Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW3969

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-04-2006
Datum publicatie
26-04-2006
Zaaknummer
200509098/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 april 2004 heeft de burgemeester van Beemster (hierna: de burgemeester) appellante gelast uiterlijk voor 6 mei 2004 de exploitatie van de seksinrichting in het perceel aan de [locatie] te [plaats] te beëindigen en beëindigd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200509098/1.

Datum uitspraak: 26 april 2006.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. Awb 04-2015 van de rechtbank Haarlem van 16 september 2005 in het geding tussen:

appellante

en

de burgemeester van Beemster.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2004 heeft de burgemeester van Beemster (hierna: de burgemeester) appellante gelast uiterlijk voor 6 mei 2004 de exploitatie van de seksinrichting in het perceel aan de [locatie] te [plaats] te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij uitspraak van 1 juni 2004 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem (hierna: de voorzieningenrechter) het besluit met ingang van 1 juli 2004 geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

Bij besluit van 1 november 2004 heeft de burgemeester het door appellante tegen het besluit van 22 april 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 september 2005, verzonden op 20 september 2005, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 1 november 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 14 december 2005 heeft de burgemeester van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante en van de burgemeester. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 maart 2006, waar appellante in persoon, bijgestaan door mr. R.G. Meester, advocaat te Amsterdam, en [gemachtigde], werkzaam in de seksinrichting, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. J.P. Heinrich, advocaat te Den Haag, vergezeld door mr. A.I. Marijnissen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 89, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Beemster 1997 (hierna: de APV) is het verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan.

   Ingevolge artikel 97, eerste lid, aanhef en onder c, van de APV, voor zover thans van belang, wordt de in artikel 89, eerste lid bedoelde vergunning geweigerd indien er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav) of de Vreemdelingenwet (hierna: de Vw 2000) bepaalde.

   Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wav is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wav is het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling die beschikt over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 voor het verrichten van arbeid als zelfstandige, voor zover deze vreemdeling arbeid verricht als zelfstandige.

2.2.    De burgemeester heeft op 30 juni 2004 de bestuursdwang geëffectueerd door middel van vergrendeling en verzegeling van de seksinrichting.

   Bij besluit van 28 januari 2005 is aan appellante een vergunning verleend voor de exploitatie van de seksinrichting.

2.3.    De rechtbank heeft geoordeeld dat noch ten tijde van de aanzegging van bestuursdwang, noch ten tijde van de aanvraag om verlening van een exploitatievergunning, noch ten tijde van de uitoefening van bestuursdwang concreet zicht op legalisatie bestond. Bij dit oordeel heeft de rechtbank betrokken dat op 14 juni 2004 wederom is geconstateerd dat in de seksinrichting vrouwen werkzaam waren in strijd met het bij of krachtens de Wav of de Vw 2000 bepaalde, zodat het op dat moment niet zonder meer te verwachten was dat de door appellante aangevraagde exploitatievergunning zou kunnen worden verleend. Bovendien heeft de rechtbank daarbij betrokken dat de exploitatievergunning pas op 28 januari 2005 is verleend omdat vóór januari 2005 van de zijde van appellante essentiële aanvullende gegevens ontbraken.

2.4.    Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat concreet zicht op legalisatie bestond. In dit verband verwijst ze naar de omstandigheid dat de voorzieningenrechter ervan uit is gegaan dat een aanvraag van appellante om verlening van een exploitatievergunning voor de seksinrichting in beginsel kan worden gehonoreerd, voorts naar de op 14 juni 2004 ingediende aanvraag om verlening van een exploitatievergunning, naar de door appellante verstrekte gegevens en het bij de aanvraag gevoegde plan van aanpak van 22 juni 2004 van appellante, en ten slotte naar de omstandigheid dat op 28 januari 2005 een exploitatievergunning is verleend. Appellante voert verder aan dat ze in juni 2004 heeft verklaard bereid te zijn de regelgeving inzake zelfstandig werkende vreemdelingen na te leven.

   Appellante bestrijdt dat op 14 juni 2004 vrouwen in de inrichting werkzaam waren die niet gerechtigd waren in Nederland als prostituee te werken. Daartoe voert ze aan dat de desbetreffende vrouwen gekleed in gewone kleding bij haar op bezoek waren, en dat zij zich niet in de tot de seksinrichting behorende ruimten bevonden.

   Ten slotte voert appellante aan dat de rechtbank heeft miskend dat zij mede door onduidelijkheid in de regelgeving ten aanzien van vreemdelingen niet verwijtbaar heeft gehandeld, dat de toepassing van bestuursdwang van punitieve aard is, dat het beginsel van fair play door de burgemeester is geschonden, dat de toegepaste bestuursdwang niet voldoet aan het vereiste van proportionaliteit en subsidiariteit, en dat de uitspraak van de rechtbank onvoldoende is gemotiveerd.

2.5.    Vaststaat dat aan appellante op 28 januari 2005 een vergunning is verstrekt als bedoeld in artikel 89, eerste lid, van de APV, zodat de burgemeester in de periode daarvoor handhavend kon optreden tegen de door appellante geëxploiteerde seksinrichting.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.6.    Appellante betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat concreet zicht op legalisatie bestond. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat mede gelet op de herhaalde constatering dat in de seksinrichting in strijd met het bij of krachtens de Wav of de Vw 2000 bepaalde, vrouwen als prostituee werkzaam waren verlening van de door appellante verzochte exploitatievergunning niet zonder meer in de rede lag. In dit verband overweegt de Afdeling nog dat appellante tevergeefs betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat op 14 juni 2004 geen vrouwen illegaal werkzaam waren in de inrichting. Mede gelet op de verklaring van 20 februari 2006 van een brigadier van de regiopolitie Zaanstreek/Waterland dat bedoelde vrouwen tijdens de controle in de barruimte werden aangetroffen, heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat de eerdere verklaring van de politie dat vier vrouwen in werkkleding in de barruimte van de seksinrichting werden aangetroffen terwijl deze geopend was niet juist is. De enkele niet gestaafde stelling van appellante dat de vrouwen in gewone kleding bij haar op bezoek waren is daarvoor niet voldoende.

   Voorts heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat appellante eerst in januari 2005 alle relevante gegevens heeft verstrekt voor een adequate beoordeling van de aanvraag om verlening van een exploitatievergunning. Zo heeft appellante eerst in die maand het BTW-nummer verstrekt en duidelijkheid verschaft inzake het bewaren van de paspoorten van de als zelfstandige in de seksinrichting werkzame vrouwen. Doordat in voornoemd plan van aanpak is verzocht om [gemachtigde] in de exploitatievergunning als tweede beheerder aan te merken moest de burgemeester verder nog onderzoeken of [gemachtigde] voldeed aan de in de APV gestelde gedragseisen. Aangezien de burgemeester, gelet op de geconstateerde overtredingen tijdens de controle op 14 juni 2004, niet zonder meer kon vertrouwen op de toezegging van appellante dat zij aan de gestelde voorwaarden voor verlening van een exploitatievergunning voor een seksinrichting zou voldoen en appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de burgemeester of diens voorganger de rechtens te honoreren verwachting heeft gewekt dat ten aanzien van de inrichting geen bestuursdwang zou worden toegepast, is de rechtbank terecht tot de slotsom gekomen dat niet van de burgemeester mocht worden gevergd dat hij van handhavend optreden afzag.

   Nu sluiting van de seksinrichting noodzakelijk was om de voortdurende exploitatie daarvan zonder exploitatievergunning te beëindigen, betoogt appellante tevergeefs dat de sluiting van de inrichting niet proportioneel is. Dat appellante door onduidelijkheid in de regelgeving ten aanzien van vreemdelingen niet verwijtbaar zou hebben gehandeld laat onverlet dat zij de verbodsbepaling van artikel 89, eerste lid, van de APV heeft overtreden.

   Hetgeen voorts door appellante is aangevoerd is een herhaling van in beroep aangevoerde gronden, waarop de rechtbank heeft beslist. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat het beroep van appellante op het fair play beginsel faalt, en dat het besluit van 1 november 2004 niet punitief is in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

   Gelet op het vorenstaande betoogt appellante ten slotte tevergeefs dat de uitspraak van de rechtbank onvoldoende is gemotiveerd.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena    w.g. Klein

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2006.

176-450.