Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW2302

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-04-2006
Datum publicatie
19-04-2006
Zaaknummer
200506762/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 maart 2005, kenmerk 2005024489/ODH/JUM, heeft verweerder de directie van appellante onder oplegging van een dwangsom gelast met onmiddellijke ingang herhaling van de overtreding van artikel 26, eerste lid, van de Verordening 259/93/EEG van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (hierna: de Verordening), in samenhang bezien met artikel 10.60, eerste lid, van de Wet milieubeheer, te voorkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2006/40 met annotatie van Van der Meijden

Uitspraak

200506762/1.

Datum uitspraak: 19 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2005, kenmerk 2005024489/ODH/JUM, heeft verweerder de directie van appellante onder oplegging van een dwangsom gelast met onmiddellijke ingang herhaling van de overtreding van artikel 26, eerste lid, van de Verordening 259/93/EEG van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (hierna: de Verordening), in samenhang bezien met artikel 10.60, eerste lid, van de Wet milieubeheer, te voorkomen.

Bij besluit van 27 juni 2005, kenmerk 2005126821/OHO/MdB, verzonden op dezelfde dag, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 1 augustus 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag per fax, beroep ingesteld.

Bij brief van 7 september 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van verweerder. Dit is aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 februari 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. drs. E.D.M. Knegt, advocaat te Breda, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. P.C. Cup, mr. C.W. Poorta en L.C.L. Dielissen, ambtenaren van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ter zitting heeft appellante de grond ingetrokken aangaande de adressering van het dwangsombesluit van 3 maart 2005.

2.2.    Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Verordening, voor zover hier van belang, wordt als sluikhandel beschouwd elke overbrenging van afvalstoffen die geschiedt zonder kennisgeving aan alle betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig deze verordening.

   Ingevolge artikel 10.60, eerste lid, van de Wet milieubeheer is het verboden handelingen te verrichten als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Verordening.

   Krachtens artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

2.3.    Bij de bestreden beslissing op bezwaar heeft verweerder zijn dwangsombesluit van 3 maart 2005 gehandhaafd. Aan dit dwangsombesluit heeft verweerder onder meer ten grondslag gelegd dat appellante op 20 september 2004 papieren zakken voorzien van daaraan vastgemaakte kunststof binnenzakken naar India heeft overgebracht. Bij papieren zakken voorzien van daaraan vastgemaakte kunststof binnenzakken gaat het volgens verweerder om een combinatie van in bijlage II van de Verordening (hierna: de groene lijst) opgenomen papier- en kunststofafvalstoffen, welke combinatie als zodanig niet in die lijst wordt genoemd. Nu uit artikel 17, eerste lid van de Verordening, in samenhang bezien met verordening 1547/1999 van 12 juli 1999, volgt dat voor de overbrenging van de kunststofcomponent van de betrokken afvalstoffen naar India de controleprocedure van bijlage IV van de Verordening moet worden toegepast, heeft appellante naar de mening van verweerder ten onrechte geen kennisgeving gedaan aan de bevoegde autoriteiten. Volgens verweerder heeft appellante daarmee gehandeld in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Verordening, hetgeen is verboden op grond van artikel 10.60, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

2.3.1.    Appellante betwist dat voor de overbrenging van de papieren zakken voorzien van daaraan vastgemaakte kunststof binnenzakken naar India kennisgeving diende te worden gedaan aan de bevoegde autoriteiten. Bij papieren zakken voorzien van daaraan vastgemaakte kunststof binnenzakken gaat het volgens appellante om papierafval als bedoeld in categorie GI van de groene lijst. De aanwezigheid van kunststof binnenzakken brengt naar het oordeel van appellante niet mee dat de betrokken afvalstoffen het karakter van papierafval verliezen. Appellante heeft in dit verband gewezen op de vermelding van de betrokken afvalstoffen op de European List of Standard Grades of Recovered Paper and Board.

2.3.2.    Niet in geschil is dat de papieren zakken voorzien van daaraan vastgemaakte kunststof binnen zakken alleen waren bestemd voor nuttige toepassing in India.

2.3.3.    De Afdeling overweegt dat de overbrenging van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen die voorkomen op de groene lijst in het algemeen buiten de controleprocedures van de Verordening valt, daar dergelijke afvalstoffen, indien zij in het land van bestemming naar behoren nuttig worden toegepast, normaliter geen risico voor het milieu vormen. Verweerder heeft niet onderzocht in welke verhouding de kunststofcomponent staat tot de papiercomponent van de betrokken afvalstoffen. Voor zover verweerder in zijn verweerschrift en ter zitting de stelling naar voren heeft gebracht dat het bij de kunststofcomponent gaat om een substantiële hoeveelheid, dan wel om een zodanige hoeveelheid van de betrokken afvalstoffen dat niet kan worden gesproken van een verontreiniging die inherent is aan papierafval, overweegt de Afdeling dat deze stelling door verweerder niet is onderbouwd. Daarbij komt dat blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting verweerder afvalstoffen die door appellante worden overgebracht, zoals bijvoorbeeld papieren zakken voorzien van kunststof binnencoating en drukwerk voorzien van kunststof verpakkingsmateriaal, onder omstandigheden wel beschouwt als (verontreinigd) papierafval als bedoeld in categorie GI van de groene lijst, terwijl niet uitgesloten kan worden geacht dat bij deze afvalstoffen de kunststofcomponent in eenzelfde verhouding staat tot de papiercomponent als bij de betrokken afvalstoffen.

   Gezien het vorenstaande heeft verweerder onvoldoende onderzocht of het bij papieren zakken voorzien van daaraan vastgemaakte kunststof binnenzakken gaat om een combinatie van in de groene lijst opgenomen papier- en kunststofafvalstoffen, welke combinatie als zodanig niet in die lijst wordt genoemd, of om (verontreinigd) papierafval als bedoeld in categorie GI van de groene lijst. Derhalve staat onvoldoende vast of verweerder bevoegd was om handhavend op te treden terzake van de betrokken afvalstoffen. De bestreden beslissing op bezwaar is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dat eist dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten.

2.4.    Het beroep is gegrond. De bestreden beslissing op bezwaar dient te worden vernietigd. In verband hiermee behoeft het beroep geen verdere bespreking.

2.5.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 27 juni 2005, kenmerk 2005126821/OHO/MdB;

III.    veroordeelt de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de Staat der Nederlanden (het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B.S. Jansen, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Jansen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 april 2006

399.