Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW2259

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-04-2006
Datum publicatie
19-04-2006
Zaaknummer
200507258/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 maart 2001 heeft appellant (hierna: de RDW) [wederpartij] ontheffing onder voorwaarden verleend voor exceptioneel transport.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 7:11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2006/156 met annotatie van G.H.J.M. In de Braek, tevens behorend bij «JB» 2006/159
AB 2006, 311
VR 2007, 30

Uitspraak

200507258/1.

Datum uitspraak: 19 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/3189 van de rechtbank

's-Hertogenbosch van 12 juli 2005 in het geding tussen:

[wederpartij], gevestigd te [plaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2001 heeft appellant (hierna: de RDW) [wederpartij] ontheffing onder voorwaarden verleend voor exceptioneel transport.

Bij besluit van 30 september 2004 heeft de RDW het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 juli 2005, verzonden op 13 juli 2005, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en de RDW opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de RDW bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 augustus 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 13 september 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 9 november 2005 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [wederpartij]. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 februari 2006, waar de RDW, vertegenwoordigd door drs. J. Greidanus, werkzaam bij de RDW, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. H.E. Bast, advocaat te Amsterdam, en J.F.H. van Roosmalen, algemeen directeur van [wederpartij], zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Omtrent de feitelijke gang van zaken staat het volgende vast.

De RDW heeft [wederpartij] naar aanleiding van haar aanvraag op 7 maart 2001 ontheffing verleend, geldig van 7 maart 2001 tot en met 20 maart 2001, ten behoeve van het vervoer van een sorteerketel voor het voertuig met oplegger met het registratienummer […], met een maximale breedte van 4,64 meter en een maximale hoogte van 5,64 meter, voor het traject van Eindhoven naar Veldhoven via een voorgeschreven route.

   Op 8 maart 2001 heeft [wederpartij] gebruik gemaakt van de verleende ontheffing. Hoewel de hoogte van de oplegger met de sorteertrommel tijdens dit transport 5,58 meter bedroeg en dus lager was dan de maximaal toegelaten hoogte van 5,64 meter, is de sorteertrommel tegen een over de weg hangende wegmarkering van 5,31 meter hoog gebotst, waardoor zowel de wegmarkering als de sorteertrommel zijn beschadigd.

2.2.     Hierop heeft [wederpartij] bezwaar gemaakt tegen de verleende ontheffing. Volgens [wederpartij] heeft de RDW niet onderkend dat zich op de voorgeschreven route een wegmarkering bevond met een hoogte van slechts 5,31 meter en heeft hij ten onrechte ontheffing verleend voor een transport tot een maximumhoogte van 5,64 meter.

   De RDW heeft zich in de beslissing op bezwaar op het standpunt gesteld dat de betreffende wegbeheerders, bij wie de specifieke informatie berust omtrent wegen en kunstwerken, waaronder wegmarkeringen, op 7 maart 2001 onder voorwaarden toestemming hebben verleend voor het door [wederpartij] beoogde transport over de gevolgde route. Voor de RDW bestond geen grond om te twijfelen aan de juistheid van het advies waarin de route is geaccordeerd. [wederpartij] heeft voorts, zo stelt de RDW, zelf contact gehad met Rijkswaterstaat, uit welk contact evenmin belemmeringen zijn gebleken. Nu achteraf is gebleken dat de door Rijkswaterstaat op basis van de aanvraag verstrekte informatie omtrent de passagemogelijkheden op het bewuste traject onjuist was, staat volgens de RDW vast dat de ontheffing is verleend op basis van het thans onjuist gebleken advies. Volgens de RDW heeft [wederpartij] evenwel geen belang bij herroeping van het besluit tot ontheffingverlening, nu het eenmalige transport al heeft plaatsgevonden en herroeping van de ontheffing [wederpartij] in een nadeliger positie zou brengen.

2.3.    De RDW betoogt in hoger beroep dat de rechtbank heeft miskend dat [wederpartij] slechts een indirect belang heeft bij een oordeel over het bestreden besluit.

   Dit betoog faalt. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat [wederpartij] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij, nu bij het gebruiken van de verleende ontheffing, tijdens het transport, schade is ontstaan, waarover een civielrechtelijke procedure wordt gevolgd, een processueel belang heeft bij een oordeel over het bestreden besluit.

2.4.    Voorts betoogt de RDW dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet valt in te zien hoe herroeping van de aan [wederpartij] verleende ontheffing haar in een nadeliger positie zou kunnen brengen, zodat de beslissing op bezwaar wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) voor vernietiging in aanmerking komt. Volgens de RDW zou herroeping van de verleende ontheffing inhouden dat [wederpartij], met terugwerkende kracht, niet bevoegd was het bewuste transport uit te voeren. Nu het uitvoeren van het transport zonder ontheffing strafbaar is, zou [wederpartij], zo stelt de RDW, wel degelijk in een nadeliger positie komen.

2.4.1.    Ook dit betoog faalt. Nog daargelaten welke gevolgen het zonder meer herroepen van de verleende ontheffing met zich zou kunnen brengen, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de RDW naar aanleiding van het bezwaar van [wederpartij] mocht volstaan met het zonder meer ongegrond verklaren daarvan. Ingevolge artikel 7:11 van de Awb diende de RDW een besluit te nemen dat aansloot op de gebleken feiten en de ontstane situatie. In zoverre dat besluit zou strekken tot (gedeeltelijke) herroeping, zou vervolgens een vervangend besluit op de aanvraag moeten worden genomen. Derhalve is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat niet valt in te zien dat [wederpartij] in een nadeliger positie zou komen te verkeren door gegrondverklaring van haar bezwaar.

2.5.    Tot slot richt de RDW zich tegen de overweging van de rechtbank dat de RDW bij de voorbereiding van de verlening van de ontheffing in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet de nodige kennis omtrent de relevante feiten heeft vergaard. De RDW betoogt, samengevat weergegeven, dat geen aanleiding bestond om te twijfelen aan de juistheid van de door de wegbeheerders verstrekte informatie en dat op de RDW niet de verplichting rust zich feitelijk te vergewissen van de juistheid van de verstrekte gegevens. Verder betreft het besluit, zo stelt de RDW, slechts het mogen uitvoeren van het transport via de opgegeven route en strekt het zich niet uit tot het kunnen uitvoeren van dit transport, zodat het feit dat achteraf is gebleken dat het op een gedeelte van de weg niet mogelijk was het transport uit te voeren, de bevoegdheid het transport uit te voeren onverlet laat.

2.5.1.    De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat een ontheffing als hier aan de orde niet mede strekt tot het kunnen uitvoeren van een bepaald transport. Het ingevolge artikel 3:2 van de Awb van de RDW gevergde onderzoek diende naar het oordeel van de Afdeling in dit geval juist te zijn gericht op de vraag of het beoogde transport op het beoogde traject feitelijk, zonder schade aan te richten, mogelijk was. De RDW betoogt op zichzelf terecht dat hij in beginsel mag uitgaan van de juistheid van de door de wegbeheerders verstrekte informatie. Daartoe is wel vereist dat die informatie op zorgvuldige wijze wordt gevraagd met verschaffen van alle relevante gegevens, dat de volledigheid van de informatie wordt gecontroleerd en dat verzoek en antwoord volledig op schrift worden gesteld, opdat controle achteraf afdoende kan worden uitgevoerd. Het enkele telefonisch overleg dat de RDW heeft gevoerd met de wegbeheerders is onvoldoende voor het oordeel dat de RDW bij de voorbereiding van de verlening van de ontheffing de nodige kennis omtrent de relevante feiten heeft vergaard. Dit telefonisch contact is niet schriftelijk vastgelegd en daarom kan niet worden nagegaan wat de RDW heeft gevraagd en welke adviezen door de wegbeheerders zijn verstrekt. Ter zitting is overigens gebleken dat deze werkwijze, die ten tijde van de bestreden besluitvorming gebruikelijk was, inmiddels is gewijzigd.

   Dat in dit geval ook [wederpartij] contact heeft opgenomen met de wegbeheerders en haar evenmin belemmeringen zijn gebleken voor het uitvoeren van het transport, leidt de Afdeling niet tot een ander oordeel, omdat het al dan niet inwinnen van informatie door [wederpartij] niet afdoet aan de onderzoeksplicht van de RDW.

   De rechtbank heeft derhalve met juistheid overwogen dat de RDW heeft gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met enige verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.7.    De RDW dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Dienst Wegverkeer aan [wederpartij] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en dr. K.J.M. Mortelmans, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Van der Smissen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 april 2006

204-419.