Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW3962

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-04-2006
Datum publicatie
26-04-2006
Zaaknummer
200600914/2
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ouderkerk aan den IJssel (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling en reguliere bouwvergunning verleend voor de bouw van achttien woningen op het perceel, kadastraal bekend gemeente Ouderkerk aan den IJssel, sectie […], nummers […], gelegen aan de Sportlaan te Ouderkerk aan den IJssel (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200600914/2.

Datum uitspraak: 18 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

de Bewonersgroep BBZT te Ouderkerk aan den IJssel,

verzoeker,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/3899 van de rechtbank 's-Gravenhage van 28 december 2005 in het geding tussen:

verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van Ouderkerk aan den IJssel.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ouderkerk aan den IJssel (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling en reguliere bouwvergunning verleend voor de bouw van achttien woningen op het perceel, kadastraal bekend gemeente Ouderkerk aan den IJssel, sectie […], nummers […], gelegen aan de Sportlaan te Ouderkerk aan den IJssel (hierna: het perceel).

Bij besluit van 26 april 2005 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 december 2005, verzonden op 2 januari 2006, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft verzoeker bij brief van 1 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 12 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 april 2006, waar verzoeker, vertegenwoordigd door mr. H.S. Weeda, A.J. Baan en J. Docters van Leeuwen, gemachtigden, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Winkelhuijzen en J.F. Lansbergen, onderscheidenlijk advocaat te Alphen aan de Rijn en ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. C.J. Visser, advocaat te Rotterdam, en door [gemachtigde].

2.    Overwegingen

2.1.    Besluiten zijn in het algemeen uitvoerbaar, ook als daartegen een rechtsmiddel is aangewend. Dit geldt te meer, indien zoals in dit geval, de rechter in eerste aanleg het besluit heeft getoetst en het daartegen ingestelde beroep ongegrond heeft verklaard.

2.2.    In hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht bestaat geen grond voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat de vrijstelling en de bouwvergunning niet mochten worden verleend. Daarbij wordt over het betoog van verzoeker, dat drie van de achttien woningen op een te korte afstand van een aardgastransportleiding zijn geprojecteerd overwogen dat ter zitting van de zijde van het college is verklaard dat het voorafgaand aan de vergunningverlening over dit onderwerp overleg heeft gevoerd met de Gasunie. Bovendien blijkt uit een brief van de inspectie van het ministerie van VROM van 20 juli 2005 aan verzoeker over dit onderwerp dat medewerkers van deze inspectie op 1 juni 2005 in verband met de bouwwerkzaamheden het perceel hebben bezocht en dat deze inspectie hierin geen aanleiding heeft gezien om terug te komen op een eerdere brief aan het college van 19 december 2003. Onder deze omstandigheden bestaat thans onvoldoende grond voor het oordeel dat (uiteindelijk) zal komen vast te staan dat de aanwezigheid van de aardgastransportleiding zonder dat extra veiligheidsmaatregelen worden getroffen aan de bouw van de woningen in de weg staat.

2.3.    Gelet hierop en op de betrokken belangen, bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Boer

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2006

201.