Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW3965

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-04-2006
Datum publicatie
26-04-2006
Zaaknummer
200602256/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 januari 2006, kenmerk DRZZ 06-440/GV/DvR, heeft verweerder aan verzoekers onder meer een vergunning onder voorwaarden op grond van artikel 12 van de Natuurbeschermingswet verleend voor het vissen op aal in de beschermde en staatsnatuurmonumenten "Krammer-Volkerak" en "Zoommeer-Eendracht".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200602256/1.

Datum uitspraak: 18 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) van:

[verzoekers], wonend te [woonplaats],

in het geding tussen:

de stichting "Stichting De Faunabescherming", gevestigd te Amstelveen,

en

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 januari 2006, kenmerk DRZZ 06-440/GV/DvR, heeft verweerder aan verzoekers onder meer een vergunning onder voorwaarden op grond van artikel 12 van de Natuurbeschermingswet verleend voor het vissen op aal in de beschermde en staatsnatuurmonumenten "Krammer-Volkerak" en "Zoommeer-Eendracht".

Stichting De Faunabescherming heeft tegen de verleende vergunning bezwaar gemaakt.

Bij brief van 23 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op 24 maart 2006, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 6 april 2006 heeft Stichting De Faunabescherming een nader stuk ingezonden. Dit stuk is aan de andere partijen toegezonden.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 10 april 2006, waar verzoekers, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en verweerder, vertegenwoordigd door mr.ing. H.D. Strookman, ambtenaar ten departemente, zijn verschenen. Stichting De Faunabescherming en het college van gedeputeerde staten van Zeeland zijn met kennisgeving niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet, voor zover hier van belang, wordt de werking van een besluit tot verlening van een vergunning voor het verrichten van handelingen in een beschermd natuurmonument en een staatsnatuurmonument opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

Zoals de Voorzitter in onder meer zijn uitspraak van 16 april 2002, no. 200201913/1, heeft overwogen is de opschortende werking van artikel 19, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet eveneens op de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift en op het indienen van een bezwaarschrift van toepassing.

2.2.    Het bestreden besluit, voor zover hier van belang, strekt ertoe dat verzoekers tot en met 31 december 2007, onder voorwaarden, in de beschermde en staatsnatuurmonumenten "Krammer-Volkerak" en "Zoommeer-Eendracht" op aal kunnen vissen.

2.3.   Verzoekers beogen met hun verzoek opheffing van de opschortende werking van het bij verweerder ingediende bezwaar ten aanzien van het besluit van 30 januari 2006, voor zover het het vissen op aal betreft. Ter motivering van hun verzoek voeren zij aan dat het seizoen halverwege deze maand aanvangt en dat zij een groot bedrijfseconomisch belang hebben bij het zo spoedig mogelijk kunnen beginnen met de vergunde activiteit. Verzoekers betogen dat de vergunde activiteit geen significante gevolgen heeft voor de aangewezen gebieden. Zij verwijzen naar de uitspraak van 5 november 2004, no. 200406869/3, waarin de Voorzitter naar aanleiding van een eerder door hen ingediend verzoek, een voorlopige voorziening heeft getroffen.

2.4.      De Stichting De Faunabescherming heeft in bezwaar, samengevat, aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat de vergunde aalvisserij geen significante gevolgen heeft voor de beschermde gebieden. Ten onrechte ontbreken volgens haar een keerwantverplichting en een passende beoordeling van het effect van fuiken op andere vissoorten en vogels. Verder heeft zij aangevoerd dat verweerder ten onrechte de vangst van een ongelimiteerde hoeveelheid bedreigde aal toelaat.

Het oordeel van de Voorzitter

2.5.  Verweerder heeft niet bestreden dat de aalstand slecht is. Hij heeft ter zitting erop gewezen dat voor het "Krammer-Volkerak" en het "Zoommeer-Eendracht" een milieu-effectrapport wordt opgesteld, waarin de vraag aan de orde is of het gebied zoet moet blijven danwel opnieuw zout moet worden. Hierbij speelt een rol dat het ecosysteem in de gebieden wordt verstoord door eutrofiëring en de explosieve groei van blauwalgen in de zomermaanden. Het zal zeker nog tot 2007 duren voordat de besluitvorming hierover zal zijn afgerond. Gelet hierop heeft verweerder zich naar het oordeel van de Voorzitter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat hij thans niet kan vooruitlopen op de totstandkoming van en de besluitvorming over dat rapport. Weliswaar worden in het Nederlands Beheerplan Aal maatregelen voorgesteld voor een duurzaam beheer van de aalstand, maar verweerder heeft bij het nemen van het bestreden besluit er van mogen uitgaan dat dergelijke maatregelen op Europees niveau zullen worden genomen en dat het niet wenselijk is dat Nederland, los van afspraken op Europees niveau, een eigen op te vissen quotum voor aal vaststelt.      

2.5.1.  Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is de Voorzitter verder gebleken dat de huidige situatie, mede gelet op de aan de vergunning verbonden voorwaarden, niet in betekenende mate verschilt van de situatie die bestond ten tijde van de in overweging 2.3. genoemde uitspraak met betrekking tot de bij besluit van 5 juli 2004 verleende vergunning.              

    Stichting De Faunabescherming heeft niet aannemelijk gemaakt dat het gebruik van een keerwant in de fuiken zal bijdragen aan het voorkomen van vogelslachtoffers, met name jonge Aalscholvers, of andere slachtoffers onder dieren die in fuiken verstrikt raken.

Overigens merkt de Voorzitter op dat Stichting De Faunabescherming noch een andere organisatie bij de Afdeling bestuursrechtspraak beroep heeft ingesteld tegen het besluit van verweerder van 23 februari 2005, waarbij hij de bezwaren tegen het besluit van 5 juli 2004, afgezien van die welke gericht waren tegen de looptijd van de desbetreffende vergunning, ongegrond heeft verklaard.

2.5.2. Hoewel verweerder in het bestreden besluit op summiere wijze heeft overwogen dat de in geding zijnde aalvisserij niet tot enig effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de beschermde gebieden zal leiden, ziet de Voorzitter mede gelet op de gestelde voorwaarden en de ter zitting gegeven toelichting voorshands onvoldoende grond voor de conclusie dat de vergunde activiteit significante schadelijke gevolgen zal hebben voor de, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen volgens de besluiten tot aanwijzing van het "Krammer-Volkerak" en het "Zoommeer-Eendracht", relevante natuurwaarden van de aangewezen gebieden. Gelet hierop en in aanmerking genomen de betrokken belangen van verzoekers, is de Voorzitter van oordeel dat de schorsende werking van het bezwaar kan worden opgeheven.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.    

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

treft de voorlopige voorziening dat de opschortende werking van het bezwaar tegen het besluit van 30 januari 2006, kenmerk DRZZ 06-440/GV/DvR, van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wordt opgeheven, voor zover het betrekking heeft op de aalvisserij.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren    w.g. Broekman

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2006

12.