Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW2313

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-04-2006
Datum publicatie
19-04-2006
Zaaknummer
200503631/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 augustus 2004 heeft de gemeenteraad van Tynaarlo, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 3 augustus 2004, het bestemmingsplan "Ter Borch" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200503631/1.

Datum uitspraak: 19 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Drenthe,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 24 augustus 2004 heeft de gemeenteraad van Tynaarlo, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 3 augustus 2004, het bestemmingsplan "Ter Borch" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 15 maart 2005, kenmerk 5.1/2004009199, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 6 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op 9 mei 2005, en appellant sub 2 bij brief van 25 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 26 april 2005, beroep ingesteld. Appellant sub 2 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 17 mei 2005.

Bij brief van 21 juni 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 februari 2006, waar appellanten sub 1, in persoon en bijgestaan door mr. H.A. Wieringa, advocaat te Assen, appellant sub 2, in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door P.K. Munnik, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr. ing. J.D. Frieling, wethouder, en J.E. Ploeger, F. de Vries en H.C. Hamhuis, ambtenaren van de gemeente, en bijgestaan door mr. W.R. van der Velde, advocaat te Groningen.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verder: de WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: de Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het plan

2.3.    Het plan voorziet in onder meer de aanleg van een woonwijk van 1.250 woningen en daarbij behorende infrastructuur, een bedrijventerrein en een groenzone ten zuiden van de stad Groningen.

Het standpunt van appellanten

2.4.    [appellanten] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte grotendeels goedkeuring heeft verleend aan het plan. Daartoe stellen zij dat ten onrechte geen milieueffectrapport (verder: MER) is opgesteld voor het plan. [appellanten sub 1] wijzen daarbij op samenhang met verschillende plannen in de nabijheid van het plangebied Ter Borch, waaronder de wijk "Piccardthof".

   Volgens [appellant sub 2] voorziet het plan ten onrechte niet in een doorgaande vaarverbinding voor zwaarder bootverkeer tussen het Paterswoldsemeer en het Leekstermeer. Hij wijst voorts op een gifdepot nabij de Piccardthofplas.

   Volgens [appellanten sub 1] zullen de Peizer- en Eeldermaden ernstig worden aangetast door luchtverontreiniging, licht-, zicht- en geluidhinder. Zij stellen dat wordt gehandeld in strijd met het Structuurschema Groene Ruimte (verder: het SGR) en het Provinciaal Omgevingsplan (verder: het POPII). In dit verband stellen [appellanten sub 1] voorts dat de natuurcompensatie die in het plan is opgenomen financieel onuitvoerbaar is. [appellanten sub 1] stellen voorts dat de bestemming "Laagveenontginning en Beekdal" en de aanwijzing van het gebied tussen het Eelderdiep en het Omgelegde Eelderdiep als zone IV in het POPII in strijd zijn met het rijksbeleid.

   [appellanten sub 1] stellen voorts dat de in het verkeerskundig onderzoek gehanteerde uitgangspunten onjuist zijn nu daarin is uitgegaan van een nieuwe aansluiting op de A7. Volgens hen is onvoldoende onderzoek gedaan naar de verkeersgevolgen van het plan.

   [appellanten sub 1] stellen daarnaast dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Wegverkeer" voor zover daarmee een ontsluitingsweg wordt mogelijk gemaakt over hun perceel en parallel aan de Laan van Bruilweering. Zij stellen daartoe dat hun belangen onvoldoende of op onjuiste wijze bij de belangenafweging omtrent de keuze voor het tracé van de ontsluitingsweg zijn betrokken. Door de ligging van de weg worden de op hun perceel aanwezige natuurwaarden en de natuurwaarden van de Laan van Bruilweering aangetast. Volgens appellanten is de ligging van de ontsluitingsweg verder in strijd met het advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage (verder: de Commissie).

Standpunt verweerder

2.5.    Verweerder heeft goedkeuring onthouden aan delen van de plandelen met de bestemming "Uit te werken woongebied" ten oosten van het Omgelegde Eelderdiep en heeft het plan voor het overige goedgekeurd. In zoverre acht hij het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het opstellen van een MER in dit geval niet is vereist.

   Verweerder acht een doorgaande vaarverbinding onwenselijk vanuit het oogpunt van een goed woonmilieu en de in het plangebied aanwezige natuurwaarden. Volgens verweerder bestaat voorts geen bestuurlijk draagvlak voor een recreatieve vaarverbinding.

   Verweerder is van mening dat geen strijd bestaat met het rijksbeleid omdat de wezenlijke waarden en kenmerken van de Peizer- en Eeldermaden door het plan niet worden aangetast. Bovendien worden mitigerende maatregelen getroffen en vindt natuurcompensatie plaats.

   Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat aan de normen voor luchtkwaliteit wordt voldaan en dat het plan niet leidt tot onaanvaardbare verkeershinder.

   Verweerder stelt zich ten slotte op het standpunt dat ten aanzien van de keuze voor het tracé van de hoofdontlsuitingsweg een zorgvuldige belangenafweging heeft plaatsgevonden. Andere tracés zijn ongewenst, onder meer omdat daardoor een ongunstige verkaveling zou ontstaan waardoor gronden niet zouden kunnen worden bestemd voor de functie wonen, wat een fors economisch nadeel zou opleveren. Het neerleggen van de hoofdontsluiting op de huidige Laan van Bruilweering is geen optie vanwege de daar aanwezige natuurwaarden. In dit verband is het volgens verweerder gewenst dat de ontsluitingsweg uitkomt op het bestaande knooppunt van de Laan van Bruilweering met het Omgelegde Eelderdiep. Verweerder is met betrekking tot het volkstuinencomplex van mening dat de belangen van velen opwegen tegen de belangen van appellanten. Bovendien is het van belang geacht de hoofdontsluitingsweg in het noorden te laten aansluiten op het aan te leggen transferium en een knik in het tracé van de weg aan te brengen opdat deze voor het doorgaande verkeer onaantrekkelijk wordt. Wat betreft de ligging van de weg wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met het advies van de Commissie.

Vaststelling van de feiten

2.6.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.6.1.    Het plan voorziet in de bouw van een woonwijk van 1.250 woningen met een oppervlakte van 105 hectare, de aanleg van een bedrijvenlocatie van ongeveer 20 hectare en een deel van een transferium van ongeveer 10 hectare. De totale omvang van de voorgenomen activiteiten betreft ongeveer 135 hectare.

   Het plangebied ligt in het oostelijke deel van het beekdal van het Eelderdiep. Het plangebied wordt van noord naar zuid doorsneden door het Omgelegde Eelderdiep. Het Omgelegde Eelderdiep vormt de oostelijke begrenzing van het gebied Peizer- en Eeldermaden. De oostkant van het plangebied wordt begrensd door de Ter Borchlaan en de Groningerweg. In het noorden wordt het plangebied begrensd door de A7 en in het westen door het Eelderdiep.

Op een afstand van ongeveer twee kilometer van het plangebied ligt, nabij de Piccardthofplas, een gifdepot.

2.6.2.    Het Omgelegde Eelderdiep heeft de bestemming "Water". Parallel aan het Omgelegde Eelderdiep liggen plandelen met de bestemming "Dijk". Ingevolge artikel 10 van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor waterkering en groenvoorzieningen en paden. De gronden ten westen van het Omgelegde Eelderdiep, behorende tot de Peizer- en Eeldermaden, hebben de bestemming "Laagveenontginning en beekdal". Ingevolge artikel 9 van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke en natuurlijke waarden van laagveenontginningen en beekdalen. Ingevolge dit planvoorschrift is dagrecreatie op deze gronden mogelijk. In de beschrijving in hoofdlijnen bij dit planvoorschrift staat onder meer dat alle doeleinden ondergeschikt zijn aan het doel van behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke en natuurlijke waarden van de laagveenontginning en beekdalen.

   Ten oosten van het Omgelegde Eelderdiep liggen plandelen met de bestemming "Uit te werken woongebied". Het plan voorziet voorts in een hoofdontsluiting ten behoeve van de voorziene woonwijk. De plandelen waarop deze ontsluiting is voorzien hebben de bestemming "Wegverkeer". De hoofdontsluiting is voorzien ten oosten van het Omgelegde Eelderdiep en loopt hieraan deels parallel. Voorts hebben drie plandelen ten oosten van het Omgelegde Eelderdiep de bestemming "Natuur". Ingevolge artikel 11 van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke en natuurlijke waarden.

   In het noordelijke deel van het plangebied, langs de A7, ligt een plandeel met de bestemming "Uit te werken ontwikkelingszone A7". Hierop is ingevolge artikel 6 van de planvoorschriften een transferium voorzien waarop onder meer bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan. Een plandeel ten zuidoosten van het transferium heeft de bestemming "Volkstuinencomplex".

   Het plan maakt geen doorgaande vaarverbinding voor zwaarder recreatief bootverkeer tussen het Paterswoldsemeer en Leekstermeer mogelijk.

2.6.3.    Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 2, eerste lid, van het Besluit milieu-effectrapportage 1994, zoals gewijzigd bij Besluit van 7 mei 1999 (verder: het Besluit m.e.r.), en bijlage-onderdeel C onder 11.1, voor zover hier van belang, is de bouw van woningen, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat buiten de bebouwde kom, aangewezen als activiteit ten aanzien waarvan het maken van een MER verplicht is.

   Ingevolge artikel 7.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 7.8b en 7.8d van de Wet milieubeheer en artikel 2, tweede lid, van het Besluit m.e.r., en bijlage-onderdeel D, onder 11.2, voor zover hier van belang, is de uitvoering van een stadsproject in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlak van 100 hectare of meer een activiteit, ten aanzien waarvan moet worden bepaald of vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder deze activiteit wordt ondernomen een MER moet worden gemaakt.

   Blijkens de Nota van Toelichting behorende bij het Besluit m.e.r. worden onder stadsprojecten verstaan die projecten waarbij in één project verschillende activiteiten worden ondernomen, zoals woningbouw of het creëren van bedrijfsruimten, winkelcentra of parkeerterreinen.

2.6.4.    Bij de voorbereiding van het plan is in opdracht van het gemeentebestuur door het onderzoeksbureau BügelHajema Adviseurs (verder: BügelHajema) een rapport opgesteld genaamd "Plan van Aanpak m.e.r.-beoordelingsplicht Ter Borch" (verder: het Plan van Aanpak), gedateerd 18 april 2003. In dit Plan van Aanpak staat dat de voorgenomen activiteiten noch als zelfstandig bestemmingsplan, noch als onderdeel van een groter geheel, voldoen aan omschrijvingen in Bijlage C van het Besluit m.e.r..

   In het Plan van Aanpak is verder vermeld dat het gemeentebestuur de in het plan voorziene activiteiten heeft aangemerkt als 'stadsproject' als bedoeld in 11.2 van bijlage-onderdeel D van het Besluit m.e.r.. Omdat het plangebied verder een omvang heeft van ongeveer 130 hectare, moet volgens het Plan van Aanpak worden beoordeeld of voor het bestemmingsplan een MER moet worden gemaakt. Deze beoordeling is neergelegd in de "Notitie m.e.r.-beoordeling Ter Borch" (verder: de Notitie), opgesteld door BügelHajema Adviseurs en gedateerd 17 juli 2003. In de Notitie staat dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, en dat derhalve geen MER behoeft te worden opgesteld. In het kader van deze beoordeling is voorts advies gevraagd aan de Commissie. In het "Advies m.e.r.-beoordeling Ter Borch", gedateerd 1 juli 2003, concludeert de Commissie dat geen bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 7.8b, vierde lid, van de Wet milieubeheer aanwezig zijn en dat derhalve geen MER behoeft te worden opgesteld.

2.6.5.    Uit het SGR volgt dat het gebied ten westen van het Omgelegde Eelderdiep, dat deel uitmaakt van het gebied Peizer- en Eeldermaden, in een globaal begrensd kerngebied van de Ecologische Hoofdstructuur (verder: de EHS) ligt. Voor het overige ligt het plangebied buiten de EHS.

   In het SGR is verwoord dat het rijksbeleid ingrepen en ontwikkelingen in en in de onmiddellijke nabijheid van kerngebieden die onderdeel uitmaken van de EHS niet toestaat indien deze ingrepen de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Alleen bij een zwaarwegend maatschappelijk belang kan hiervan worden afgeweken. De aanwezigheid van een dergelijk belang wordt op basis van voorafgaand onderzoek vastgesteld. Hierbij moet tevens worden nagegaan of aan dit belang niet redelijkerwijs elders of op andere wijze tegemoet kan worden gekomen. Indien na afweging van de belangen wordt besloten tot de ruimtelijke ingreep zullen in elk geval mitigerende en, indien deze onvoldoende zijn, compenserende maatregelen moeten worden getroffen. De basisbescherming die het SGR beoogt te bieden geldt voor het globaal begrensde gebied. Na de concrete begrenzing, die op provinciaal niveau vorm dient te krijgen, geldt de basisbescherming alleen voor de definitieve EHS, aldus de toelichting bij het SGR.

Vast staat dat het gedeelte van het plangebied ten westen van het Omgelegde Eelderdiep ligt binnen de bruto-EHS/milieubeschermingsgebied zoals aangeduid op kaart G bij het POPII.

2.6.6.    De gronden ten westen van het Omgelegde Eelderdiep zijn in het POPII aangeduid als "Zone IV". In deze zone zijn doeleinden van landbouw, natuur, landschap en natuurhistorie van belang. Het beleid ten aanzien van de gronden in deze zone is erop gericht de samenhang tussen de functies landbouw en natuur te versterken. Inrichtingsmaatregelen binnen deze zone worden afgestemd op behoud, herstel en ontwikkeling van de waarden van natuur, landschap en cultuurhistorie, waarbij rekening wordt gehouden met het landbouwkundig gebruik.

2.6.7.    Volgens de plantoelichting wordt met het plan beoogd te voorzien in een gedeelte van de woningbehoefte van de stad Groningen. In de plantoelichting staat dat de behoefte aan woningbouw en aan het kantoren- en bedrijventerrein Kranenburg-Zuid voortvloeit uit onder meer de Regiovisie Groningen-Assen 2030 (verder: de Regiovisie) en het POPII. Bundeling van woningbouw is daarbij gewenst. In de Regiovisie en het POPII staat dat Eelderwolde een bundelingsgebied is voor de woningbouwopgave van de stad Groningen. In de Regiovisie zijn meerdere locaties onderzocht voor de uitvoering van deze taakstelling. In de Regiovisie staat dat de locatie van de woningbouwlocatie Ter Borch aansluit bij de zuidwestelijke stadsdelen van Groningen. Voor het plangebied wordt in de Regiovisie een woningbouwopgave genoemd van 1.250 woningen.

2.6.8.    In het rapport "Natuurontwikkeling Ter Borch", opgesteld door H+N+S Landschapsarchitecten en gedateerd november 2000 staat dat het huidige landschapsbeeld van de Peizer- en Eeldermaden open is. In het gebied worden verschillende natuurdoeltypen voorzien, die tezamen een parklandschap vormen. Het reliëf, in combinatie met het waterpeil zal in grote mate bepalend zijn voor de variatie in natuurdoeltypen.

2.6.9.    In het onderzoeksrapport "Advies Flora- en faunawet bestemmingsplan Ter Borch", opgesteld door BügelHajema en gedateerd 8 oktober 2003, staat dat de Peizer- en Eeldermaden aan de westkant van het Omgelegde Eelderdiep over de gehele lengte van het plangebied bestaan uit begraasde en niet-begraasde weilanden met slootjes. In het advies staat dat de bouw van de voorziene woonwijk en de aanleg van een ontsluitingsweg verstoring door zicht, licht en geluid met zich kan brengen voor enkele in de Peizer- en Eeldermaden aanwezige dier- en plantensoorten. In het rapport worden voorts verschillende maatregelen genoemd, zoals het oprichten van een houtsingel, die de gevolgen van het plan voor de EHS beperken.

2.6.10.    In het rapport "Waterhuishouding Ter Borch", opgesteld door ingenieursbureau Tauw B.V. (verder: Tauw B.V.) en gedateerd 28 november 2000, staat dat de hydrologische effecten van de realisatie van het nieuwe woongebied Ter Borch op het natuurgebied de Peizer- en Eeldermaden verwaarloosbaar klein zijn.

   In het rapport "Waterhuishouding Ter Borch, aanvullende scenarioberekeningen", opgesteld door Tauw B.V. en gedateerd 4 maart 2004, staat dat de effecten als gevolg van de hydrologische ingrepen in de woonwijk voornamelijk van locale aard zijn. De uitstraling van de effecten naar de omgeving is gering.

   Bij brief van 16 maart 2004 stelt het waterschap Noorderzijlvest dat het waterschap kan instemmen met het bestemmingsplan. Belangrijke aspecten als de wederzijdse beïnvloeding van de woonwijk Ter Borch en het gebied Peizer- en Eeldermaden zijn meegenomen in het plan. Het plan voorziet in mitigerende maatregelen om deze wederzijdse beïnvloeding te beperken. Er wordt tevens voorzien in de aanleg van voldoende open water en voldoende drooglegging, waardoor aan de eisen van het waterschap wordt voldaan.

2.6.11.    Bij brief van 23 december 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen aangegeven dat de aanleg van een nieuwe op- en afrit vanaf het transferium ten noorden van de voorziene wijk Ter Borch op de A7 eerst in 2015 zal worden verwezenlijkt. Tot die tijd zal volgens het college gebruik moeten worden gemaakt van de bestaande op- en afritten van de verkeersaansluiting A7-Hoogkerk.

   In het rapport "Verkeersgegevens Ter Borch", opgesteld door DHV Milieu en Infrastructuur B.V. en gedateerd 18 oktober 2000, staat dat een verbinding van de ontsluitingsroute door de wijk in de richting Hoogkerk en de A7 als uitgangspunt is genomen voor de verkeersberekeningen. In dit rapport staat verder dat rekening is gehouden met verkeersbewegingen vanuit naastgelegen woonwijken.

   In het rapport "Verkeersmodelberekeningen Ter Borch - eindrapport", opgesteld door Verkeersadviesbureau Diepens en Okkema en gedateerd 26 maart 2002, staat dat de voorziene wijk aan de noordzijde wordt ontsloten op de A7 afrit Hoogkerk. Volgens het rapport is bij de verkeersmodelberekeningen gebruik gemaakt van een verkeersmodel voor de stad Groningen en omgeving, waarbij het jaar 2020 als prognosejaar is genomen. In het rapport zijn berekeningen uitgevoerd voor verschillende varianten van de ontsluitingsweg. Volgens het rapport is verder een analyse uitgevoerd van het doorgaand verkeer, waarbij rekening is gehouden met congestieproblemen op het omliggende wegennet. Deze analyse heeft geleid tot de conclusie dat de route door Ter Borch voor verkeer met een herkomst of bestemming buiten de wijk, ook bij congestie op het hoofdwegennet, weinig gebruikt zal gaan worden. Het risico van sluipverkeer is volgens het rapport beperkt. Voorts kunnen volgens het rapport verkeersmaatregelen worden getroffen om eventuele overlast te beperken.

2.6.12.    Vanuit het noorden loopt de hoofdontsluitingsweg, voor zover hier van belang, ten westen van het voorziene transferium, parallel aan het Omgelegde Eelderdiep. Vervolgens wordt de Laan van Bruilweering gekruist en loopt de ontsluiting ten zuiden van en parallel aan de Laan van Bruilweering naar het oosten.

   Appellanten wonen op het perceel [locatie] te [plaats], ten zuiden van de Laan van Bruilweering en nabij de kruising van de hoofdontsluiting met de Laan van Bruilweering. Het perceel van appellanten, met een oppervlakte van ongeveer 2.600 m2, zal worden doorsneden door de voorziene hoofdontsluiting. Het perceel zal worden aangekocht om de verwezenlijking van het plan mogelijk te maken.

2.6.13.    In de nota "Nota overleg ex artikel 10 Bro en inspraak ontwerp-bestemmingsplan Ter Borch", opgesteld door BügelHajema en gedateerd 7 januari 2004, wordt de keuze voor het tracé van de ontsluitingsweg gemotiveerd. Het tracé heeft een heldere structuur en indeling van het plangebied tot gevolg. Verder ontstaat een duidelijke begrenzing van de onderscheiden gebieden door het structuurbepalende element de Laan van Bruilweering. De kruising van de ontsluitingsweg met de Laan van Bruilweering ligt voorts op een logische plaats, namelijk bij het huidige knooppunt bij de brug over het Omgelegde Eelderdiep. Een ontsluiting over het bedrijventerrein is niet wenselijk. Het gekozen tracé vormt voorts een landschappelijk fraaie route. Door de ligging van de weg ten opzichte van de voorziene woningen ontstaat een uit stedenbouwkundig oogpunt en uit het oogpunt van sociale veiligheid goede (fiets)route. Voorts wordt het huidige complex recreatiewoningen niet aangetast.

2.6.14.    In de nota "Nota zienswijzen eerste tervisielegging ontwerp-bestemmingsplan Ter Borch", opgesteld door BügelHajema en gedateerd 3 augustus 2004, heeft de gemeenteraad gereageerd op de door appellanten ingediende zienswijze. In deze nota staat onder meer dat het economisch onverantwoord is om het tracé van de ontsluitingsweg om het perceel van appellanten heen te leggen. Bovendien worden de waarden van het perceel ook door een dergelijk alternatief aangetast. Een ander alternatief, waarbij de ontsluitingsweg verder van het perceel van appellanten wordt aangelegd, is uit economisch en stedenbouwkundig oogpunt niet wenselijk.

Het oordeel van de Afdeling

2.7.    Vast staat dat het plan Ter Borch voorziet in maximaal 1.250 woningen. Nu daarmee niet wordt voldaan aan de drempel van 2.000 woningen voortvloeiende uit artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 2, eerste lid, van het Besluit m.e.r. en bijlage-onderdeel C onder 11.1, is het maken van een MER voor dit plan niet verplicht.

   Met betrekking tot de door [appellanten sub 1] gestelde samenhang met andere plannen in de omgeving van het plangebied overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat het plan Ter Borch samenhangt met deze andere plannen of activiteiten, zodanig dat van één activiteit in de zin van artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer moet worden gesproken. Wat betreft de door [appellanten sub 1] gestelde samenhang met de woonwijk Piccardthof ten oosten van het plangebied merkt de Afdeling op dat ter zitting door het gemeentebestuur onweersproken is gesteld dat deze wijk bestaat uit ongeveer 450 woningen. Zo deze plannen al zouden moeten worden beschouwd als één activiteit, stelt de Afdeling vast dat de plannen ook in samenhang bezien niet leiden tot een overschrijding van bovengenoemde drempel van 2.000 woningen. Derhalve vloeit uit een eventuele samenhang van het plan Ter Borch met de wijk Piccardthof, wat daar ook van zij, niet voort dat het opstellen van een MER verplicht is.

2.8.    Uit het in overweging 2.6.4 genoemde Plan van Aanpak en de in die overweging genoemde Notitie blijkt dat het gemeentebestuur de in het plan voorziene activiteiten heeft aangemerkt als stadsproject. De stelling van [appellanten sub 1] dat het plan ten onrechte niet als stadsproject is aangemerkt mist dan ook feitelijke grondslag.

   Uit artikel 7.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 7.8b en 7.8d van de Wet milieubeheer en artikel 2, tweede lid, van het Besluit m.e.r., en bijlage-onderdeel D, onder 11.2 vloeit voort dat, nu het plan is aan te merken als stadsproject en de omvang van het plangebied groter is dan 100 hectare, moet worden beoordeeld of een MER moet worden gemaakt. Onder verwijzing naar de in overweging 2.6.4. genoemde Notitie stelt de Afdeling vast dat deze beoordeling heeft plaatsgevonden. Deze beoordeling heeft geleid tot de conclusie dat geen MER behoeft te worden opgesteld voor het plan Ter Borch. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat verweerder zich niet in redelijkheid bij deze conclusie heeft kunnen aansluiten. Daarbij neemt de Afdeling mede het in overweging 2.6.4. genoemde advies van de Commissie in aanmerking.

2.9.    Met betrekking tot het gifdepot nabij de Piccardthofplas is ter zitting door verweerder en de gemeenteraad onweersproken gesteld dat dit depot op een afstand van ongeveer twee kilometer van het plangebied is gelegen. Mede gelet op deze afstand is de Afdeling van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat het gifdepot nabij de Piccardthofplas, wat daar verder van zij, in de weg staat aan de verwezenlijking van het plan.

2.10.    Vast staat dat het plan geen doorgaande vaarverbinding tussen het Paterswoldsemeer en het Leekstermeer mogelijk maakt. [appellant sub 2] heeft geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd op basis waarvan de noodzaak tot de aanleg van een dergelijke vaarverbinding moet worden aangenomen. Dat een doorgaande vaarverbinding recreatie en toerisme zou stimuleren en het woonplezier zou verhogen, wat hier ook van zij, maakt dit niet anders. Voor zover [appellant sub 2] stelt dat een vergroting van het waterbergend vermogen noodzakelijk is om wateroverlast te voorkomen, overweegt de Afdeling dat hij deze stelling niet heeft onderbouwd met feiten of gegevens. Gelet op de in overweging 2.6.10. weergegeven onderzoeksresultaten acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat het plan tot wateroverlast zal leiden.

   Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een doorgaande vaarverbinding tussen het Leekstermeer en het Paterswoldsemeer niet in het plan behoefde te worden opgenomen.

2.11.    In overweging 2.6.5. is het beleidskader voor de EHS zoals neergelegd in het SGR weergegeven. In het kader van de beslissing omtrent de goedkeuring van het bestemmingsplan heeft verweerder het plan aan dit beleidskader getoetst.

   Gelet op de in overwegingen 2.6.9. en 2.6.10. weergegeven onderzoeksconclusies en feitelijke situatie, in samenhang met de ontwikkelingsdoelstellingen met betrekking tot de Peizer- en Eeldermaden is op voorhand niet uitgesloten dat de wezenlijke waarden en kenmerken van dit gebied kunnen worden aangetast door de verwezenlijking van het plan. Uit de onderzoeksconclusies volgt immers dat het plan licht- en geluidhinder met zich kan brengen voor de in de EHS aanwezige flora en fauna en dat het plan veranderingen in de waterhuishouding tot gevolg heeft. Niet aannemelijk is geworden dat de invloed van het plan op de luchtkwaliteit in de omgeving een aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van de EHS met zich brengt.

   Blijkens de plantoelichting, de Regiovisie, het POPII en het verhandelde ter zitting wordt met het plan beoogd te voorzien in een gedeelte van de woningbehoefte van de stad Groningen. In de Regiovisie is uiteengezet op welke plaatsen de woningbouwopgave kan worden verwezenlijkt en is onder meer het plangebied als bundelingsgebied voor deze opgave aangewezen. De Afdeling acht voornoemde doelstelling niet onredelijk en acht voorts voldoende aannemelijk gemaakt dat met de verwezenlijking van het plan een zwaarwegend maatschappelijk belang wordt gediend, waaraan niet elders of op andere wijze tegemoet kan worden gekomen. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat [appellanten sub 1] hun stelling dat geen behoefte is aan woningbouw op de in het plan voorziene locatie niet hebben onderbouwd met concrete feiten of gegevens en zij ook overigens niet aannemelijk hebben gemaakt dat verweerder de verwezenlijking van het plan ten onrechte als een zwaarwegend maatschappelijk belang heeft aangemerkt.

   Blijkens de eerdergenoemde onderzoeken bestaat de verstoring van de waarden binnen de EHS uit zicht-, licht- en geluidhinder ten gevolge van de woonwijk en de hoofdontsluiting. Uit het in overweging 2.6.10. genoemde onderzoek blijkt voorts dat het plan hydrologische gevolgen voor de EHS heeft. Tussen de EHS en de woonwijk en ontsluiting is een dijklichaam gelegen, waardoor de zichthinder en lichthinder ten gevolge van verkeer op de hoofdontsluiting wordt beperkt. Voorts blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting dat verschillende mitigerende maatregelen zullen worden getroffen, zoals het uitvoeren van de straatverlichting met zogenoemde gerichte verlichting, waardoor enkel de woonwijk wordt verlicht. Voor zover het plan hydrologische gevolgen heeft zijn deze blijkens de onderzoeken zeer beperkt en is volgens de onderzoeken voorts voorzien in mitigerende maatregelen. De Afdeling acht niet aannemelijk dat de gevolgen van het plan voor de EHS niet door middel van voornoemde maatregelen kunnen worden beperkt. Gelet hierop en op de eerdergenoemde onderzoeksconclusies acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat de wezenlijke waarden en kenmerken van de EHS ernstig door het plan zullen worden aangetast.

   Vast staat dat in het plan verschillende plandelen zijn opgenomen met de bestemming "Natuur". Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting zijn deze gronden in eigendom van de gemeente en hebben deze gronden thans een agrarisch karakter. Gelet op het hoofdzakelijk agrarisch karakter van het EHS-gebied volgt uit het voorgaande dat niet aannemelijk is dat verwezenlijking van natuurcompensatie op de plandelen met de bestemming "Natuur" zodanig hoge kosten met zich zou brengen dat verweerder zich ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de financiële uitvoerbaarheid voldoende vast staat.

   Voor zover appellanten stellen dat de wezenlijke waarden en kenmerken van de Peizer- en Eeldermaden zullen worden aangetast door de aanwijzing als "Zone IV" in het POPII en de daaruit voortvloeiende bestemming "Laagveenontginning en beekdalen" overweegt de Afdeling het volgende. Blijkens het POPII zijn binnen "Zone IV" doeleinden van landbouw, natuur, landschap en natuurhistorie van belang, waarbij inrichtingsmaatregelen worden afgestemd op behoud, herstel en ontwikkeling van de waarden van natuur, landschap en cultuurhistorie, waarbij rekening wordt gehouden met het landbouwkundig gebruik. Ingevolge artikel 9 van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming "Laagveenontginning en beekdalen" bestemd voor behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke en natuurlijke waarden van laagveenontginningen en beekdalen. Ook is dagrecreatie mogelijk. Gelet op de eerdergenoemde onderzoeksconclusies in samenhang bezien met de feitelijke situatie en de ontwikkelingsdoelstellingen voor de Peizer- en Eeldermaden acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat deze aanduiding als "Zone IV" en de bestemming "Laagveenontginning en beekdalen" tot gevolg hebben dat de wezenlijke waarden en kenmerken van de Peizer- en Eeldermaden ernstig zullen worden aangetast. De Afdeling heeft daarbij mede betrokken dat ingevolge de beschrijving in hoofdlijnen in artikel 9 van de planvoorschriften alle doeleinden ondergeschikt zijn aan het doel van behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke en natuurlijke waarden van de laagveenontginning en beekdalen.    

   Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met het SGR.

2.12.    [appellanten sub 1] hebben, gelet op de in overweging 2.6.11. genoemde onderzoeken, niet aannemelijk gemaakt dat in deze verkeersonderzoeken ten onrechte is uitgegaan van een nieuwe aansluiting van de voorziene woonwijk en het transferium op de A7. Ook overigens is niet gebleken dat de genoemde onderzoeken zodanige gebreken of leemten in kennis bevatten, dat verweerder zich hierop bij het nemen van het bestreden besluit niet heeft mogen baseren. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan geen onaanvaardbare verkeershinder met zich zal brengen. De Afdeling laat het verwijt dat het onderzoek naar de luchtkwaliteit niet ter inzage heeft gelegen buiten beschouwing, nu dit in strijd met de goede procesorde eerst ter zitting is geuit.

2.13.    Niet in geding is dat aan de verwezenlijking van de hoofdontsluitingsweg ten behoeve van de voorziene woonwijk een groot belang moet worden toegekend.

   Voorts staat vast dat het tracé van de ontsluitingsweg ten behoeve van de voorziene woonwijk het perceel van [appellanten sub 1] zal doorsnijden en dat zij daardoor ernstig in hun belangen worden geschaad.

   Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting zijn verscheidene tracés onderzocht, waarbij ook een ligging ten oosten van het voorziene transferium is bezien. Een dergelijk tracé is volgens verweerder vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening bezwaarlijk omdat dan het volkstuinencomplex zou moeten worden doorsneden en daarmee negatieve gevolgen voor velen zouden ontstaan, dan wel de Laan van Bruilweering zou moeten worden doorkruist. Met het gekozen tracé wordt beoogd de op de Laan van Bruilweering aanwezige natuurwaarden zo min mogelijk aan te tasten door de kruising van de hoofdontsluiting met deze Laan te voorzien op een reeds bestaand knooppunt. Gelet op de overwegingen uit het bestreden besluit en de onder 2.6.13. en 2.6.14. genoemde nota's, die aan de onderhavige tracékeuze ten grondslag hebben gelegen, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verschillende veelal tegenstrijdige belangen op onevenredige wijze tegen elkaar zijn afgewogen. Daarbij is mede van belang dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat door de gemeenteraad tot aankoop en zonodig onteigening zal worden overgegaan. Voorts kan uit het advies van de Commissie niet worden afgeleid dat de in het plan voorziene ligging van de hoofdontsluiting volgens de Commissie onjuist zou zijn of dat het tracé moet worden veranderd.

2.14.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van [appellant sub 2], alsmede het beroep van [appellanten sub 1] is  ongegrond.

Proceskosten

2.15.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin    w.g. Van Dorst

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 april 2006

357-481.