Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW2287

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-04-2006
Datum publicatie
19-04-2006
Zaaknummer
200504608/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 april 2003 heeft appellant (hierna: het dagelijks bestuur) "Surinaams Caribbean Bond",[appellanten sub 2 t/m 5] (hierna: Caribbean e.a.) onder oplegging van een dwangsom gelast tot het weer terugbrengen in de vorige toestand van hetgeen in strijd met de geldende voorschriften is gebouwd en gesloopt in het pand aan de [locatie] te Amsterdam (hierna: het pand) en tot het staken en gestaakt houden van het gebruik ten behoeve van horeca van de op de bouwtekening behorende bij de (revisie)bouwvergunning van 20 februari 1991 met de letter K aangeduide ruimte in het pand en tot het verwijderen van alle daar aanwezige horecavoorzieningen en horeca-attributen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2006/1961

Uitspraak

200504608/1.

Datum uitspraak: 19 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 03/5424 van de rechtbank Amsterdam van 4 mei 2005 in het geding tussen:

1.    de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid "Surinaams Caribbean    

      Bond", gevestigd te Amsterdam,

2.    [appellant sub 2], wonend te Amsterdam,

3.    [appellant sub 3], wonend te Amsterdam,

4.    [appellant sub 4], wonend te Amsterdam,

5.    [appellant sub 5], wonend te Amsterdam

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 14 april 2003 heeft appellant (hierna: het dagelijks bestuur) "Surinaams Caribbean Bond",[appellanten sub 2 t/m 5] (hierna: Caribbean e.a.) onder oplegging van een dwangsom gelast tot het weer terugbrengen in de vorige toestand van hetgeen in strijd met de geldende voorschriften is gebouwd en gesloopt in het pand aan de [locatie] te Amsterdam (hierna: het pand) en tot het staken en gestaakt houden van het gebruik ten behoeve van horeca van de op de bouwtekening behorende bij de (revisie)bouwvergunning van 20 februari 1991 met de letter K aangeduide ruimte in het pand en tot het verwijderen van alle daar aanwezige horecavoorzieningen en horeca-attributen.

Bij besluit van 7 oktober 2003 heeft het dagelijks bestuur het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 mei 2005, verzonden op diezelfde datum, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar voor zover het betreft het bevel om de wand tussen de horecaruimte en ruimte K (weer) te dichten, het bevel tot het verwijderen van de trap tussen de ruimte K en de kelder en de aan eisers opgelegde dwangsom, vernietigd en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het dagelijks bestuur bij brief van 25 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op 26 mei 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 30 juni 2005 hebben Caribbean e.a. van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 maart 2006, waar het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. A.M. Oèko, ambtenaar van het stadsdeel Amsterdam-Centrum, en Caribbean e.a., verschenen bij [twee van de appellanten] in persoon, bijgestaan door mr. K.R. Lieuw On, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en  wethouders (bouwvergunning).

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet wordt voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde verstaan onder bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen en het vergroten van een standplaats.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Uilenburg/Rapenburg" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel Nieuwe Uilenburgerstraat 116 (hierna: het perceel) de bestemming 'woningen' (W1).

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de als zodanig bestemde gronden aangewezen voor al dan niet met kappen afgedekte woningen en wooneenheden met inbegrip van daarbij behorende bergingen en andere nevenruimten.                  

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de planvoorschriften mag op de in het eerste lid genoemde gronden slechts bebouwing ten dienste van de in het eerste lid genoemde bestemming worden opgericht en in stand gehouden.                                            

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de planvoorschriften mogen in afwijking van het bepaalde in het tweede lid de in het tweede lid genoemde gebouwen volgens de op de plankaart gegeven regels tevens zodanig worden geconstrueerd, dat zij kunnen worden gebruikt als ruimten ten dienste van winkels, bedrijven (met inachtneming van het bepaalde in artikel 13), kantoren, horeca en sociaal-culturele voorzieningen.

   Ingevolge de plankaart is op het perceel voor horeca een maximale gevellengte van 12 meter toegestaan. Ingevolge artikel 12, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften is het verboden de in het plan begrepen gronden en de zich daarop bevindende bebouwing te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de bestemming of de daarbij behorende voorschriften.

2.2.    Het hoger beroep beperkt zich tot de vraag of het dagelijks bestuur bevoegd was Caribbean e.a. onder oplegging van een dwangsom te gelasten de doorbraak in de scheidingswand tussen de bestaande horecaruimte en de op de bouwtekening met de letter K aangeduide ruimte te dichten. Hetgeen van de zijde van Caribbean e.a. naar voren is gebracht met betrekking tot het gebruik van de ruimte die is aangeduid met de letter K kan in het voorliggende geschil niet aan de orde komen. Caribbean e.a. hebben immers geen hoger beroep ingesteld tegen het zonder voorbehoud gegeven oordeel van de rechtbank, dat het gedeelte van de last tot het staken en gestaakt houden van het gebruik van ruimte K ten behoeve van horeca en het verwijderen van alle horecavoorzieningen en horeca-attributen, rechtens stand kan houden, zodat wat zij te dien aanzien, buiten de beroepstermijn hebben aangevoerd overeenkomstig hetgeen de Afdeling eerder heeft beslist - onder meer bij uitspraak van 6 augustus 2003, zaak no. 200206222/1 (AB 2003, 355) - buiten beschouwing dient te blijven.

2.3.    Het dagelijks bestuur betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het dagelijks bestuur niet bevoegd was de last onder dwangsom voor wat betreft het dichten van de doorgang die toegang geeft naar de ruimte die op de bouwvergunning met de letter K is aangeduid op te leggen. Het dagelijks bestuur voert hiertoe aan dat de rechtbank ten onrechte niet is uitgegaan van de bouwtekening behorende bij de verleende bouwvergunning van 28 augustus 1989, van de revisietekening van 20 februari 1991 en van de vergunningstekening behorende bij de gebruiksvergunning van 23 augustus 1999. Hieruit blijkt volgens het dagelijks bestuur dat door Caribbean e.a. in strijd met artikel 40 van de Woningwet een doorbraak is gemaakt tussen de bestaande horecaruimte en de ruimte die is aangeduid met de letter K.

2.3.1.    Dit betoogt slaagt. Op 28 augustus 1989 heeft het dagelijks bestuur Caribbean e.a. vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en bouwvergunning verleend voor het realiseren van een sociëteit, waarbij uitbreiding van de horeca met 7 meter gevellengte is toegestaan. Op de bij deze vergunning behorende bouwtekening bevindt zich een muur tussen de bestaande horecaruimte en de ruimte die is aangeduid met de letter K. Vast staat dat die muur in overeenstemming met de verleende bouwvergunning is gerealiseerd. Op enig tijdstip is de muur, zonder bouwvergunning, verwijderd. Hierdoor is sprake van een verandering en vergroting van een bouwwerk en dus van bouwen in de zin van de Woningwet. De conclusie is dat is gehandeld in strijd met artikel 40 van de Woningwet. Het dagelijks bestuur was bevoegd terzake handhavend op te treden.

2.4.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4.1.    Naar het oordeel van de Afdeling bestaat er geen concreet uitzicht op legalisatie. Het dagelijks bestuur is niet bereid vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening te verlenen, zo die zou worden verzocht, omdat hij verdere uitbreiding van de horeca-inrichting ter plaatse onwenselijk acht. Dit standpunt is naar het oordeel van de Afdeling, gezien de beleidsvrijheid die het dagelijks bestuur ter zake toekomt, rechtens niet onjuist.

    Ook overigens is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van de aanschrijving ter zake van het dichten van de doorgang die toegang geeft naar de ruimte die is aangeduid met de letter K afgezien had moeten worden.

2.5.    Het dagelijks bestuur betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte de aan Caribbean e.a. opgelegde dwangsom heeft vernietigd. De rechtbank heeft daartoe volgens het dagelijks bestuur ten onrechte overwogen dat op grond van de toezegging door Caribbean e.a. dat het horecagebruik zal worden gestaakt aan twijfel onderhevig is of nog belang bestaat bij het vaststellen van een dwangsom die in een juiste verhouding staat met het te bereiken eindresultaat.

2.5.1.    Dit betoog slaagt eveneens. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de enkele toezegging door Caribbean e.a. dat het horecagebruik van ruimte K definitief zal worden gestaakt geen grond biedt voor het oordeel dat de eerder door het dagelijks bestuur opgelegde dwangsom onrechtmatig is. Ter zitting is door het college toegelicht dat de hoogte van de dwangsom is afgestemd op het beëindigen van het gebruik ten behoeve van horeca van ruimte K. Nu, mede gelet op hetgeen onder 2.3.1. is overwogen, het dagelijks bestuur bevoegd was Caribbean e.a. onder oplegging van een dwangsom te gelasten tot het dichten van de doorbraak in de scheidingswand tussen de bestaande horecaruimte en ruimte K, tot het staken en gestaakt houden van het gebruik ten behoeve van horeca van ruimte K en tot het verwijderen van alle daar aanwezige horecavoorzieningen en horeca-attributen, valt niet staande te houden dat de hoogte van de dwangsom niet in een juiste verhouding staat tot het te bereiken eindresultaat. Dat het deel van de last strekkende tot het verwijderen van de trap tussen ruimte K en de kelder is komen te vervallen, doet daaraan, gelet op de beperkte betekenis van dat deel van de last in verhouding tot de last voor het overige, niet af.

2.6.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak dient, voor zover aangevallen, te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door Caribbean e.a. bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre alsnog ongegrond verklaren.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 mei 2005, AWB 03/5424, voor zover daarbij het beroep gegrond is verklaard en het besluit van 7 oktober 2003 is vernietigd, voor zover het betreft het bevel om de wand tussen de bestaande horecaruimte en ruimte K (weer te dichten) en de aan Caribbean e.a. opgelegde dwangsom ter hoogte van een bedrag van € 25.000;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Steinebach-de Wit

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 april 2006

328-494.