Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW2272

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-04-2006
Datum publicatie
19-04-2006
Zaaknummer
200503971/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 september 1998 heeft de gemeenteraad van Sint-Oedenrode, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 15 september 1998, het bestemmingsplan "Buitengebied 1997" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200503971/1.

Datum uitspraak: 19 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellanten sub 1A], wonend te [woonplaats], [appellanten sub 1B], wonend te [woonplaats], en [appellante sub 1C], gevestigd te [plaats],

2.    [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats]

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 24 september 1998 heeft de gemeenteraad van Sint-Oedenrode, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 15 september 1998, het bestemmingsplan "Buitengebied 1997" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 11 mei 1999, no. 205507, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

De Afdeling heeft het besluit van 11 mei 1999 bij uitspraak van 2 oktober 2002, zaak no. 199900791/1, gedeeltelijk vernietigd.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 22 maart 2005, no. 1000095, voor zover nodig opnieuw beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1A] bij brief van 4 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2005, [appellanten sub 1B] en [appellante sub 1C] bij brief van 30 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen op 1 juli 2005, waarbij tevens [appellanten sub 1A] hun beroep hebben aangevuld, en [appellanten sub 2] bij brief van 30 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen op 1 juli 2005, beroep ingesteld. [appellanten sub 2] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 29 juli 2005.

Verweerder heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, geen verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [appellanten sub 1A], [appellanten sub 1B] en de [appellante sub 1C]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 maart 2006, waar [appellanten sub 1A], [appellanten sub 1B] en [appellanten sub 1C], vertegenwoordigd door mr. G.J.M. de Jager, advocaat te Tilburg, [appellanten sub 2], vertegenwoordigd door mr. G.J.M. de Jager, advocaat te Tilburg, en verweerder, vertegenwoordigd door H.A.J. van Hout, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn daar als partij gehoord de gemeenteraad van Sint-Oedenrode, vertegenwoordigd door C.A.M. van Rossum, wethouder van de gemeente, en C.H.M. van den Boogaard, ambtenaar van de gemeente, en [partij], vertegenwoordigd door A.G. Bekkers.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

2.2.    Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

   Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

Ontvankelijkheid

2.3.    [appellant sub 1B-2] en [appellante sub 1C]. hebben tegen het ontwerp-plan geen zienswijze ingebracht bij de gemeenteraad, noch hebben zij bedenkingen tegen het plan ingebracht bij verweerder.

   In het stelsel, neergelegd in artikel 28, zevende lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, tweede lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan slechts beroep worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, voor zover dit beroep een grondslag heeft in een tegen het ontwerp-plan bij de gemeenteraad tijdig ingediende zienswijze en bij het college van gedeputeerde staten tijdig ingebrachte bedenkingen.

   Dit is, voor zover hier van belang, slechts anders voor zover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest een zienswijze en bedenkingen in te brengen.

   Deze uitzonderingen doen zich hier niet voor. Het beroep van [appellanten sub 1A], [appellanten sub 1B] en [appellante sub 1C], is, voor zover dat is ingediend door [appellant sub 1B-2] en [appellante sub C], dan ook niet-ontvankelijk.

Toetsingskader

2.4.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

   Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

   De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het standpunt van [appellanten sub 1A] en [appellant sub 1B-1]

2.5.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied -A-" aan de Rijtvenweg.

   Zij betogen daartoe dat de toetsing aan het streekplan "Brabant in Balans" 2002 (hierna: het streekplan) onredelijk bezwarend is, omdat het voorheen van toepassing zijnde streekplan meer mogelijkheden bood voor nieuwvestiging. Voorts betogen appellanten dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat het streekplan een restrictief beleid kent ten aanzien van nieuwvestiging van agrarische bouwblokken, omdat hij geen volledig beeld geeft van hetgeen het streekplan toelaat. In de AHS-landbouw is het namelijk wel mogelijk om tot nieuwvestiging te komen. Ook het reconstructieplan Boven-Dommel (hierna: het reconstructieplan) biedt, volgens appellanten, de mogelijkheid om bedrijven ter plaatse te vestigen. Verweerder had het reconstructieplan derhalve bij het bestreden besluit moeten betrekken. Appellanten betogen verder dat een afwijking van het thans geldende streekplan niet meer dan gerechtvaardigd is. Verweerder heeft, volgens appellanten, onvoldoende gemotiveerd dat geen sprake is van specifieke omstandigheden waaronder nieuwvestiging wel wordt toegestaan.

   Ten slotte stellen appellanten dat zij er gerechtvaardigd op hebben mogen vertrouwen dat aan de gronden aan de Rijtvenweg een agrarisch bouwblok zou worden toegekend. Verweerder gaat, volgens appellanten, voorbij aan de omstandigheden die dit standpunt onderbouwen.

Het bestreden besluit

2.5.1.    Verweerder heeft het plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het goedgekeurd. Daartoe heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de door appellanten gewenste vestiging beschouwd moet worden als nieuwvestiging, ten aanzien waarvan het streekplan een restrictief beleid kent. Dit beleid wordt door de Afdeling niet onredelijk geacht. Van specifieke omstandigheden waaronder de nieuwvestiging van een agrarisch bouwblok kan worden toegestaan, is volgens verweerder geen sprake. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hij geen rekening hoeft te houden noch kan houden met eventuele toezeggingen van gemeentezijde bij de toetsing van bestemmingsplannen. Dat zou een eigen provinciale afweging in de weg staan. Verweerder verwijst in dat verband naar de uitspraak van de Afdeling van 28 mei 2001, zaakno. 199900254/1, gepubliceerd in AB 2002/116. Daarbij merkt hij op dat in de verklaringen van gemeentezijde slechts is gesteld dat nieuwvestiging op bedoelde locatie niet is uitgesloten. Verweerder ziet geen aanleiding om in dit concrete geval af te wijken van het beleid zoals dat is verwoord in het streekplan.

Vaststelling van de feiten

2.5.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.2.1.    Appellanten hebben een rundvee- en biologisch varkenshouderijbedrijf dat zij naar hun voor dat doel aangekochte gronden aan de Rijtvenweg willen verplaatsen, omdat geen ontwikkelingsmogelijkheden bestaan op de huidige locatie van het bedrijf. Tevens willen zij aan de Rijtvenweg een vollegrondstuinbouwbedrijf starten. Het perceel aan de Rijtvenweg is deels gelegen in de AHS-landbouw en deels in de GHS-landbouw in verband met de aanwezigheid van struweelvogels.

2.5.2.2.    Op 22 februari 2002 hebben provinciale staten van de provincie Noord-Brabant het streekplan vastgesteld. Volgens het provinciale ruimtelijke beleid zoals neergelegd in het streekplan is nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf in het algemeen uitgesloten. In de AHS-landbouw is nieuwvestiging uitsluitend en onder voorwaarden toegestaan voor intensieve veehouderijen, glastuinbouwbedrijven en grondgebonden veehouderijen indien deze moeten worden verplaatst uit kwetsbare gebieden of vanwege stedelijke uitbreidingen. In de vestigingsgebieden is voor de glastuinbouwbedrijven nieuwvestiging mogelijk om tot een concentratie van glastuinbouwbedrijven te komen. In de behoefte aan locaties voor nieuwe of te verplaatsen bedrijven kan, afgezien van bovenstaande uitzonderingen, worden voorzien door gebruik te maken van (voormalige) agrarische bouwblokken.

   Nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf is de projectie van een agrarisch bouwblok op een locatie die volgens het ter plaatse geldende bestemmingsplan niet is voorzien van een agrarisch bouwblok.

2.5.2.3.    In haar uitspraak van 2 oktober 2002 (in zaak no. 199900791/1, www.raadvanstate.nl) heeft de Afdeling in rechtsoverweging 2.18.3. overwogen dat in het provinciale beleid ten aanzien van nieuwvestiging

   "het beperken van verstening van het buitengebied centraal staat. Deze doelstelling impliceert het zoveel mogelijk voorkomen van nieuwe bouwblokken. Aantasting van landschappelijke waarden door verdere verstening kan worden voorkomen door in plaats van nieuwvestiging, zoveel mogelijk gebruik te maken van vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk."

In rechtsoverweging 2.18.4. van die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat

   "verweerders in hetgeen appellanten naar voren hebben gebracht aanleiding hadden moeten zien te onderzoeken of sprake is van feiten en omstandigheden die een afwijking van het beleid om geen nieuwe bouwblokken toe te kennen, rechtvaardigen. Verweerders hadden de stelling van appellanten in hun onderzoek dienen te betrekken dat van de zijde van de gemeente gedurende een aantal jaren het standpunt is ingenomen dat nieuwvestiging op deze locatie niet uitgesloten geacht moet worden en dat appellanten vervolgens hun handelen daarop hebben afgestemd door de gronden aan te kopen. Het bestreden besluit is in zoverre dan ook genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, waaruit volgt dat een besluit met de vereiste zorgvuldigheid dient te worden voorbereid."

2.5.2.4.    Op 22 april 2005 hebben provinciale staten van Noord-Brabant het reconstructieplan Boven-Dommel vastgesteld. Dit plan is in werking getreden op 29 juli 2005.

Het oordeel van de Afdeling

2.5.3.    Aangezien sprake is van een heroverweging heeft verweerder terecht getoetst aan het streekplan van 2002, dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gold. Appellanten hebben niet bestreden dat in dit geval sprake is van nieuwvestiging als bedoeld in dit streekplan.

   In dit streekplan worden specifieke omstandigheden genoemd waaronder nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf in de AHS-landbouw mogelijk is. Het bedrijf van appellanten is niet aan te merken als een intensief veehouderijbedrijf, een glastuinbouwbedrijf of een grondgebonden veehouderijbedrijf dat moet worden verplaatst uit een kwetsbaar gebied of vanwege stedelijke uitbreidingen. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat van specifieke omstandigheden waaronder de nieuwvestiging van een agrarisch bouwblok kan worden toegestaan, geen sprake is.

   Voorts heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een afwijking van het streekplan in dit geval niet gerechtvaardigd is. Hij heeft de stelling van appellanten dat zij er, onder omstandigheden, gerechtvaardigd op hebben mogen vertrouwen dat aan de gronden aan de Rijtvenweg een agrarisch bouwblok zou worden toegekend, in overeenstemming met de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2002, bij de besluitvorming betrokken. Aan de omstandigheden dat van gemeentezijde gedurende een aantal jaren het standpunt is ingenomen dat nieuwvestiging op deze locatie niet uitgesloten geacht moet worden en dat appellanten vervolgens hun handelen daarop hebben afgestemd door de gronden aan te kopen, heeft hij in redelijkheid geen doorslaggevend belang hoeven toekennen. Ook de enkele stelling van appellanten dat het voorheen van toepassing zijnde streekplan ruimere mogelijkheden bood voor de vestiging van niet-grondgebonden agrarische bedrijven, kan niet leiden tot een ander oordeel, omdat het ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geldende ruimtelijke toetsingskader bepalend is bij het besluit omtrent de goedkeuring van het bestreden plandeel.

   Reeds omdat het reconstructieplan ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet door provinciale staten van Noord-Brabant was vastgesteld, heeft verweerder dit plan op goede gronden niet in het bestreden besluit betrokken.

2.5.4.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plandeel.

   Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 2]

Het bestreden besluit

2.6.    Verweerder heeft de zinsnede "en voorzieningen in de vorm van een kantine en fietsers" in artikel 15, vijfde lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften en daarmee samenhangend artikel 15, zesde lid, onder f, van de planvoorschriften in strijd met het recht geacht en daaraan goedkeuring onthouden. Daartoe stelt verweerder zich op het standpunt dat hij uit de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2002, in zaak no. 199900791/1 concludeert dat de regeling zoals die in het plan is opgenomen vragen kan oproepen omtrent het al dan niet toestaan van horeca-activiteiten. Gelet op de overwegingen van de Afdeling concludeert verweerder dat de voorschriften te onbepaald zijn nu het begrip kantine annex uitgiftepunt voor levensmiddelen, niet nader is omschreven.

Het standpunt van [appellanten sub 2]

2.6.1.    Appellanten stellen zich op het standpunt dat verweerder de onthouding van goedkeuring aan bovengenoemde planvoorschriften niet op de juiste wijze heeft gemotiveerd. Door de gebruikte formulering geeft verweerder, volgens appellanten, onvoldoende gevolg aan de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2002 - welke zij onderschrijven - waardoor de gemeenteraad expliciet de mogelijkheid zou kunnen bieden om ter plaatse horeca-activiteiten te ontplooien. Appellanten zijn van mening dat juist de mogelijkheid om horeca-activiteiten te ontplooien voor de Afdeling de reden was om het goedkeuringsbesluit van verweerder van 11 mei 1999 in zoverre te vernietigen. Daarbij is de realisatie van horeca-activiteiten ter plaatse in strijd met het streekplan. Volgens appellanten heeft het gemeentebestuur van Sint-Oedenrode al laten weten dat de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2002 en het bestreden besluit van 22 maart 2005, zo zullen worden geïnterpreteerd dat horeca-activiteiten mogelijk zullen zijn op het plandeel betreffende het perceel met de bestemming "Recreatieve doeleinden" met de nadere aanduiding "R8"(kampeerboerderij), gelegen ten oosten van Nijnsel.

Vaststelling van de feiten

2.6.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.6.2.1.    De zienswijze en bedenkingen van appellanten richten zich tegen de bestemming "Recreatieve doeleinden" met de nadere aanduiding "R8"(kampeerboerderij), die in het plan aan het perceel waarop de kampeerboerderij van A.G. Bekkers, [partij], is gevestigd, is toegekend. Het perceel is gelegen ten oosten van Nijnsel.

2.6.2.2.    In artikel 15, eerste lid gelezen in samenhang met het vijfde lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, is bepaald dat op de hier aan de orde zijnde gronden met de bestemming "Recreatieve doeleinden -R-" met de nadere aanduiding "R8"(kampeerboerderij), voorzieningen zijn toegelaten in de vorm van een kantine annex uitgiftepunt voor levensmiddelen. De kantine mag tevens worden gebruikt door kanoërs en fietsers.

   Ingevolge artikel 15, zesde lid, onder f, van de planvoorschriften bedraagt de maximale oppervlakte van de gronden voor een kantine annex uitgiftepunt voor levensmiddelen 40 m².

2.6.2.3.    In rechtsoverweging 2.30.3. van bovengenoemde uitspraak heeft de Afdeling, voor zover thans van belang, overwogen dat

   "de planvoorschriften vragen kunnen oproepen ten aanzien van de juridisch-planologische situatie ter plaatse, omdat het plan niet bepaalt wat moet worden verstaan onder een kantine annex uitgiftepunt voor levensmiddelen. Niet duidelijk is in hoeverre hier ook horeca-activiteiten zijn toegestaan. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat volgens de voorschriften de kantine tevens mag worden gebruikt voor kanoërs en fietsers. Gelet op het vorenstaande voldoet het plan in zoverre niet aan de eisen die hieraan uit een oogpunt van rechtszekerheid moeten worden gesteld. […] Het bestreden besluit dient dan ook te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de in artikel 15, vijfde lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften opgenomen passage "en voorzieningen in de vorm van een kantine en fietsers", alsmede voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan artikel 15, zesde lid, onder f, van de planvoorschriften."

Het oordeel van de Afdeling

2.6.3.    Door de onthouding van goedkeuring aan het planonderdeel waartegen de inhoudelijke bezwaren van appellanten zijn gericht, is in zoverre aan de bezwaren van appellanten tegemoetgekomen. In verband met de verplichting van de gemeenteraad ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening om met inachtneming van het besluit tot onthouding van goedkeuring een nieuw plan vast te stellen, kan echter niet slechts deze onthouding van goedkeuring zelf maar ook de hieraan ten grondslag liggende motivering in deze procedure ter beoordeling staan.

De Afdeling vat het beroep van appellanten daarom aldus op dat zij zich er tegen verzetten dat aan de onthouding van goedkeuring uitsluitend de in het bestreden besluit genoemde overwegingen ten grondslag zijn gelegd.

2.6.4.    Het besluit van verweerder is in overeenstemming met de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2002, in zaak no. 199900791/1.

   De gronden die appellanten in hun beroepschrift naar voren brengen, berusten op een onjuiste lezing van deze uitspraak. In tegenstelling tot hetgeen appellanten betogen, heeft in deze uitspraak geen inhoudelijke beoordeling plaatsgevonden met betrekking tot de vraag of horeca-activiteiten ter plaatse al dan niet ruimtelijk acceptabel zijn. Eventuele mogelijkheden om op het perceel horeca-activiteiten uit te voeren, zijn dan ook geen aanleiding geweest voor de Afdeling om tot het oordeel te komen zoals in de uitspraak van 2 oktober 2002 is vervat.

   Gelet op de omstandigheid dat verweerder het oordeel van de Afdeling zoals neergelegd in rechtsoverweging 2.30.3. van bovengenoemde uitspraak, in het bestreden besluit heeft overgenomen en tot het zijne heeft gemaakt, bestaat thans geen grond voor het oordeel dat verweerder onvoldoende gevolg heeft gegeven aan deze uitspraak. Evenmin bestaat aanleiding om het bestreden besluit in zoverre onvoldoende gemotiveerd te achten.

   De vraag of de realisatie van horeca-activiteiten ter plaatse in strijd is met het streekplan valt buiten het kader van de onderhavige procedure, nu de gemeenteraad van Sint-Oedenrode op grond van artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, opnieuw zal moeten beslissen omtrent het opnemen van eventuele mogelijkheden tot horeca-activiteiten in artikel 15, vijfde lid, aanhef en onder c, en zesde lid, onder f, van de planvoorschriften.

2.6.5.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel in strijd is met de rechtszekerheid. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plandeel.

   Het beroep is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van [appellanten sub 1A], [appellanten sub 1B] en [appellante sub 1C], voor zover dat is ingediend door [appellant sub 1B-2] en [appellante sub 1C], niet-ontvankelijk;

II.    verklaart de beroepen voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en dr. K.J.M. Mortelmans, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto    w.g. Broekman

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 april 2006

12-458.