Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW2274

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-04-2006
Datum publicatie
19-04-2006
Zaaknummer
200508439/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 december 2004 heeft de gemeenteraad van Ede, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 16 november 2004, het bestemmingsplan "Lunteren-Centrum 2004" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2006/1047

Uitspraak

200508439/1.

Datum uitspraak: 19 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend te Lunteren, gemeente Ede,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2004 heeft de gemeenteraad van Ede, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 16 november 2004, het bestemmingsplan "Lunteren-Centrum 2004" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 28 juli 2005, no. RE2005.2246, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 2 november 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Bij brief van 8 december 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 maart 2006, waar [drie van de appellanten] in persoon en bijgestaan door mr. F.F. Scheffer, advocaat te Zutphen, en verweerder, vertegenwoordigd door J.P.M. Janssen, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de gemeenteraad van Ede, vertegenwoordigd door mr. J. Maltha, ambtenaar van de gemeente.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Ontvankelijkheid

2.2.    De gemeenteraad heeft aangevoerd dat het beroep van appellanten niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Hij stelt dat het beroepschrift niet verschoonbaar buiten de beroepstermijn is ingediend. Hij stelt in dit verband dat ondanks het feit dat het bestreden besluit ten onrechte niet naar appellanten is verzonden, zij toch op de hoogte hadden kunnen en moeten zijn van de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen het bestreden besluit, nu de kennisgeving van het bestreden besluit en de beroepsmogelijkheid daartegen in de lokale kranten zijn gepubliceerd.

2.2.1.    Vast staat dat het beroepschrift buiten de beroepstermijn is ingediend. Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring ingevolge artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.2.2.    Ingevolge artikel 28, vijfde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening doet verweerder gelijktijdig met de bekendmaking mededeling van zijn besluit door toezending van een afschrift aan hen die bedenkingen hebben ingebracht krachtens artikel 27 van deze wet. Vast staat dat appellanten tijdig bedenkingen hebben ingediend. Verweerder heeft verzuimd een afschrift van zijn besluit aan appellanten te doen toekomen. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de termijnoverschrijding in beginsel verschoonbaar is. Appellanten hebben het beroepschrift zo spoedig mogelijk ingediend nadat zij met de mogelijkheid om beroep in te stellen bekend raakten. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is aannemelijk geworden dat appellanten eerst op 28 oktober 2005 kennis hebben genomen van het bestreden besluit. Nu appellanten op 2 november 2005 beroep hebben ingesteld tegen het bestreden besluit, is het beroepschrift zo spoedig mogelijk ingediend nadat appellanten met de mogelijkheid om beroep in te stellen bekend zijn geraakt. Gelet hierop dient de termijnoverschrijding in dit geval verschoonbaar te worden geacht. Dat appellanten via de publicaties van de kennisgeving over het bestreden besluit en de mogelijkheid om daartegen beroep in te stellen in de lokale kranten op de hoogte hadden kunnen zijn, maakt dat niet anders.

Toetsingskader

2.3.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Procedureel aspect  

Het standpunt van appellanten

2.4.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 7.4.1. van de planvoorschriften. Zij voeren aan dat verweerder hun bedenkingen tegen dat planvoorschrift niet bij zijn besluit heeft betrokken. Voorts stellen appellanten dat verweerder in het besluit ten onrechte niet is ingegaan op hun bezwaren tegen enkele passages uit de plantoelichting.

Het oordeel van de Afdeling

2.4.1.    De Afdeling stelt vast dat verweerder de bedenking van appellanten met betrekking tot artikel 7.4.1. van de planvoorschriften niet heeft behandeld en ten onrechte niet bij zijn besluit heeft betrokken. Ook anderszins is verweerder in zijn besluit niet genoegzaam op die bedenking van appellanten ingegaan.

2.4.2.    Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit op dit punt niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het artikel 7.4.1. van de planvoorschriften betreft wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.4.3.    Voor zover appellanten bezwaar hebben tegen hetgeen in de plantoelichting staat vermeld over mogelijk toekomstige evenementen op de parkeerplaats aan de Molenparkweg en over het eenzijdig afsluiten van de Molenparkweg, overweegt de Afdeling als volgt.

Zoals onder meer reeds is overwogen in haar uitspraak van 18 februari 2004 (no. 200303877/1) maakt de plantoelichting geen onderdeel uit van het plan zodat daaraan geen bindende betekenis kan worden toegekend. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding om het bestreden goedkeuringsbesluit dat niet op de toelichting betrekking heeft, te vernietigen.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.5.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.  

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 28 juli 2005, no. RE2005.2246, voor zover het artikel 7.4.1. van de planvoorschriften betreft;

III.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

IV.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 673,97 (zegge: zeshonderddrieënzeventig euro en zevenennegentig cent), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Gelderland aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V.    gelast dat de provincie Gelderland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel    w.g. Verbeek

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 april 2006

388-449.