Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW2294

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-04-2006
Datum publicatie
19-04-2006
Zaaknummer
200506683/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 oktober 2001 heeft de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Staatssecretaris) de onroerende zaak van appellant op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […] nummer […] (hierna: de boerderij), aangewezen als beschermd monument.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2006/3986

Uitspraak

200506683/1.

Datum uitspraak: 19 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/1014 van de rechtbank

's-Hertogenbosch van 15 juni 2005 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2001 heeft de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Staatssecretaris) de onroerende zaak van appellant op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […] nummer […] (hierna: de boerderij), aangewezen als beschermd monument.

Bij besluit van 8 maart 2004 heeft de Staatssecretaris het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 juni 2005, verzonden op 20 juni 2005, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 29 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 29 augustus 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 29 september 2005 heeft de Staatssecretaris van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 maart 2006, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. M.J.A. Verhagen, advocaat te Eindhoven, en de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door M.J. Sypkens Smit, ambtenaar van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, aanhef en onder 1, van de Monumentenwet 1988 (hierna: de wet) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder monumenten: alle vóór tenminste vijftig jaar vervaardigde zaken welke van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde.

   Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de wet wordt bij de toepassing van deze wet rekening gehouden met het gebruik van het monument.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de wet kan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister), al dan niet op verzoek van belanghebbenden, onroerende monumenten aanwijzen als beschermd monument.

    Ingevolge het tweede lid van dit artikel vraagt de minister voordat hij ter zake een beschikking geeft, advies aan de raad van de gemeente waarin het monument is gelegen en, indien de monumenten zijn gelegen buiten de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde bebouwde kom, tevens aan gedeputeerde staten.

   Ingevolge het zesde lid van dit artikel, voor zover hier van belang, beslist de minister, de Raad voor Cultuur (hierna: de Raad) gehoord.

   De uitvoering van de aanwijzingsbevoegdheid is opgedragen aan de Staatssecretaris.    

2.2.    Op 15 februari 2000 hebben burgemeester en wethouders de raad van de gemeente Bernheze in het kader van het Monumenten Selectie Project (hierna: MSP) - voor zover hier van belang - voorgesteld een aantal woningen met cultuurhistorische waarde in de gemeente Bernheze voor te dragen voor aanwijzing als beschermd rijksmonument, waaronder ook de boerderij. Bij besluit van 24 februari 2000 heeft de raad van de gemeente Bernheze, conform dit voorstel, besloten om onder meer de boerderij bij de minister voor te dragen voor aanwijzing als rijksmonument.

   Bij brief van 6 juni 2000 hebben gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant positief advies uitgebracht aan de Staatssecretaris met betrekking tot deze aanwijzing.

   Bij brief van 8 mei 2001 heeft de Raad van Cultuur de Staatssecretaris geadviseerd de in het kader van het MSP door de provincie Noord-Brabant en de gemeente Bernheze voorgedragen objecten in het rijksmonumentenregister in te schrijven.

   Bij besluit van 8 oktober 2001 heeft de Staatssecretaris vervolgens de boerderij aangewezen als beschermd rijksmonument.

2.3    Appellant komt in de eerste plaats op tegen het oordeel van de  rechtbank dat de gevolgde procedure met betrekking tot de aanwijzing van de boerderij als beschermd monument zorgvuldig is geschied en dat niet is gebleken dat sprake is van willekeur.

Volgens appellant heeft de rechtbank miskend dat de Staatssecretaris niet heeft gemotiveerd waarom de boerderij niet in het kader van het Monumenten Inventarisatie Project (hierna: MIP) is opgenomen, doch later wel in het kader van het MSP is voorgedragen als monument. Met name klaagt appellant er over dat het hem niet duidelijk is geworden op welke wijze zijn boerderij op de indicatieve lijst van Gedeputeerde Staten is gekomen. Ook wijst appellant er op dat de gemeentelijke monumentencommissie heeft nagelaten te onderzoeken of niet andere vergelijkbare objecten eveneens voor aanwijzing in aanmerking kunnen komen.

2.4    Dit betoog faalt. In de beslissing op bezwaar heeft de Staatssecretaris, onder verwijzing naar de notitie van dr. A.J.D. van Leeuwen, beleidsmedewerker Cultuurhistorie van de provincie Noordbrabant, (hierna: de notitie) gesteld dat objecten als de onderhavige boerderij aanvankelijk buiten de inventarisatie zijn gelaten omdat men de monumentwaardigheid op dat moment niet inzag. Als gevolg van voortschrijdend inzicht in de waarde en zeldzaamheid van boerderijen uit het Interbellum in de provincie Noord-Brabant is de boerderij vervolgens bij de selectie voor het MSP wel op de indicatieve lijst geplaatst. Voorts heeft de Staatssecretaris er op gewezen dat een pand dat voor de selectie in het MSP is opgenomen door de gemeente in behandeling wordt genomen en dat hij vervolgens overeenkomstig de in artikel 3 van de wet geregelde procedure op basis van de uitgebrachte de adviezen, de beslissing tot al dan niet toewijzing neemt. Niet is gebleken, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, dat deze procedure in dit geval niet is gevolgd. De Staatssecretaris heeft er daarbij terecht op gewezen dat ieder voor rijksbescherming voorgedragen pand op zijn eigen merites wordt beoordeeld. Voorts valt niet in te zien dat de Staatssecretaris ter verklaring van de omstandigheid dat de boerderij eerst in het kader van het MSP als monument is voorgedragen niet op de genoemde notitie heeft mogen afgaan. Niet van belang hierbij is op welke wijze de boerderij op de indicatieve lijst is gekomen. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de gevolgde procedure met betrekking tot de aanwijzing van de boerderij niet zorgvuldig is geschied en de aanwijzing willekeurig is.

2.7    Voorts betoogt appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de ligging niet afdoet aan de intrinsieke waarde van het pand en om die reden rijksbescherming gerechtvaardigd is. Ook is de rechtbank er, volgens appellant, ten onrechte aan voorbij gegaan dat de Staatssecretaris heeft erkend dat zijn boerderij niet kan worden gezien als een vertegenwoordiger van de laatste ontwikkelingfase van de langgevelboerderij in de 20e eeuw, zoals in de redengevende omschrijving staat vermeld en dat bovendien de stalramen en de stalinrichting niet meer oorspronkelijk zijn.

2.8    Vooropgesteld dient te worden dat het aanwijzen als beschermd monument als bedoeld in artikel 3 van de wet een discretionaire bevoegdheid betreft, zodat het bestreden besluit op het punt van aanwijzing slechts marginaal wordt getoetst. Gelet op de overwegingen bij het besluit, de daaraan ten grondslag liggende positieve adviezen van de Raad voor Cultuur, de provincie en de gemeente, alsmede de omschrijving van het pand en de daarbij gegeven waardering in het aanwijzingsbesluit, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de Staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aan het pand toekomende monumentale waarde - ondanks de relatief ongunstige ligging en de omstandigheid dat de stalramen en de stalinrichting niet meer oorspronkelijk zijn en daargelaten of het gaat om een vertegenwoordiger van de laatste ontwikkelingsfase van de langgevelboerderij in de 20e eeuw- als zodanig voldoende is om rijksbescherming te rechtvaardigen.

2.9    Het betoog van appellant ter zitting dat de redengevende omschrijving fouten bevat in de omschrijving van de gevelindeling van het woonhuis en het stalgedeelte betreft nieuwe argumenten die appellant niet eerder heeft aangevoerd. Deze argumenten dienen met het oog op de goede procesorde buiten beschouwing te worden gelaten.

2.10    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat niet kan worden staande gehouden dat de Staatssecretaris na afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten de aanwijzing van de boerderij tot beschermd rijksmonument te handhaven.

2.11     Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geen grond biedt voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte het beroep ongegrond heeft verklaard.

2.12    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.13    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D. Roemers, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Roemers    w.g. Wilbers-Taselaar

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 april 2006

71-515.