Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW3981

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-04-2006
Datum publicatie
26-04-2006
Zaaknummer
200509566/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 februari 2005 heeft de gemeenteraad van Nieuwegein het bestemmingsplan "Het Klooster 2004, correctieve herziening" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200509566/2.

Datum uitspraak: 21 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2005 heeft de gemeenteraad van Nieuwegein het bestemmingsplan "Het Klooster 2004, correctieve herziening" vastgesteld.

Bij besluit van 30 september 2005, nummer 2005REG002964i, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van dit plan.

Tegen dit besluit heeft onder meer verzoeker bij brief van 18 november 2005, bij de Raad van State ingekomen op 21 november 2005, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 december 2005.

Bij brief van 18 november 2005, bij de Raad van State ingekomen op 21 november 2005, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 7 april 2006 heeft de gemeenteraad van Nieuwegein een reactie op het aanvullend beroepschrift gegeven.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 10 april 2006, waar verzoeker in persoon en bijgestaan door mr. L.A.A. van Wakeren, juridisch adviseur, en verweerder, vertegenwoordigd door F.L.H.G. Assmann, drs. M. van Teeseling en ir. J.W.P.M. Willems, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de gemeenteraad van Nieuwegein, vertegenwoordigd door mr. M. van Hal-Scheffer, advocaat te Den Haag, en door ing. R.D.B.L. van den Bosch, drs. M.H.A. Butterhoff, drs. A.R. de Bree, ambtenaren van de gemeente, en F. Blank, werkzaam bij onderzoeksbureau KEMA.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Het plan voorziet in de aanleg van een bedrijventerrein met een omvang van ongeveer 65 hectare in een gebied dat globaal wordt begrensd door de Lek, het Lekkanaal, het Amsterdam-Rijnkanaal en de A27.

2.3.    Verzoeker stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring aan het plan heeft verleend. Hij voert aan dat niet is voldaan aan de normen van het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: Blk 2005). Voorts zal de aanleg van een bedrijventerrein op een afstand van ongeveer 500 meter van zijn woning leiden tot onaanvaardbare visuele hinder en geluidoverlast, aldus verzoeker.

2.4.    Verweerder acht het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht en heeft daaraan goedkeuring verleend. Volgens hem is voldaan aan het Blk 2005 en leidt het plan niet tot onaanvaardbare visuele hinder en geluidhinder voor verzoeker.

2.5.    Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Blk 2005, voor zover hier van belang, nemen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in dit besluit genoemde grenswaarden voor onder meer zwevende deeltjes (PM10) in acht.

   Ingevolge artikel 7, derde lid, van het Blk 2005 kunnen bestuursorganen de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van dat lid mede uitoefenen indien:

a. de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft.

   Ingevolge artikel 20 van het Blk 2005 geldt voor zwevende deeltjes (PM10) een grenswaarde van 50 microgram per m³ als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze waarde maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden, en een grenswaarde van 40 microgram per m³ als jaargemiddelde concentratie.

2.5.1.    Uit het aan het plan ten grondslag liggende luchtkwaliteitonderzoek blijkt dat de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie voor zwevende deeltjes (PM10) onafhankelijk van de uitvoering van het plan meer dan 35 dagen wordt overschreden. Voorts blijkt daaruit dat uitvoering van het plan leidt tot een toename van de jaargemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) die - afhankelijk van de aard van de bedrijven die zich op het terrein zullen vestigen - varieert van 0,1 tot 0,3 microgram per m³. Gelet hierop blijft de concentratie zwevende deeltjes (PM10) bij uitvoering van het plan niet gelijk. De toename van de concentratie is naar het oordeel van de Voorzitter voorts niet zodanig gering dat - zoals aan de orde was in de uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2006, nr. 200507534/1 - kan worden geoordeeld dat daaraan bij de toetsing aan artikel 7, derde lid, onder a, van het Blk 2005 geen betekenis behoeft te worden toegekend. Gelet hierop is niet voldaan aan het bepaalde in artikel 7, eerste lid, van het Blk 2005 en is de uitzondering daarop in artikel 7, derde lid, onder a, van het Blk 2005 niet van toepassing.

2.6.    De woning van verzoeker ligt op een afstand van ongeveer 500 meter van het plangebied, aan de overzijde van het Amsterdam-Rijnkanaal. In het plangebied kunnen, na vrijstelling, bouwwerken tot een hoogte van maximaal 18 meter worden gebouwd. Gelet op de afstand tot het plangebied is de Voorzitter van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet leidt tot onaanvaardbare visuele hinder voor verzoeker.

2.7.    Uit het verrichte akoestische onderzoek blijkt dat de geluidbelasting op de gevel van de woning van verzoeker in de bestaande situatie 56 dB(A) bedraagt. Op grond van artikel 6, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6, negende lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, kunnen zich op het bedrijventerrein bedrijven tot categorie 4.2 van de bij de planvoorschriften behorende lijst van bedrijfsactiviteiten vestigen en na vrijstelling bedrijven tot en met categorie 5 van deze lijst. In het negende lid, onder c, sub 2, van dit planvoorschrift is voor het kunnen verlenen van vrijstelling als voorwaarde gesteld dat de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving niet onevenredig mag toenemen. Deze voorwaarde sluit niet uit dat de milieubelasting, waartoe geluidbelasting hoort, wordt vergroot. Gelet hierop is niet uitgesloten dat de reeds aanzienlijke geluidbelasting op de gevel van de woning van verzoeker verder toeneemt. Onzeker is echter hoe groot een dergelijke toename maximaal zal mogen zijn. Het argument van verweerder dat bij het verlenen van vergunningen krachtens de Wet milieubeheer een nadere afstemming dient plaats te vinden, miskent dat de te verrichten toetsing in het kader van een goedkeuringsprocedure een brede planologische afweging dient te omvatten waarbij aspecten van milieuhygiëne mede een rol spelen, zodat inzicht dient te bestaan in de maximale effecten van het plan. Ten aanzien van het aspect geluidbelasting geldt dat in dit geval temeer nu de geluidbelasting op de gevel van de woning van verzoeker reeds aanzienlijk hoger is dan de waarde van 50 dB(A) die in wet- en regelgeving in beginsel als grenswaarde geldt. Aan de onzekerheid omtrent de toename van de geluidbelasting op de gevel van de woning van verzoeker draagt bij dat categorie 5 van de voornoemde lijst van bedrijfsactiviteiten bedrijven bevat ten aanzien waarvan een afstand van tenminste 700 meter in acht dient te worden genomen vanwege de door deze bedrijven veroorzaakte geluidbelasting, terwijl de woning van verzoeker op een afstand van ongeveer 500 meter van het plangebied ligt. Voorts draagt daaraan bij dat in de plantoelichting is aangegeven dat de geluidbelasting vanwege het bedrijventerrein op de woonomgeving van verzoeker tot maximaal 60 dB(A) mag toenemen, hetgeen meer dan een verdubbeling van de bestaande geluidbelasting op de gevel van de woning van verzoeker zou betekenen. Gelet hierop acht de Voorzitter het standpunt van verweerder dat het plan niet zal leiden tot onaanvaardbare geluidhinder voor verzoeker, op voorhand onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd.

2.8.    Ter zitting is van de zijde van het gemeentebestuur aangegeven dat nog geen uitwerkingsplan in procedure is en is gegarandeerd dat niet eerder dan in het voorjaar van 2007 bouwvergunningen zullen worden verleend.

Nu echter, zoals ter zitting is gebleken, het voorliggende bestemmingsplan de ruimtelijke onderbouwing vormt van de door verzoeker eveneens bestreden vrijstelling op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van het geldende bestemmingsplan voor het bouwrijp maken van het terrein en daarmee al een begin van uitvoering is gemaakt, ligt aan het verzoek niettemin een spoedeisend belang ten grondslag. Gelet daarop en op hetgeen hiervoor onder 2.5.1. en 2.7. is overwogen, ziet de Voorzitter aanleiding voor het treffen van de navolgende voorlopige voorziening.

2.9.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van verzoeker te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 30 september 2005, nummer 2005REG002964i;

II.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Utrecht tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 666,37 (zegge: zeshonderdzesenzestig euro en zevenendertig cent), waarvan een bedrag groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; dit bedrag dient door de provincie Utrecht aan verzoeker onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III.    gelast dat de provincie Utrecht aan verzoeker het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Rop, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren    w.g. Rop

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2006

417.