Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW2289

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-04-2006
Datum publicatie
19-04-2006
Zaaknummer
200504728/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 april 2003 heeft appellant (hierna: het college) geweigerd [wederpartij] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het realiseren van een landbouwschuur en kassencomplex op de percelen, kadastraal bekend gemeente Boxtel, sectie […], nummers […] gelegen aan [locatie] te Boxtel (hierna: de percelen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200504728/1.

Datum uitspraak: 19 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Boxtel,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/1279 van de rechtbank

's-Hertogenbosch van 6 april 2005 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

het college van burgemeester en wetouders van Boxtel.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2003 heeft appellant (hierna: het college) geweigerd [wederpartij] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het realiseren van een landbouwschuur en kassencomplex op de percelen, kadastraal bekend gemeente Boxtel, sectie […], nummers […] gelegen aan [locatie] te Boxtel (hierna: de percelen).

Bij besluit van 23 maart 2004 heeft het college het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 april 2005, verzonden op 18 april 2005, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 27 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op 30 mei 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 juni 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 28 juli 2005 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [wederpartij] van 17 februari 2006. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 maart 2006, waar het college, vertegenwoordigd door M. van Geel en M.W.C. Heesbeen, beiden ambtenaar der gemeente, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. I.J.J.M. Roorda, advocaat te Vught, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan voorziet in de oprichting op de percelen van een landbouwschuur en kassen ten behoeve van een op te starten sierteelt-/boomkwekerijbedrijf.

2.2.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1994" (hierna het bestemmingsplan) behoren de percelen tot de Agrarische Hoofdstructuur (AHS) en geldt voor deze percelen de gebiedsbestemming "Agrarische gebieden -A-".    

   Ingevolge artikel II.7 (Agrarische gebieden -A-), lid A (Bestemmingsbepalingen), onder I (Doeleindenomschrijving), sub 1, van Hoofdstuk II (Regeling bestaande situatie) van de planvoorschriften zijn de op de plankaart 2 als zodanig aangegeven gronden, voor zover thans van belang, bestemd voor:

- de ontwikkeling van een duurzame landbouw;

- de uitoefening van de agrarische bedrijfsvoering op bestaande (op plankaart 2 aangegeven) agrarische bedrijfscentra.

   Ingevolge artikel II.7, lid A, onder I, sub 3, van Hoofdstuk II van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de gronden, voor zover op de plankaart 2 binnen de bedoelde bestemming de nadere functionele aanwijzing "Agrarisch bedrijfscentrum" is gegeven, ter plaatse van bedoelde nadere functionele aanwijzing, in afwijking van het onder 1 bepaalde, bestemd voor bedoelde nadere functionele aanwijzing en geldt daarbij het bepaalde overeenkomstig artikel II.15.

   Vast staat dat op de plankaart 2 ter plaatse van de percelen de nadere functionele aanwijzing "Agrarisch bedrijfscentrum" is gegeven.

   Ingevolge artikel II.15 (Agrarische bedrijfscentra), lid A (Bestemmingsbepalingen), onder I (Doeleindenomschrijving), sub 1, van Hoofdstuk II van de planvoorschriften zijn de op de plankaart als agrarische bedrijfscentra aangegeven gronden bestemd voor agrarische bedrijfsdoeleinden ten behoeve van de uitoefening van een agrarisch bedrijf met de daarbij behorende voorzieningen.

   Ingevolge artikel II.15, lid A, onder II (Beschrijving in hoofdlijnen), van Hoofdstuk II van de planvoorschriften heeft de onderstaande regeling betrekking op de bestaande agrarische bedrijfscentra, welke deel uitmaken van de gebiedscentra waarin zij gelegen zijn. Bij de regeling van de toelaatbaarheid van bebouwing wordt een onderscheid gemaakt welke is gebaseerd op:

1. ligging bedrijfscentrum in de GHS of AHS

2. omvang van de bedrijfsvoering (…);

3. aard der bedrijfsvoering (…).

   Ingevolge artikel II.15, lid B (Bebouwingsbepalingen), onder I, aanhef en onder a, van Hoofdstuk II van de planvoorschriften mogen op de in lid A, onder I, sub 1 bedoelde gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van en noodzakelijk voor de agrarische bedrijfsvoering worden gebouwd met dien verstande, dat ter plaatse van een op de plankaart 2 gegeven aanduiding "agrarisch bedrijfscentrum" niet meer dan een agrarisch bedrijf mag worden gevestigd.

   Ingevolge artikel IV.1 (Beschrijving in hoofdlijnen met betrekking tot ontwikkelingen), lid VII (Ruimtelijk/functioneel toetsingskader bij ontwikkeling agrarische bedrijven), onder 2 (Nieuwvestiging), sub b (AHS), van Hoofdstuk IV (Regelingen met betrekking tot ontwikkelingen) van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zal aan nieuwvestiging van agrarische bedrijven uitsluitend medewerking worden verleend, indien sprake is van een volwaardige agrarische bedrijfsvoering.

   Ingevolge artikel I.1 (Begripsbepalingen), aanhef en onder A.a.2, van de planvoorschriften wordt in het vervolg van deze voorschriften verstaan onder agrarisch bedrijfscentrum: een op plankaart 2 gegeven aanduiding ten behoeve van de bepaling van een nadere situering van agrarische bebouwing.

   Ingevolge artikel I.1, aanhef en onder B.b.7, van de planvoorschriften wordt in het vervolg van deze voorschriften verstaan onder bestaand agrarisch bedrijf: een agrarisch bedrijf dat ten tijde van het in ontwerp ter visie leggen van het plan als zodanig gevestigd is.

   Ingevolge artikel I.1, aanhef en onder N.n.2, van de planvoorschriften wordt in het vervolg van deze voorschriften verstaan onder nieuwvestiging agrarisch bedrijf: de vestiging van een volwaardig agrarisch bedrijf op een nieuw agrarisch bedrijfscentrum (bebouwingsvlak) als gevolg van:

- het oprichten van een nieuw agrarisch bedrijf;

- het splitsen van een bestaand bedrijf in twee volwaardige agrarische bedrijven.

2.3.    Het college betoogt dat de rechtbank bij de beoordeling van de vraag of het realiseren van de landbouwschuur en de kassen ten behoeve van een op te starten sierteelt-/boomkwekerijbedrijf in strijd is met het bestemmingsplan, ten onrechte de regeling van de bestaande situatie, zoals opgenomen in Hoofdstuk II van de planvoorschriften, van toepassing heeft geacht.

2.3.1.    Dit betoog faalt. Anders dan het college betoogt, worden in het bestemmingsplan zelf, noch in de toelichting daarop, aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat Hoofdstuk II (Regeling bestaande situatie) uitsluitend betrekking heeft op agrarische bedrijven die ten tijde van het in ontwerp ter visie leggen van het bestemmingsplan feitelijk al op de desbetreffende percelen waren gevestigd. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat in artikel II.15, lid A, onder I, sub 1, van Hoofdstuk II van de planvoorschriften, waarin de doeleindenomschrijving is opgenomen voor de bestemming die op het perceel rust, een regeling is gegeven voor percelen waarop agrarische bebouwing mogelijk is. De omschrijving van het begrip 'bestaand agrarisch bedrijf' in artikel I.1, aanhef en onder B.b.7, van de planvoorschriften kan, anders dan het college betoogt, niet tot een ander oordeel leiden, nu dit begrip, anders dan het begrip 'agrarisch bedrijfscentrum', niet wordt gebruikt in voornoemde doeleindenomschrijving. Bij het oordeel omtrent de toepasselijkheid van Hoofdstuk II van de planvoorschriften is mede in aanmerking genomen artikel II.15, lid B, onder I, aanhef en onder a, van Hoofdstuk II van de planvoorschriften, uit welke bepaling volgt dat het vestigen van een agrarisch bedrijf op gronden met de gegeven aanduiding "agrarisch bedrijfscentrum" mogelijk is. Bij deze conclusie is tevens betrokken het feit dat het college er in zijn aanvullend beroepschrift van 27 juni 2005 op wijst dat ten behoeve van een destijds nog niet gerealiseerde varkenshouderij een bouwblok op de percelen is gelegd, dat voor dat bedrijf vóór het in ontwerp ter visie leggen van het bestemmingsplan vergunning krachtens de Wet milieubeheer is verleend en dat paragraaf 4.6.2 van de toelichting op het bestemmingsplan vermeldt dat alle agrarische bedrijven op basis van de milieuvergunningen zijn geïnventariseerd en dat elk agrarisch bedrijf op plankaart 2 ("Bestemmingenkaart") is aangegeven met een zogenoemde nadere aanwijzing "Agrarisch bedrijfscentrum". Deze aanwijzing op de plankaart heeft derhalve ook betrekking op bedrijven die nog niet zijn gerealiseerd.

   Uit artikel IV.1, lid VII, onder 2, sub b, van Hoofdstuk IV (Regelingen met betrekking tot ontwikkelingen) van de planvoorschriften, waarin het ruimtelijk/functioneel toetsingskader is opgenomen in geval van nieuwvestiging van agrarische bedrijven, in samenhang met de omschrijving van het begrip nieuwvestiging in artikel I.1, aanhef en onder N.n.2, van de planvoorschriften, volgt dat slechts dan sprake is van nieuwvestiging, als ter plaatse van de percelen nog geen bebouwingsvlak op de plankaart is aangegeven.

   Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank op goede gronden overwogen dat de weigering van het college om vrijstelling en bouwvergunning te verlenen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet berust op een deugdelijke motivering, nu deze is gebaseerd op strijdigheid met (de uitgangspunten van) het bestemmingsplan op de grond dat niet aan de in artikel IV.1, lid VII, onder 2, sub b, van Hoofdstuk IV van de planvoorschriften opgenomen vereisten voor een volwaardig agrarisch bedrijf is voldaan.

   Met de rechtbank wordt overwogen dat onvoldoende gegevens voorhanden zijn om te beoordelen of van rechtswege bouwvergunning is verleend.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Boxtel tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Boxtel aan [wederpartij] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. R.R. Winter en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Van Heusden

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 april 2006

163-423.