Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW2260

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-04-2006
Datum publicatie
19-04-2006
Zaaknummer
200507292/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 maart 2004 heeft appellant de aanvraag van [wederpartij] om een gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder niet ingewilligd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Verkeer 2006/213

Uitspraak

200507292/1.

Datum uitspraak: 19 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/55 van de rechtbank Maastricht van 11 juli 2005 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 16 maart 2004 heeft appellant de aanvraag van [wederpartij] om een gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder niet ingewilligd.

Bij besluit van 30 november 2004 heeft appellant het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 juli 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en appellant opgedragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 augustus 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 16 september 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 14 oktober 2005 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 januari 2006, waar appellant vertegenwoordigd door mr. P.J.A. Franssen, ambtenaar van de gemeente en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. M.M.F. Starmans, advocaat te Heerlen, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 49, eerste lid, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer kan aan een gehandicapte, overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde criteria, een gehandicaptenparkeerkaart worden verstrekt.

   Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart (hierna: de Regeling) kunnen voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komen bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij - met de gebruikelijke loophulpmiddelen - in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen.

   Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling, voor zover hier van belang, kunnen voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komen bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, andere dan bedoeld onder a en b, die ten gevolge van een aandoening of gebrek aantoonbare ernstige beperkingen, andere dan loopbeperkingen hebben.

2.2.    Naar aanleiding van de aanvraag van [wederpartij] heeft de Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Oostelijk Zuid-Limburg (hierna: GGD) op 25 februari 2004 advies uitgebracht. Bij het besluit van 16 maart 2004 heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat uit deze rapportage blijkt dat de lichamelijke toestand van [wederpartij] van dien aard is dat zij zich zonder hulp van een ander redelijkerwijs over een langere afstand dan 100 meter te voet kan voortbewegen.

   Ten aanzien van de instandlating van dit besluit in bezwaar heeft appellant zich gebaseerd op een naar aanleiding van het bezwaar van [wederpartij] bij brief van 9 augustus 2004 door de GGD opgestelde reactie alsmede op medische rapportages die afkomstig zijn uit andere dossiers die op haar betrekking hebben. Verder heeft appellant bij de beslissing op bezwaar overwogen dat niet is gebleken dat in onderhavig geval sprake is van aantoonbare ernstige beperkingen als gevolg van een aandoening of gebrek anders dan loopbeperkingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling.

2.3.    Vast staat dat in het kader van de beoordeling van de aanvraag van [wederpartij] geen lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden.

In geschil is of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de beslissing op bezwaar in strijd is genomen met de artikelen 3:2, 3:9 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

2.4.    Appellant betoogt dat hem niet kan worden tegengeworpen dat in het kader van de beoordeling van de aanvraag van [wederpartij] geen lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden, aangezien zij zich niet door een mannelijke arts wilde laten onderzoeken. Dit is, zo voert appellant aan, een feit dat door de rechtbank is erkend. Dat het lichamelijk onderzoek niet heeft plaatsgevonden kan volgens appellant geen reden zijn om aan te nemen dat het onderzoek onzorgvuldig zou zijn geschied.

2.4.1.    Anders dan appellant betoogt is niet vast komen te staan dat [wederpartij] zich niet door een mannelijke arts wilde laten onderzoeken. De rechtbank heeft uitdrukkelijk in het midden gelaten of dit het geval is geweest. Niet is gebleken dat in het kader van andere medische onderzoeken, die zijn verricht in het kader van een aanvraag voor een gehandicaptenparkeerkaart, lichamelijk onderzoek achterwege is gebleven. De gemachtigde van appellant heeft ter zitting in hoger beroep erkend dat een lichamelijk onderzoek standaard deel uitmaakt van die medische onderzoeken, zodat niet aanstonds duidelijk is dat appellant het lichamelijk onderzoek in het onderhavige geval achterwege mocht laten. De rechtbank heeft met juistheid de beoordeling van onderhavig geschil toegespitst op de vraag of appellant desondanks gelet op hetgeen hij overigens aan de beslissing op bezwaar ten grondslag heeft gelegd voldoende zorgvuldigheid in acht heeft genomen bij het nemen ervan.

2.4.2.    Appellant heeft naast het advies van 25 februari 2004 en de naar aanleiding van het bezwaar van [wederpartij] bij brief van 9 augustus 2004 door de GGD gegeven reactie, medische informatie aan de beslissing op bezwaar ten grondslag gelegd die afkomstig is uit andere [wederpartij] betreffende dossiers en die niet is verkregen in het kader van een onderzoek dat is toegespitst op de eisen die in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling zijn gesteld om voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking te komen. Gelet hierop en voorts gelet op de omstandigheid dat de informatie die appellant aan de beslissing op bezwaar ten grondslag heeft gelegd niet eenduidig is, heeft appellant onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarop zijn conclusie in de beslissing op bezwaar is gebaseerd dat [wederpartij] op grond van voormelde bepaling niet voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komt. De rechtbank is met betrekking daartoe tot een juiste conclusie gekomen.

2.5.    Verder heeft appellant op zichzelf beschouwd terecht in zijn hoger-beroepschrift erkend dat artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling een zelfstandige grond voor verstrekking van een gehandicaptenparkeerkaart behelst. Dit brengt evenwel mee dat, ook al heeft [wederpartij] geen uitdrukkelijk beroep op deze bepaling gedaan, zoals appellant heeft aangevoerd, hij mede op grond van die bepaling diende te beoordelen of zij voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking kwam en derhalve het in dat verband te verrichten onderzoek ook mede daarop betrekking diende te hebben. Hoewel appellant zich in de beslissing op bezwaar op het standpunt heeft gesteld dat [wederpartij] ook op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling niet voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komt, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat uit de stukken niet blijkt of dit ook daadwerkelijk onderwerp van onderzoek is geweest. Hetgeen appellant hieromtrent in zijn hoger-beroepschrift heeft aangevoerd faalt derhalve.

2.6.    Voorts heeft volgens appellant de rechtbank miskend dat de resultaten van het in opdracht van hem verrichte medisch onderzoek op geen enkele wijze door middel van een medisch tegenonderzoek of anderszins op grond van objectieve bevindingen is weerlegd.

2.6.1.    Voor zover appellant bij de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2002, in zaak no. 200103136/1 (AB 2002/111) heeft betoogd dat door [wederpartij] geen medisch tegenonderzoek is overgelegd, terwijl de bewijslast op haar ligt, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat dit niet slaagt en met juistheid overwogen dat onderhavig geval niet vergelijkbaar is met het in die uitspraak aan de orde zijnde geval. Anders dan dat daarbij het geval was voldoet in dit geval het in opdracht van appellant verrichte medisch onderzoek niet aan de eisen die in de artikelen 3:2 en 3:9 van de Awb worden gesteld. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de bewijslast thans op [wederpartij] is komen te rusten. Daarvan is eerst sprake indien de beslissing op bezwaar zorgvuldig is voorbereid en deugdelijk is gemotiveerd.

2.7.    Uit het vorenstaande vloeit voort dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de beslissing op bezwaar in strijd is genomen met de artikelen 3:2, 3:9 en 7:12 van de Awb.

2.8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Hulst, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena    w.g. Van Hulst

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 april 2006

402.