Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW2310

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-04-2006
Datum publicatie
19-04-2006
Zaaknummer
200503961/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juli 2004 heeft de gemeenteraad van Texel, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 14 juli 2004, het bestemmingsplan "Den Burg" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2006/4214

Uitspraak

200503961/1.

Datum uitspraak: 19 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats]

3.    [appellant sub 3], wonend te [woonplaats]

4.    [appellant sub 4], wonend te [woonplaats]

5.    [appellant sub 5], wonend te [woonplaats]

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2004 heeft de gemeenteraad van Texel, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 14 juli 2004, het bestemmingsplan "Den Burg" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 22 februari 2005, kenmerk 2004-37339, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1 bij brief van 9 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op dezelfde dag, [appellant sub 2] bij brief van 6 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op 9 mei 2005, [appellant sub 3] bij brief van 3 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2005, [appellant sub 4] bij brief van 3 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op 9 mei 2005, en [appellant sub 5] bij ongedateerde brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2005, beroep ingesteld. [appellanten sub 1] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 3 juni 2005. [appellant sub 2] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 30 mei 2005. [appellant sub 3] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 1 juni 2005.

Bij brief van 11 juli 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Praktijk voor Fysiotherapie en Beweging heeft te kennen gegeven als partij te willen deelnemen aan het geding. Zij is daartoe op grond van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in de gelegenheid gesteld.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 17 augustus 2005. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 maart 2006, waar [appellanten sub 1] beiden in persoon, [appellant sub 2] in persoon en bijgestaan door mr. M.J. Smaling, [appellant sub 3] in persoon, [appellant sub 4] in persoon, [appellant sub 5] in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door W.J. Ardewijn, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn als partij gehoord de gemeenteraad van Texel, vertegenwoordigd door M.J.Y. Nicolay, ambtenaar van de gemeente, en de Praktijk voor Fysiotherapie en Beweging, vertegenwoordigd door H.J.M. Timmermans.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Awb rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

   De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het plan

2.3.    Het plan voorziet in een planologische regeling voor de kern Den Burg met uitzondering van het centrum. Het plangebied wordt begrensd door de Pontweg, de Emmalaan, de Hallerweg, de Kadijksweg, de Marsweg, de Waalderweg, de Georgiëweg, de Kogerstraat en de Akenbuurt.

De standpunten van [appellant sub 1] en [appellant sub 2]

2.4.    Ter zitting hebben [appellanten sub 1] hun beroep tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Bedrijven" dat ziet op een perceel aan de achterzijde van hun woning, ingetrokken.

2.5.    [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemming "Maatschappelijke voorzieningen" en de klasse/categorie aanduiding "1", voor zover het betreft het bouwvlak voor de percelen Wilhelminalaan 64, 66 en 68 en het bouwvlak voor het perceel Wilhelminalaan 74.

2.5.1.    Zij voeren aan dat de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden van de aanwezige bebouwing ten onrechte worden verruimd. Zij vrezen voor een vermindering van hun privacy, extra schaduwwerking, een verminderde bezonning, een verdere verhoging van de verkeers- en parkeerdruk en geluidsoverlast. Verweerder is er volgens hen ten onrechte aan voorbijgegaan dat de vorige eigenaar van het perceel Wilhelminalaan 74 een bouwvergunning is geweigerd om de reden dat bebouwing in twee bouwlagen ongewenst was.

   Voorts zijn de bebouwingsmogelijkheden volgens [appellant sub 2] alleen om financiële redenen in het plan opgenomen. De eigenaren van de percelen hebben volgens hem geen concrete bouwplannen. Verder benadrukt hij de mogelijke gevolgen van vestiging van een kerkgenootschap ter plaatse. Ten slotte vreest hij voor waardevermindering van zijn woning.

Het bestreden besluit

2.5.2.    Verweerder heeft het plan in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft hieraan goedkeuring verleend. Hij acht de bebouwingsmogelijkheden en de goot- en nokhoogte passend in een kern als Den Burg. Hij acht niet aannemelijk dat zich overlast zal voordoen.

Vaststelling van de feiten

2.5.3.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.4.    Aan de plandelen is de bestemming "Maatschappelijke voorzieningen" en de klasse/categorie aanduiding "1" toegekend.

2.5.5.    Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de voor "Maatschappelijke voorzieningen" aangewezen gronden bedoeld voor maatschappelijke doeleinden. Ingevolge het tweede lid mogen deze gronden worden gebruikt en ingericht voor maatschappelijke functies, zoals praktijkruimten, behandelruimten, kantoorruimten, scholen, kerkgebouwen en rouw-/uitvaartcentra met de daarbij behorende hoofdbebouwing, woning, bijgebouwen en parkeervoorzieningen, paden en verhardingen. Ingevolge het derde lid, onder d en e, geldt in klasse 1 als goothoogte maximaal 4,5 meter en als nokhoogte maximaal 9 meter. Het bouwvlak voor het perceel Wilhelminalaan 74 heeft een omvang van ongeveer 300 m². Het bouwvlak voor de percelen Wilhelminalaan 64, 66 en 68 is van vergelijkbare omvang.

2.5.6.    In het voorheen geldende bestemmingsplan "Den Burg-oost" waren de in beide bouwvlakken begrepen gronden voor het grootste gedeelte aangewezen als erf in het kader van de bestemming "Verzorgende bedrijven met bovenwoningen, in totaal 2 lagen, met bijbehorende erven (BVE 2)". Ter plaatse mochten bijgebouwen en andere bouwwerken worden opgericht. Van de als erf aangewezen gronden mocht per bedrijf ten hoogste 60% met bijgebouwen worden bebouwd. De goothoogte van een aangebouwd bijgebouw mocht bij recht ten hoogste gelijk zijn aan de goothoogte van de begane grondverdieping van het hoofdgebouw. Van een niet aangebouwd bijgebouw mocht de goothoogte bij recht ten hoogste vier meter bedragen. Een maximale nokhoogte was niet voorgeschreven.

2.5.7.    Bij besluit van 11 februari 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders geweigerd vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het veranderen/vergroten van een kantoorgebouw op het perceel Wilhelminalaan 74. Daarbij heeft het college onder meer overwogen dat het gezien de woonomgeving en de uitgangspunten bij de oorspronkelijke realisatie van het kantoorgebouw niet wenselijk is dat in twee bouwlagen wordt gebouwd, dat deze mogelijkheid wel besloten ligt in het ontwerpbestemmingsplan "Den Burg", dat aan het ontwerpbestemmingsplan geen rechten kunnen worden ontleend en dat de onderhavige locatie in het ontwerpbestemmingsplan zal worden voorzien van een passender bestemming, waarin wordt uitgegaan van het bouwen in slechts één bouwlaag.

Het oordeel van de Afdeling

2.5.8.    Daargelaten de vraag of de bebouwingsmogelijkheden ter plaatse van beide bouwvlakken met het voorliggende bestemmingsplan zijn verruimd ten opzichte van het vorige plan en de aanwezige met bouwvergunning en vrijstelling opgerichte bebouwing, vast staat dat onder het vorige plan de hiervoor onder 2.5.6. weergegeven bebouwing mogelijk was, waarbij de oprichting van bijgebouwen tot aan de perceelsgrens was toegestaan. Voorts is van belang dat de onderhavige locatie behoort tot de kern van Den Burg. Door bebouwing met maximaal klasse 1 toe te staan, wordt voor de plandelen aangesloten bij de integrale benadering, zoals deze ook elders in het plangebied geldt en waarmee is beoogd tegemoet te komen aan de bebouwingsbehoeften die binnen de bouwregelgeving van het Bouwbesluit passen. Verder is gebleken dat de maximaal aan te houden goot- en nokhoogte is afgestemd op de omliggende woonbebouwing, dat de afstand tussen de bouwvlakken en de woningen van appellanten ongeveer twintig meter of meer bedraagt en dat het ter afscherming mogelijk is opgaand groen aan te brengen. Verweerder heeft deze omstandigheden in redelijkheid van belang kunnen achten.

   De motivering, zoals deze ten grondslag is gelegd aan de weigering van 11 februari 2003 om een gebouw met afgeknot dak te mogen oprichten ter plaatse van het perceel Wilhelminalaan 74, is afkomstig van het college van burgemeester en wethouders. Reeds daarom kan de hierin vervatte mededeling over het bouwen in één bouwlaag niet als een toezegging worden beschouwd waaraan de gemeenteraad als planvaststeller gebonden zou zijn.

   Verder is gebleken dat bij de Praktijk voor Fysiotherapie en Beweging in verband met een uitbreiding van de praktijk behoefte bestaat aan het verwezenlijken van extra ruimtes ten behoeve van de praktijk in en boven de aanwezige bebouwing. Dat de aan de orde zijnde bebouwingsmogelijkheden uitsluitend om financiële redenen in het plan zijn opgenomen, gelijk [appellant sub 2] stelt, heeft de Afdeling niet kunnen vaststellen.

2.5.9.    Met appellanten stelt de Afdeling vast dat de planregeling ter plaatse uiteenlopende gebruiksmogelijkheden toelaat die afwijken van het thans toegelaten gebruik. Dat van die gebruiksmogelijkheden enige overlast in de vorm van geluid en extra verkeersbewegingen kan worden ondervonden, kan niet op voorhand geheel worden uitgesloten.

   Echter, gelet op de relatief beperkte omvang van de bouwvlakken zullen hier geen grootschalige ontwikkelingen mogelijk gemaakt kunnen worden. Dat zich ter plaatse en in de omliggende straten een situatie met ernstige overlast zal kunnen voordoen, acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt. Daarbij is van betekenis dat het hier een verstedelijkt gebied betreft. Verweerder heeft in redelijkheid geen noodzaak behoeven te zien voor een maatbestemming ter plaatse.

2.5.10.    Wat ten slotte de eventuele nadelige invloed van de plandelen op de waarde van de woning van [appellant sub 2] betreft, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder aan dit aspect in deze procedure in redelijkheid een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

2.5.11.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de plandelen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

   In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op deze punten anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan de plandelen.

   De beroepen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] zijn ongegrond.

De standpunten van [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5]

2.6.    [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Horeca" en de subbestemming "Groepsverblijf" dat ziet op een perceel aan de Haffelderweg.

2.6.1.    Hiertoe voeren [appellant sub 4] en [appellant sub 5] aan dat de vestiging van een groepsaccommodatie in strijd is met het gemeentelijke beleid in de beleidsnota "Toerisme en Recreatie op Texel. Kwaliteit en Ontwikkeling" uit 2003. Volgens [appellant sub 4] zou een dergelijke voorziening in De Cocksdorp of De Koog moeten worden gevestigd. De groepsaccommodatie is volgens hem mogelijk gemaakt in het kader van een driehoeksovereenkomst.

   Alle drie appellanten voeren aan overlast van de gebruikers van de accommodatie te zullen ondervinden, met name in de nacht. Mogelijke overlast en vandalisme dienen volgens hen bij de beoordeling van het bestemmingsplan te worden meegenomen. [appellant sub 3] vreest voor een aantasting van zijn privacy en een waardevermindering van zijn woning. Hij acht ook de mogelijk gemaakte bouwhoogte te groot.

   Appellanten wijzen verder op de gevolgen van de planontwikkeling voor het natuurgebied De Hoge Berg. Naar de gevolgen van de planontwikkeling heeft mede in het kader van de Vogel- en Habitatrichtlijn volgens hen onvoldoende onderzoek plaatsgevonden. [appellant sub 3] wijst op het ontbreken van onderzoek naar de gevolgen voor het waterwingebied door de aanleg van een vijver voor bluswater, voor een vleermuizenpopulatie en voor het beschermde dorpsgezicht alsmede op het standpunt van het provinciebestuur uit 2002 het gebied niet te bebouwen.

   Ten slotte voeren appellanten als bezwaar aan dat de wegen in Den Burg niet zijn berekend op de extra verkeersdruk.

Het bestreden besluit

2.6.2.    Verweerder heeft het plan op dit punt niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft hieraan goedkeuring verleend. Hij stelt zich op het standpunt dat de bouw van een groepsverblijf in overeenstemming is met het gemeentelijke beleid en stedenbouwkundig in de omgeving past. Hij acht niet waarschijnlijk dat zich overlast zal voordoen. Ook uit landschappelijk en verkeerskundig oogpunt acht hij de vestiging aanvaardbaar.

Vaststelling van de feiten

2.6.3.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.6.4.    Aan het plandeel is de bestemming "Horeca" met de subbestemming "Groepsverblijf" toegekend. Voorts zijn aan het plandeel de klasse/categorie aanduiding "3" en als het toegestane aantal recreatieve slaapplaatsen de aanduiding "240" toegekend.

2.6.5.    Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de voor "Horeca" aangewezen gronden bestemd voor horecadoeleinden in de vorm van recreatieve verblijfsaccommodaties. Ingevolge het tweede lid mogen deze gronden uitsluitend gebruikt en ingericht worden voor horecabedrijven met de daarbij behorende hoofdbebouwing, woning, bijgebouwen, tuinen en erven en andere bouwwerken. De categorie-indeling betreft, voor zover van belang: g = groepsverblijf. Ingevolge het derde lid, onder d en e, geldt in categorie g als goothoogte maximaal 4,5 meter en als nokhoogte maximaal 9 meter.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder ai, van de planvoorschriften wordt onder groepsverblijf verstaan een gebouw ingericht en in gebruik voor de bedrijfsmatige verstrekking van logies aan groepen personen met daarbij behorende collectieve voorzieningen.

2.6.6.    Het plandeel ziet op gronden die tot enkele jaren geleden in gebruik waren als voetbalvelden. De gronden zijn omgeven door een dichte boomsingel met een breedte tussen vijf en tien meter waaraan op de plankaart de bestemming "Groenvoorziening" is toegekend. De afstand tussen de bedrijfswoning van [appellant sub 3] en het plandeel bedraagt ongeveer 70 meter. Tussen de woning en het plandeel bevinden zich gronden waaraan de bestemming "Maatschappelijke voorzieningen" is toegekend.

   De afstand van het plandeel tot de dichtstbijgelegen woonwijk, te weten de woonbebouwing aan de Emmalaan, waar [appellant sub 5] woonachtig is en een hotel exploiteert, en de Haffelderweg, waar [appellant sub 4] woonachtig is, bedraagt ongeveer 200 meter. In de onmiddellijke omgeving van het plandeel bevinden zich een bedrijventerrein, een openluchtzwembad, sportvelden en een scholengemeenschap.

2.6.7.    Naar uit de stukken blijkt exploiteert de stichting "Stayokay" twee jeugdherbergen in Den Burg, te weten de vestiging Panorama aan de Schansweg in het natuurgebied De Hoge Berg met 140 bedden en de vestiging Eyercoogh aan de Pontweg met 102 bedden. Omdat deze vestigingen niet meer voldoen aan de wensen en eisen van deze tijd heeft de stichting een plan ontwikkeld voor één nieuwe, moderne vestiging, waarin de vestiging Panorama gedeeltelijk, namelijk met een omvang van 120 slaapplaatsen, en de vestiging Eyercoogh geheel zullen opgaan.

2.6.8.    Het natuurgebied De Hoge Berg vormt een deel van het oude land van Texel. Het plandeel grenst aan dit gebied. Het gebied is niet aangewezen als speciale beschermingszone ingevolge de Vogelrichtlijn dan wel de Habitatrichtlijn. Het plandeel bevindt zich op een afstand van enkele kilometers tot de gebieden die op Texel als speciale beschermingszone zijn aangewezen.

2.6.9.    De beleidsnota "Toerisme en Recreatie op Texel. Kwaliteit en Ontwikkeling" (hierna: de beleidsnota) biedt inzicht in het recreatiebeleid van de gemeente voor een periode van tien jaar. In de beleidsnota worden de algemene beleidsuitgangspunten en richting van het recreatiebeleid bepaald. De concretisering van dit beleid zal plaatsvinden onder andere door een herziening van de bestemmingsplannen. De beleidsnota zal tevens dienen als het beleidskader op basis waarvan kan worden besloten of medewerking wordt verleend aan een planologische procedure op grond van artikel 19 van de WRO. De beleidsnota is een uitwerking van de op 9 juli 2002 door de gemeenteraad vastgestelde Structuurvisie Texel 2020 die de globale ontwikkeling van de gemeente Texel voor een periode van twintig jaar aangeeft op basis van beleidsuitgangspunten.

   Ten aanzien van recreatie is in de Structuurvisie Texel 2020 onder meer als beleidsuitgangspunt opgenomen dat het gemeentebestuur initiatieven om tot een verdere professionalisering en kwaliteitsverbetering van de toeristische sector te komen, wil ondersteunen en faciliteren. Het maximumaantal toeristische slaapplaatsen is geaccepteerd op 47.000. Het gemeentebestuur wil dit aantal aanhouden voor toekomstig beleid. Het streven ligt vooralsnog op een beperkte groei tot een maximumaantal te realiseren slaapplaatsen van 45.000.

   Volgens de beleidsnota zal vanuit het oogpunt van een zo efficiënt mogelijke benutting van slaapplaatsen een instrument zijn het verplaatsen van slaapplaatsen. Het verplaatsen van slaapplaatsen zal, gezien het belang hiervan, moeten geschieden aan de hand van een aantal aanvullende voorwaarden. In de beleidsnota is hiertoe een aantal aanvullende criteria vermeld. Eén van de criteria is dat verplaatsing niet mag leiden tot een extra bedrijf. Wel mag een bestaand bedrijf of mogen bestaande bedrijven verplaatst of samengevoegd worden. Voor het gesaneerde bedrijf dient een passende bestemming te worden gezocht.

2.6.10.    Bij besluit van 7 november 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders onder verwijzing naar zijn besluit van 30 oktober 2003, waarbij krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling is verleend aan de stichting "Nederlandse Jeugdherberg Centrale", thans stichting "Stayokay", bouwvergunning verleend om op het perceel, plaatselijk bekend Haffelderweg te Den Burg, een groepsverblijf met 240 recreatieve slaapplaatsen te plaatsen. Bij besluit van 1 juli 2004 heeft het college het daartegen door [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, onder vervanging van het vrijstellingsbesluit door een verbeterd vrijstellingsbesluit. Bij uitspraak van 6 oktober 2004 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar, voor zover thans van belang, de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 22 juni 2005, no. 200409381/1, heeft de Afdeling de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd.

Het oordeel van de Afdeling

2.6.11.    Uit bovenvermelde planvoorschriften gelezen in samenhang met de plankaart volgt dat het plandeel met de bestemming "Horeca" en de subbestemming "Groepsverblijf" aan de Haffelderweg planologisch is beperkt tot de vestiging van een groepsverblijf met maximaal 240 slaapplaatsen. De planregeling maakt vestiging van andere horecafuncties ter plaatse niet mogelijk. Naar ter zitting van de zijde van de gemeenteraad is bevestigd, is met het plan op dit punt bedoeld hetgeen met bovenbedoelde vrijstelling ter plaatse aan bebouwing en gebruik is vergund, in het bestemmingsplan planologisch vast te leggen. Niet is gebleken dat en ook anderszins zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat met het plan op dit punt in aard en omvang functies en ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt die substantieel afwijken van de verleende en thans in rechte vaststaande vrijstelling en bouwvergunning. Voor het vrijstellingsbesluit is aansluiting gezocht bij het ontwerp van het thans voorliggende bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is op dit punt ongewijzigd vastgesteld.

   Gelet op voormelde omstandigheden sluit de afweging die verweerder over de goedkeuring van het bestemmingsplan op dit punt heeft moeten maken, in dit geval nauw aan bij de afweging van het college van burgemeester en wethouders in het kader van de vrijstelling. Nu de bezwaren die appellanten in het kader van de vrijstelling en bouwvergunning hebben ingebracht, goeddeels overeenkomen met de bezwaren die zij thans ten aanzien van het goedkeuringsbesluit van verweerder inbrengen, verwijst de Afdeling allereerst naar haar uitspraak in hoger beroep van 22 juni 2005. Voorts overweegt zij als volgt.

2.6.12.    De motieven van de stichting "Stayokay" om te komen tot nieuwbouw van een groepsverblijf zijn onbestreden. Verweerder heeft aan de belangen van deze stichting naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid een groot gewicht kunnen toekennen. Daarbij heeft hij kunnen betrekken de bouwvergunning, die inmiddels onherroepelijk is, alsmede de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar. Door appellanten is niet aannemelijk gemaakt dat verweerder in 2002 heeft te kennen gegeven dat het gebied niet zou mogen worden bebouwd.

2.6.13.    De Afdeling ziet geen aanleiding het in de beleidsnota neergelegde beleid onredelijk te achten. Anders dan appellanten op dit punt stellen, is het verplaatsen van recreatieve slaapplaatsen zoals met het plan is beoogd, niet in strijd met de in de beleidsnota neergelegde eis dat bij verplaatsing van slaapplaatsen geen nieuw bedrijf ontstaat. Er is voorzien in opheffing van één van de bestaande verblijfsaccommodaties waarbij sprake zal blijven van twee verblijfsaccommodaties. Dat de planontwikkeling op dit punt het resultaat is van een meerpartijenovereenkomst maakt het voorgaande niet anders.

2.6.14.    Gelet op de afstand van de woning van [appellant sub 3] tot het plandeel en de zich daar bevindende groenzone ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een groepsverblijf met een bouwhoogte van negen meter zal leiden tot een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat van appellant. Daarbij is voorts van belang dat de ontsluiting van het plandeel, waar het groepsverblijf is voorzien, zich bevindt aan de Haffelderweg terwijl de woning van appellant zich aan de Slingerweg bevindt.

2.6.15.    Wat betreft de door appellanten gestelde vrees voor overlast in de wijk acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat deze zich in betekenende mate zal voordoen. Daarbij heeft zij betrokken de afstand van het plandeel tot de dichtstbijgelegen woonwijk en de omstandigheid dat de stichting "Stayokay" een brede doelgroep wil aanspreken, waardoor onder meer de verkeersbewegingen van en naar het centrum van Den Burg gespreid over de dag zullen plaatsvinden. Daarbij komt dat eventuele overlast een kwestie van handhaving van de openbare orde is.

2.6.16.    Wat betreft de natuurwaarden van het gebied De Hoge Berg overweegt de Afdeling dat appellanten niet hebben aangegeven wat de negatieve gevolgen voor dit gebied zouden zijn van verplaatsing van de slaapplaatsen. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het groepsverblijf geen substantiële aantasting van de natuurwaarden zal meebrengen, mede gelet op het feit dat 120 van de in het bouwplan voorziene recreatieve slaapplaatsen verplaatst worden van de vestiging Panorama in dit natuurgebied naar de in het plan voorziene locatie buiten het natuurgebied.

   Voorts ziet de Afdeling, gelet op de afstand van het plandeel tot de speciale beschermingszones, geen grond voor het oordeel dat de planontwikkeling voor die zones significante gevolgen met zich zal brengen.

   Wat betreft het plandeel waar de groepsopvang is voorzien, is evenmin aannemelijk gemaakt dat daar verblijfplaatsen van vleermuizen dan wel anderszins natuurwaarden voorkomen die de planontwikkeling hier in de weg zouden staan.

2.6.17.    Ter zitting is gebleken dat naar de eventuele gevolgen van de planontwikkeling op het waterwingebied onderzoek heeft plaatsgevonden. In hetgeen [appellant sub 3] op dit punt heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor twijfel aan het standpunt van de gemeenteraad dat voor een negatieve invloed op het waterwingebied niet behoeft te worden gevreesd.

2.6.18.    Verder is ter zitting van de zijde van de gemeenteraad gesteld en door [appellant sub 3] niet weersproken dat het gebied waar de bouw van de groepsaccommodatie is voorzien, niet is aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Verweerder behoefde derhalve de gevolgen van de bouw van een groepsaccommodatie niet in dat kader te bezien.

2.6.19.    Wat betreft de door appellanten gevreesde verkeersdruk overweegt de Afdeling dat door de afdeling Bouw en Infra van de gemeente berekeningen zijn gemaakt met betrekking tot de toeneming van verkeersbewegingen in de omgeving van het plandeel. Hieruit volgt dat voor een substantieel grotere verkeersdruk op het omliggende wegennet niet behoeft te worden gevreesd. Door appellanten is niet aannemelijk gemaakt dat de gemaakte berekeningen niet juist of anderszins ondeugdelijk zijn.

2.6.20.    Wat betreft de door [appellant sub 4] genoemde alternatieve plaatsen voor het groepsverblijf in De Cocksdorp of De Koog overweegt de Afdeling dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het plandeel. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plandeel ziet. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

2.6.21.    Wat ten slotte de eventuele nadelige invloed van het plandeel op de waarde van de woning van [appellant sub 3] betreft, bestaat geen grond voor het oordeel dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat verweerder aan dit aspect in deze procedure in redelijkheid een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

2.6.22.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

   In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plandeel.

   De beroepen van [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] zijn ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren    w.g. Bechinka

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 april 2006

371.