Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW2293

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-04-2006
Datum publicatie
19-04-2006
Zaaknummer
200506512/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 augustus 2004 heeft de Minister van Defensie (hierna: de Minister) appellant medegedeeld dat een hernieuwd veiligheidsonderzoek naar hem is ingesteld en dat het voornemen bestaat om de verklaring van geen bezwaar in te trekken. Voorts wordt in de brief van 2 augustus 2004 vermeld dat wanneer de Minister binnen 10 werkdagen geen reactie van appellant ontvangt, het voornemen is te beschouwen als een intrekking van de verklaring van geen bezwaar en dit daarmee een besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200506512/1.

Datum uitspraak: 19 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/27 van de rechtbank Middelburg van 5 juli 2005 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Defensie.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2004 heeft de Minister van Defensie (hierna: de Minister) appellant medegedeeld dat een hernieuwd veiligheidsonderzoek naar hem is ingesteld en dat het voornemen bestaat om de verklaring van geen bezwaar in te trekken. Voorts wordt in de brief van 2 augustus 2004 vermeld dat wanneer de Minister binnen 10 werkdagen geen reactie van appellant ontvangt, het voornemen is te beschouwen als een intrekking van de verklaring van geen bezwaar en dit daarmee een besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

Bij besluit van 21 december 2004 heeft de Minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 juli 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 juli 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 13 september 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 14 oktober 2005 heeft de Minister van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 januari 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. B.H. Vader, advocaat te Oost-Souburg, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. F.J. Dirkzwager, ambtenaar ten departemente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Voorop wordt gesteld dat het hoger beroep uitsluitend is gericht tegen de instandlating van de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar.

2.2.    Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet veiligheidsonderzoeken (hierna: Wvo) wordt onder verklaring verstaan: een verklaring dat uit het oogpunt van de nationale veiligheid geen bezwaar bestaat tegen vervulling van een bepaalde vertrouwensfunctie door een bepaalde persoon.

   Ingevolge artikel 10, eerste lid, in samenhang met artikel 2, van de Wvo, is de Minister bevoegd tot het intrekken van de verklaring, indien hem blijkt dat onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen.

2.3.    De wijze waarop door de Minister invulling wordt gegeven aan de hem op grond van artikel 10, eerste lid, in samenhang met artikel 2 van de Wvo toekomende bevoegdheid is neergelegd in de Beleidsregeling justitiële antecedenten bij veiligheidsonderzoeken Defensie (hierna: de Beleidsregeling).

   Ingevolge artikel 4 van de Beleidsregeling wordt de verklaring als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wvo geweigerd dan wel ingetrokken als betrokkene:

a. is veroordeeld wegens een misdrijf tegen de publieke zaak;

b. is veroordeeld wegens een misdrijf tegen het leven, de lichamelijke integriteit of de gezondheid;

c. is veroordeeld wegens een zedendelict (titel XIV Tweede Boek Wetboek van Strafrecht);

d. is veroordeeld op grond van de Opiumwet;

e. meermalen is veroordeeld tot zes maanden (on)voorwaardelijke vrijheidsstraf of meer;

f. meermalen is veroordeeld tot een (on)voorwaardelijke vrijheidsstraf van minder dan zes maanden, waarbij de veroordelingen opgeteld leiden tot een straf die (lees: een) (on)voorvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden te boven gaat.

Voor de toetsing aan de norm onder e en f worden straffen die niet zijn een vrijheidsstraf, omgerekend naar een aan die straf gelijkstaande vrijheidsstraf. Bij jeugdstraffen wordt de zwaarte van de opgelegde straf op zijn eigen waarde beoordeeld.

2.4.    Appellant was ten behoeve van het defensieorderbedrijf Daedalus B.V. te werk gesteld als vliegtuigmonteur bij de militaire vliegbasis Woensdrecht en naar aanleiding van de uitkomst van een op verzoek van deze werkgever verricht hernieuwd veiligheidsonderzoek naar appellant, heeft de Minister de aan appellant verleende verklaring van geen bezwaar ingetrokken.

2.5.    Vaststaat dat appellant op 21 juli 1999 door de strafrechter onder andere is veroordeeld tot 240 uren onbetaalde arbeid ten algemene nutte in plaats van zes maanden gevangenisstraf onvoorwaardelijk alsmede tot drie maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Dit vonnis is op 29 september 1999 onherroepelijk geworden.

Voorts staat vast dat appellant door de politierechter bij vonnis van 20 maart 2000 wegens overtreding van de Opiumwet is veroordeeld tot vier weken gevangenisstraf. Dit vonnis is onherroepelijk geworden op 4 april 2000. Bij Koninklijk besluit is de gevangenisstraf van vier weken kwijtgescholden met als voorwaarde dat appellant binnen de gestelde termijn van zes maanden gedurende 60 uren onbetaalde arbeid zal verrichten.

2.6.    De Minister heeft in artikel 4 van de Beleidsregeling geen onredelijke invulling gegeven aan artikel 10, eerste lid, van de Wvo.

2.7.    Mede gelet op het verhandelde ter zitting in hoger beroep is niet in geschil dat er voor de Minister op grond van artikel 4 van de Beleidsregeling aanleiding bestond om de verklaring van geen bezwaar in te trekken.

2.8.    Voor wat betreft het argument van appellant dat het tijdsverloop tussen de veroordelingen en de datum van intrekking van de verklaring van geen bezwaar reden zou kunnen zijn om van artikel 4 van de Beleidsregeling af te wijken heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat dit geen doel treft. Mede gelet op de door de gemachtigde van de Minister ter zitting in hoger beroep gegeven toelichting hanteert de Minister, voor zover hier van belang, de vaste gedragslijn dat hij na een tijdsverloop van tien jaar gerekend vanaf het plegen van het strafbare feit niet meer overgaat tot intrekking van de verklaring van geen bezwaar. Deze gedragslijn is evenmin onredelijk. Ten tijde hier van belang was dit tijdsverloop nog niet verstreken. Er is geen plaats voor het oordeel dat het tijdsverloop tussen de veroordelingen en de intrekking van de verklaring van geen bezwaar, waarvan in dit geval sprake is, een bijzondere omstandigheid is die de Minister aanleiding had behoren te geven af te wijken van het bepaalde in artikel 4 van de Beleidsregeling.

   Voor zover appellant voorts heeft aangevoerd dat hij door de intrekking van de verklaring van geen bezwaar zijn functie die deze verklaring vereist zal verliezen is dit evenmin een bijzondere omstandigheid in evenbedoelde zin, omdat deze omstandigheid reeds is betrokken bij de belangenafweging die aan de Beleidsregeling ten grondslag ligt.

   Ook de stelling van appellant dat hij goed functioneert valt niet als een dergelijke omstandigheid aan te merken, nu hetgeen hij hieromtrent heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de intrekking van de verklaring van geen bezwaar onevenredig is in verhouding tot het met de Beleidsregeling te dienen doel.

   Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat er door appellant geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld die de Minister aanleiding gaven om van artikel 4 van de Beleidsregeling af te wijken.

2.9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Hulst, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena    w.g. Van Hulst

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 april 2006

402.