Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW3970

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-2006
Datum publicatie
26-04-2006
Zaaknummer
200601871/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 februari 2006, kenmerk NL 117244, heeft verweerder bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen overbrenging van asfaltgranulaat naar Equatoriaal Guinee.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2006/43 met annotatie van Van der Meijden

Uitspraak

200601871/1.

Datum uitspraak: 20 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "VDL Projecten B.V." en de besloten vennootschap naar het recht van Equatoriaal Guinee "K5 Oil Centre S.A.", gevestigd te respectievelijk Zuidland en Malabo (Equatoriaal Guinee),

verzoeksters,

en

de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2006, kenmerk NL 117244, heeft verweerder bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen overbrenging van asfaltgranulaat naar Equatoriaal Guinee.

Tegen dit besluit hebben verzoeksters bezwaar gemaakt.

Bij brief van 9 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hebben verzoeksters de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 april 2006, waar verzoeksters, vertegenwoordigd door mr. B.J.M. Veldhoven, advocaat te Den Haag, en B.L. Doorn, directeur van verzoekster "VDL Projecten B.V.", en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M. Piras, ambtenaar van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, en mr. M. Kaersenhout, werkzaam bij Senter Novem, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij het bestreden besluit heeft verweerder op grond van de Verordening 259/93/EEG van 1 februari 1993, betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en vanuit de Europese Gemeenschap (hierna: de Verordening) bezwaar gemaakt tegen het voornemen van verzoekster "VDL Projecten B.V." om 6.000.000 kg asfaltgranulaat over te brengen naar verzoekster "K5 Oil Centre S.A." te Equatoriaal Guinee.

2.2.    Verweerder heeft aan zijn besluit om bezwaar te maken tegen de voorgenomen overbrenging de overweging ten grondslag gelegd dat de over te brengen afvalstoffen in Equatoriaal Guinee niet worden ontdaan van de polycyclische aromatische koolwaterstoffen (hierna: PAK's). De over te brengen afvalstoffen worden direct gebruikt voor de productie en de toepassing van asfalt. Uit milieuhygiënisch oogpunt dienen de in de onderhavige afvalstoffen aanwezige PAK's, alvorens de materiaalstroom nuttig wordt toegepast, te worden vernietigd door middel van thermische verwerking, aldus verweerder. Ter zitting heeft verweerder evenwel gesteld dat de onderhavige overbrenging van afvalstoffen niet mogelijk is, omdat deze overbrenging in strijd is met artikel 18 van de Verordening. Vanwege de aanwezigheid van teer in de over te brengen afvalstoffen is verweerder van mening dat sprake is van een oranje lijststof als bedoeld in bijlage III van de Verordening onder code AC 020.

2.3.    Verzoeksters kunnen zich niet met het bestreden besluit verenigen en stellen - kort weergegeven - dat er geen bezwaren kleven aan de immobilisatie van PAK-houdend asfaltgranulaat. Dat verweerder in het Landelijk Afvalbeheersplan de voorkeur geeft aan het verwijderen van teer uit de keten, betekent naar de mening van verzoeksters niet dat immobilisatie niet mogelijk is. Wat betreft het ter zitting gehouden betoog van verweerder inzake artikel 18 van de Verordening, voeren verzoeksters - kort weergegeven - aan dat de over te brengen afvalstoffen groene lijststoffen betreffen als bedoeld in bijlage II van de Verordening onder code GG 160, zodat artikel 18 van de Verordening niet aan de overbrenging van de onderhavige afvalstoffen in de weg staat.

2.4.    De Voorzitter stelt allereerst vast dat blijkens het dictum van het bestreden besluit verweerder bezwaar heeft gemaakt tegen de voorgenomen uitvoer naar Equatoriaal Guinee. Dat verweerder blijkens het ter zitting verhandelde voorshands van mening is dat artikel 18 van de Verordening op de onderhavige kennisgeving van toepassing is, maakt dit niet anders. Immers, in artikel 18, eerste lid, van de Verordening is bepaald dat de uitvoer van afvalstoffen naar ACS-staten, waaronder Equatoriaal Guinee, verboden is, zodat verweerder ook op grond van dit artikel bezwaar kan maken tegen de voorgenomen uitvoer.

   De Voorzitter stelt gezien het ter zitting verhandelde voorts vast dat partijen onder meer verdeeld houdt de vraag of het over te brengen afval als groene lijststof dan wel als oranje lijststof als bedoeld in de bijlagen bij de Verordening moet worden aangemerkt. Partijen zijn het er gezien het ter zitting verhandelde over eens dat, indien de onderhavige afvalstoffen als groene lijststof moeten worden aangemerkt, artikel 18 van de Verordening, wat hier ook van zij, niet aan de overbrenging in de weg staat.

   De Voorzitter overweegt dat de onderhavige procedure zich niet leent voor de beoordeling van de vraag of de onderhavige afvalstoffen als groene lijststoffen moeten worden aangemerkt. Zulks kan worden beoordeeld bij de beslissing op bezwaar.

   Nu verweerder ter zitting heeft toegezegd zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen 2 weken, op het bezwaar te zullen beslissen, is de Voorzitter van oordeel dat met het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening geen spoedeisend belang is gemoeid.

   In hetgeen verzoeksters voor het overige hebben aangevoerd, ziet de Voorzitter bij afweging van de betrokken belangen, met name gezien de (mogelijke) risico's van teerhoudend asfaltgranulaat en de daarin aanwezige PAK's voor de menselijke gezondheid en het milieu, geen aanleiding voor een ander oordeel.

2.5.    Het bovenstaande brengt met zich dat de Voorzitter aanleiding ziet het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd    w.g. Montagne

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2006

374.