Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW3972

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-04-2006
Datum publicatie
26-04-2006
Zaaknummer
200506751/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 september 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) een lichte bouwvergunning geweigerd voor het plaatsen van een dakkapel in het achterdakvlak van de woning [locatie] te Den Haag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200506751/1.

Datum uitspraak: 26 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 05/3039 WOW44 en AWB 05/3184 WOW44 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 21 juni 2005 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 september 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) een lichte bouwvergunning geweigerd voor het plaatsen van een dakkapel in het achterdakvlak van de woning [locatie] te Den Haag.

Bij besluit van 19 januari 2005 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 juni 2005, verzonden op 22 juni 2005, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 15 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op 28 juli 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 30 september 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 maart 2006, waar appellante in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. V. Wiebenga, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellante heeft bij de rechtbank uitsluitend beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar betreffende de weigering van de bouwvergunning voor de dakkapel en niet tegen het besluit op bezwaar van dezelfde datum waarbij de aan appellante opgelegde last onder dwangsom tot verwijdering van de dakkapel in stand is gelaten. Er bestaat geen grond om te oordelen dat haar dit redelijkerwijs niet kan worden verweten. Appellante kan daarom, gelet op artikel 6:13, gelezen in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, geen hoger beroep instellen tegen de ongegrondverklaring van de bezwaren tegen de bij besluit van 26 juli 2004 opgelegde last onder dwangsom. Tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter, voor zover daarbij het verzoek om voorlopige voorziening ten aanzien van de last onder dwangsom niet-ontvankelijk is verklaard, kan, gelet op het bepaalde in artikel 37, tweede lid, aanhef en onder d, evenmin hoger beroep worden ingesteld.

2.2.    Het hoger beroep, voor zover betrekking hebbend op de last onder dwangsom, is gelet op het vorenoverwogene niet-ontvankelijk.

2.3.    Het college heeft de weigering van de bouwvergunning bij het besluit op bezwaar in stand gelaten, omdat het bouwplan volgens het advies van de welstandscommissie van 1 september 2004 niet voldeed aan redelijke eisen van welstand. Dit advies is door die commissie als volgt gemotiveerd:

"De grote geplaatste dakkapel rechtsboven in het achtergeveldakvlak veroorzaakt een onevenwichtige massacompositie, is een aantasting van het dakvlak en is daarmede een aantasting van de architectuur.".

2.4.    Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet in verbinding met het derde lid van dit artikel, mag de lichte bouwvergunning slechts en moet deze worden geweigerd, indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, van de Woningwet, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat deze niettemin moet worden verleend.

2.5.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college in dit geval mocht afgaan op het negatieve oordeel van de welstandscommissie, nu appellant geen tegenadvies van een deskundige heeft overgelegd en er ook overigens geen grond bestond voor het oordeel dat het welstandsadvies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoonde dat het college het niet - of niet zonder meer - aan het oordeel over de welstand ten grondslag had mogen leggen. De enkele stelling van appellante dat de welstandscommissie hoe dan ook niet bereid is op haar standpunt terug te komen maakt dat niet anders. De stelling dat in het overleg met de welstandscommissie zou zijn gebleken dat de leden van de welstandscommissie niet een gelijkluidende mening over het bouwwerk hadden of het feit dat de welstandscommissie op andere gronden een eerder bouwplan voor twee dakkapellen in strijd met redelijke eisen van welstand achtte bieden evenmin grond voor het oordeel dat de rechtbank, ondanks het ontbreken van een tegenadvies, tot de slotsom had moeten komen dat het welstandsadvies zodanige gebreken vertoonde dat het college daarop niet had mogen afgaan. Ook de stelling van appellante dat behoefte bestaat aan extra ruimte in de woning behoefde het college geen aanleiding te geven voor het oordeel dat de bouwvergunning niettemin behoorde te worden verleend. Ten slotte biedt de omstandigheid dat de kleurstelling van het bouwwerk feitelijk is aangepast geen grond voor het oordeel dat het college de aanvraag opnieuw had moeten voorleggen aan de welstandscommissie, reeds omdat het negatieve oordeel van de welstandscommissie geen verband houdt met de kleurstelling.

2.6.    Het hoger beroep, voor zover betrekking hebbend op de weigering van de bouwvergunning, is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover het de last onder dwangsom betreft;

II.    bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Lodder

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2006

17.