Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW2285

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-04-2006
Datum publicatie
19-04-2006
Zaaknummer
200508370/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 maart 2005, kenmerk DE1350/151139, heeft verweerder bezwaar gemaakt tegen het voornemen van de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar Duits recht "Remondis GmbH" (hierna: Remondis) om, met gebruikmaking van de procedure van algemene kennisgeving als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Verordening 259/93/EEG van 1 februari 1993, betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (hierna: de Verordening), 50.000.000 kg afvalstoffen vanuit Duitsland in te voeren in Nederland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2006/1352
JAF 2006/42
Milieurecht Totaal 2006/4355

Uitspraak

200508370/1.

Datum uitspraak: 19 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar Duits recht "Remondis GmbH" en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Afvalverwerking Regio Nijmegen B.V.", respectievelijk gevestigd te Oberhausen en Weurt,

appellanten,

en

de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2005, kenmerk DE1350/151139, heeft verweerder bezwaar gemaakt tegen het voornemen van de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar Duits recht "Remondis GmbH" (hierna: Remondis) om, met gebruikmaking van de procedure van algemene kennisgeving als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Verordening 259/93/EEG van 1 februari 1993, betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (hierna: de Verordening), 50.000.000 kg afvalstoffen vanuit Duitsland in te voeren in Nederland.

Tegen dit besluit hebben appellanten bezwaar gemaakt. In hun bezwaarschrift hebben appellanten gevraagd om toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (rechtstreeks beroep).

Verweerder heeft ingestemd met rechtstreeks beroep. Hij heeft het bezwaarschrift doorgezonden aan de Afdeling.

Bij brief van 21 november 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 april 2006, waar appellanten, vertegenwoordigd door [directeur] van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Afvalverwerking Regio Nijmegen B.V." (hierna: ARN), bijgestaan door mr. H.J. Breeman, advocaat te Rotterdam, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.A.G. Welschen, ambtenaar van het ministerie, en J.E. den Hartog-van 't Zelfde en drs. ing. D.J. Treffers, werkzaam bij SenterNovem, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Uit artikel 8:85, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat met de onderhavige uitspraak, de door de Voorzitter in de uitspraak van 8 juli 2005 in zaak no. 200503890/1 getroffen voorlopige voorzieningen van rechtswege vervallen.

2.2.    Remondis heeft kennisgeving gedaan voornemens te zijn van 1 juni 2005 tot en met 31 mei 2006, 50.000.000 kg gemengde afvalstoffen vanuit Duitsland over te brengen naar ARN in Nederland. De verwerkingswijze van deze afvalstoffen is op het kennisgevingsformulier met kenmerk DE1350/151139 aangemerkt als een handeling van nuttige toepassing als bedoeld in de bij de Richtlijn 75/442/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 91/156/EEG (hierna: de Richtlijn), behorende bijlage IIB, categorie R1 (Hoofdgebruik als brandstof of een andere wijze van energieopwekking).

2.3.    Bij het bestreden besluit heeft verweerder bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen overbrenging wegens een onjuiste indeling op voornoemd kennisgevingsformulier. Hij heeft hieraan de overweging ten grondslag gelegd dat op het kennisgevingsformulier het doel van de overbrenging van de afvalstoffen als een handeling van nuttige toepassing is aangemerkt, terwijl het zijns inziens gaat om een handeling van verwijdering. Hiertoe heeft verweerder, onder verwijzing naar hoofdstuk 4 van het Landelijk Afvalbeheerplan 2002-2012 (hierna: het LAP) alsmede naar de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) van 27 februari 2002 en 13 februari 2003 in respectievelijk de zaken C-6/00 (Abfall Service AG) en C-458/00 (Commissie/Luxemburg), overwogen dat - kort weergegeven - de afvalstoffen bij ARN worden verbrand in een verbrandingsinstallatie die specifiek is opgericht ter verwerking van afvalstoffen, en dat verwerking van de afvalstoffen in deze installatie niet leidt tot het vervangen van primaire grondstoffen.

2.4.    Appellanten betogen dat verweerder ten onrechte bezwaar heeft gemaakt tegen de voorgenomen overbrenging van afvalstoffen. Volgens hen is er bij ARN wel degelijk sprake van een handeling van nuttige toepassing als bedoeld in de bij de Richtlijn behorende bijlage IIB, categorie R1. De desbetreffende afvalstoffen worden bij ARN gebruikt als brandstof voor energieopwekking, waarbij het merendeel van de vrijgekomen energie wordt teruggewonnen en hergebruikt, aldus appellanten. Zij voeren verder aan dat uit de Verordening, noch uit de Richtlijn volgt dat, om te kunnen spreken van een handeling van nuttige toepassing, is vereist dat de toepassing van de afvalstoffen ertoe leidt dat primaire grondstoffen worden vervangen, zodat het LAP zich op dit punt niet verdraagt met de Verordening en de Richtlijn. Voorts doen appellanten een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Zij voeren in dit verband aan dat verweerder bij een besluit van 7 december 2004 op grond van zijn beleid, dat volgens appellanten sindsdien niet (kenbaar) is gewijzigd, in een vergelijkbaar geval geen bezwaar heeft gemaakt.

2.5.    Het Hof heeft in zijn arrest van 27 februari 2002 in de zaak C-6/00 (Abfall Service AG) voor recht verklaard dat een nuttige toepassing van afvalstoffen in wezen wordt gekenmerkt door het feit dat het belangrijkste doel ervan inhoudt, dat de afvalstoffen een nuttige functie kunnen vervullen doordat zij in de plaats komen van andere materialen die anders voor deze functie hadden moeten worden gebruikt, waardoor de natuurlijke hulpbronnen worden beschermd.

   In zijn arrest van 13 februari 2003 in de zaak C-458/00 (Commissie/Luxemburg) heeft het Hof, indachtig het voornoemde arrest, voor recht verklaard dat de verbranding van afvalstoffen een nuttige toepassing vormt wanneer zij voornamelijk tot doel heeft dat de afvalstoffen een nuttige functie kunnen vervullen als wijze van energieopwekking doordat zij in de plaats komen van een primaire energiebron die voor deze functie had moeten worden aangewend. In dit arrest heeft het Hof in dit verband verder voor recht verklaard dat de overbrenging van afvalstoffen met het oog op hun verbranding in een verwerkingsinstallatie die is ontworpen met het oog op de verwijdering van afvalstoffen, niet voornamelijk de nuttige toepassing van de afvalstoffen tot doel kan hebben, zelfs niet wanneer bij de verbranding daarvan de geproduceerde warmte geheel of gedeeltelijk wordt teruggewonnen. Dat een dergelijke terugwinning van energie strookt met het door de Richtlijn nagestreefde doel van bescherming van de natuurlijke hulpbronnen is juist. Wanneer echter de terugwinning van de bij de verbranding vrijgekomen warmte slechts een neveneffect is van een handeling die voornamelijk strekt tot verwijdering van de afvalstoffen, kan dit niet afdoen aan de kwalificatie van deze handeling als verwijderingshandeling.

2.6.    De over te brengen afvalstoffen worden bij ARN, blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting, verbrand in een afvalverbrandingsinstallatie. Uit voornoemd arrest van het Hof van 13 februari 2003 volgt dat voor de beantwoording van de vraag of deze handeling als een handeling van nuttige toepassing of als een handeling van verwijdering moet worden aangemerkt, in dit geval bepalend is wat het hoofddoel is van de betrokken installatie.

   Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is deze installatie specifiek en speciaal gebouwd voor de verbranding van hoogcalorische afvalstoffen, afkomstig van huishoudelijk restafval, met huishoudelijk restafval overeenkomend bedrijfsafval, grof huisvuil en met grof huisvuil overeenkomend bedrijfsafval. In de installatie kunnen, blijkens de stukken, waaronder de bij de kennisgeving gevoegde bedrijfsinformatie van ARN, en het verhandelde ter zitting, uitsluitend dit type afvalstoffen worden ingezet.

   De Afdeling is, gezien het vorenstaande, van oordeel dat de installatie van ARN moet worden aangemerkt als een installatie die is ontworpen met het oog op de verwijdering van afvalstoffen, in het onderhavige geval door middel van verbranding, zodat de verbranding van de desbetreffende afvalstoffen bij ARN moet worden aangemerkt als een handeling van verwijdering. Dat bij de verbranding van de afvalstoffen als neveneffect warmte vrij komt waarvan het merendeel wordt teruggewonnen en als energie wordt hergebruikt, maakt dit, gezien het arrest van het Hof van 13 februari 2003, niet anders.

   In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat hoofdstuk 4 van het LAP, waarin in paragraaf 4.5.3 in hoofdzaak de inhoud van onder meer voornoemde arresten wordt weergegeven, en in overeenstemming waarmee verweerder het bestreden besluit heeft genomen, in strijd zou zijn met de Verordening of de Richtlijn.

   Verweerder heeft, gezien het vorenstaande, in zoverre terecht bezwaar gemaakt tegen de overbrenging van de in de kennisgeving bedoelde afvalstoffen op grond van een onjuiste indeling op het kennisgevingsformulier. Dat hij bij een door appellanten genoemd besluit van 7 december 2004, in een beweerdelijk vergelijkbaar geval anders en daarmee in afwijking van zijn beleid zoals dat is neergelegd in het LAP zou hebben besloten, kan daaraan niet afdoen.

2.7.    Het beroep is ongegrond.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Van Hardeveld

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 april 2006

312-431.