Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW2268

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-04-2006
Datum publicatie
19-04-2006
Zaaknummer
200507487/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 december 2003 heeft de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Staatssecretaris) de subsidietoezegging verlaagd, de subsidiabele onderhoudskosten vastgesteld op € 24.992,-, de subsidie vastgesteld op € 12.496,- en de definitieve beschikbaarstelling van de subsidie voor het jaar 1999 en voor het jaar 2000 op € 4.707,06, voor het jaar 2001 op € 3.079,61 en voor de jaren 2002 tot en met 2008 telkens op € 0,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200507487/1.

Datum uitspraak: 19 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het bestuur van de H. Odulphus parochie, gevestigd te Assendelft,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. Awb 05-755 van de rechtbank Haarlem van 6 juli 2005 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 10 december 2003 heeft de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Staatssecretaris) de subsidietoezegging verlaagd, de subsidiabele onderhoudskosten vastgesteld op € 24.992,-, de subsidie vastgesteld op € 12.496,- en de definitieve beschikbaarstelling van de subsidie voor het jaar 1999 en voor het jaar 2000 op € 4.707,06, voor het jaar 2001 op € 3.079,61 en voor de jaren 2002 tot en met 2008 telkens op € 0,-.

Bij besluit van 19 januari 2005 heeft de Staatssecretaris het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 juli 2005, verzonden op 13 juli 2005, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 22 augustus 2005, bij de Raad van State ingekomen op 23 augustus 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 3 oktober 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 2 november 2005 heeft de staatssecretaris van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 maart 2006, waar appellant, vertegenwoordigd door [penningmeester] van het bestuur, en de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door M.J. Sypkens Smit, ambtenaar van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (hierna: RDMZ), zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1    Ingevolge artikel 11 van het Besluit rijkssubsidiëring onderhoud monumenten (hierna: Brom) kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister) in afwijking van artikel 3, eerste lid, aanhef, voor een periode van 10 jaar subsidie verstrekken voor onderhoudswerkzaamheden aan beschermde kerkgebouwen.

   Ingevolge artikel 18, eerste lid, van het Brom dient de eigenaar of huurder jaarlijks binnen dertien weken na afloop van het kalenderjaar een overzicht bij de Minister in van:

a. de verrichte onderhoudswerkzaamheden;

b. de daarmee gemoeide kosten;

c. schriftelijke bewijsstukken waaruit blijkt dat de in rekening gebrachte kosten betaald zijn.

   Ingevolge artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voor zover hier van belang, kan de subsidie lager worden vastgesteld indien:

b. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie  verbonden verplichtingen.

   Ingevolge artikel 4:48, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb, voor zover hier van belang, kan het bestuursorgaan zolang de subsidie niet is vastgesteld de subsidieverlening intrekken of ten nadele van de subsidie-ontvanger wijzigen, indien de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

2.2    Bij besluit van 5 maart 1999 heeft de Staatssecretaris aan appellant op grond van artikel 11 van het Brom een meerjarige subsidie voor de onderhoudsperiode 1999 tot en met 2008 verleend ten bedrage van ƒ 103.735,00 voor het onderhoud van de R.K. Kerk St. Odulphus, onder de voorwaarde dat appellant zich houdt aan de voorschriften die bij of krachtens artikel 18 van het Brom zijn gesteld. Voorts is in het besluit vermeld dat wanneer de voorschriften niet worden nageleefd de subsidie kan worden gewijzigd dan wel ingetrokken.

2.3    Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft de Staatssecretaris gelet op artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb de subsidieverlening   verlaagd en de subsidiabele onderhoudskosten vastgesteld op € 24.992,00 en de subsidie op € 12.496,00, omdat appellant ondanks het rappel voor het indienen van de jaarverantwoording over 2002 deze niet heeft ingediend.

2.4    Appellant komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat de Staatssecretaris in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen om de subsidieverlening aan appellant te verlagen en dienovereenkomstig vast te stellen, nu appellant niet heeft voldaan aan de in artikel 18, eerste lid, van het Brom neergelegde verplichting. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat appellant een nieuwe aanvraag om subsidie voor een hernieuwd tienjarenplan voor het onderhoud van de kerk kan indienen.

2.5    Appellant betoogt dat hij door het besluit van de Staatssecretaris onevenredig zwaar in zijn belang wordt getroffen, nu als gevolg van het intrekken van de subsidieverlening voor de resterende jaren vanaf 2002 tot en met 2008 de onderhoudskosten van het kerkgebouw in beginsel voor rekening van appellant komen omdat een mogelijke subsidieuitkering beduidend lager zal zijn dan de subsidie die bij besluit van 5 maart 1999 was toegezegd. Ter zitting heeft appellant toegelicht dat de subsidie dringend nodig is in verband met een uitgave van € 47.808,09 voor onderhoudswerkzaamheden die in het jaar 2004 is gedaan.

2.6    Dit betoog faalt.

Vaststaat dat appellant zich niet heeft gehouden aan de in artikel 18, eerste lid, van het Brom bepaalde termijn voor het indienen van de stukken voor de financiële verantwoording van de onderhoudskosten over 2002. De Staatssecretaris is derhalve bevoegd met toepassing van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, in samenhang met art. 48, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb de verlening van de subsidie voor de resterende jaren in te trekken en de subsidie dienovereenkomstig vast te stellen.

   Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen betreft het hier een discretionaire bevoegdheid die marginaal dient te worden getoetst. De Staatssecretaris heeft er op gewezen dat appellant in de twee voorafgaande jaren ook reeds in gebreke is gebleven met het tijdig indienen van stukken met betrekking tot de financiële verantwoording over de jaren 2000 en 2001 en eerst na herhaaldelijk rappelleren de stukken te laat heeft ingediend. In de rappelbrieven van 13 juli 2001, 12 juli 2002 en 23 april 2003 is appellant er op gewezen dat, indien de gevraagde bescheiden vóór de gestelde datum niet alsnog zijn ontvangen, de toegezegde subsidie zal worden verlaagd en zal worden afgestemd op de wel verantwoorde bedragen. Nu het hier een toegezegde meerjarige subsidie betreft heeft appellant ook uit deze brieven kunnen en moeten begrijpen dat het niet tijdig indienen van de financiële verantwoording niet alleen gevolgen zou hebben voor het gedeelte van de subsidie dat beschikbaar was gesteld voor het betreffende jaar, maar dat het ook zou betekenen dat geen subsidie meer zou worden verkregen voor de resterende jaren en dat de subsidieverlening in zoverre zou worden ingetrokken. Appellant was derhalve meer malen gewaarschuwd voor de mogelijke gevolgen van zijn nalatigheid, zodat niet gezegd kan worden dat hij door het besluit van de Staatssecretaris is overvallen.

   De rechtbank heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat onder deze omstandigheden niet kan worden staande gehouden dat de Staatssecretaris aan de belangen van appellant onvoldoende gewicht heeft toegekend. Nu appellant voor het jaar 2002 wederom niet had voldaan aan de termijn voor het indienen van de stukken met betrekking tot de financiële verantwoording en deze ook na rappel niet heeft ingediend heeft de Staatssecretaris in redelijkheid kunnen besluiten in het belang van het handhaven van de gestelde regels, de verantwoording van de subsidiegelden en de verdeling van het totale subsidiebudget de verlening van de subsidie voor de resterende jaren in te trekken en de subsidie dienovereenkomstig vast te stellen. De rechtbank heeft daarbij terecht meegewogen dat, zoals door de Staatssecretaris ter zitting opnieuw is bevestigd, appellant een nieuwe aanvraag om subsidie voor het onderhoud van de kerk kan indienen. Zoals de Staatssecretaris daarbij terecht heeft opgemerkt is het de eigen verantwoordelijkheid van appellant dat de aanvraag volledig en tijdig wordt ingediend. Voorts dient de omstandigheid dat appellant vooruitlopend op de beslissing op bezwaar voor het jaar 2004 kosten heeft gemaakt voor onderhoudswerkzaamheden aan de kerk voor diens rekening en risico te blijven.

2.7    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D. Roemers, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Roemers    w.g. Wilbers-Taselaar

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 april 2006

71-515.