidmeting daar aanleiding toe geven, kan echter niet als een nieuw besluit op het handhavingsverzoek van appellant worden aangemerkt. Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 7:11, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Hetgeen verweerder heeft aangevoerd kan hier niet aan afdoen.

2.4.    Het beroep is reeds hierom gegrond. De bestreden beslissing op bezwaar dient te worden vernietigd. De Afdeling laat de overige beroepsgronden buiten bespreking. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

2.5.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Sint Anthonis van 7 november 2005, kenmerk ROBM/HZ/05-2127;

III.    draagt het college van burgemeester en wethouders van Sint Anthonis op binnen 4 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Sint Anthonis tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Sint Anthonis aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V.    gelast dat de gemeente Sint Anthonis aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt    w.g. Van Hardeveld

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2006

312-443.