Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW2258

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-04-2006
Datum publicatie
19-04-2006
Zaaknummer
200506514/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 maart 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard (hierna: het college) aan Vodafone Libertel N.V. (hierna: vergunninghoudster) een lichte bouwvergunning verleend, onder gelijktijdige verlening van vrijstelling voor een periode van vijf jaar met toepassing van artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), voor het oprichten van een mast voor mobiele telecommunicatie (hierna: de mast) op het perceel, plaatselijk bekend Irenestraat, kadastraal bekend gemeente Angeren, sectie C, nummer 859 (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200506514/1.

Datum uitspraak: 19 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 04/2573 en 3224 van de rechtbank Arnhem van 21 juni 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard (hierna: het college) aan Vodafone Libertel N.V. (hierna: vergunninghoudster) een lichte bouwvergunning verleend, onder gelijktijdige verlening van vrijstelling voor een periode van vijf jaar met toepassing van artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), voor het oprichten van een mast voor mobiele telecommunicatie (hierna: de mast) op het perceel, plaatselijk bekend Irenestraat, kadastraal bekend gemeente Angeren, sectie C, nummer 859 (hierna: het perceel).

Tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaarschrift heeft appellant bij brief van 21 oktober 2004 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Bij besluit van 23 november 2004 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond verklaard en voor het overige het besluit van 18 maart 2004 gehandhaafd.

Bij uitspraak van 21 juni 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het beroep, voor zover dat ziet op het uitblijven van een beslissing op het bezwaar van appellant,

niet-ontvankelijk verklaard, en het tegen het besluit van 23 november 2004 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 23 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op 26 juli 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Met toepassing van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht is vergunninghoudster in de gelegenheid gesteld als partij deel te nemen aan het geding.

Bij brief van 26 september 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 maart 2006, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door R.L. Noppen, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. N.T. Bos, als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellant betoogt dat de rechtbank het beroep, gericht tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar, ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.1.1.    Dit betoog faalt. Met het indienen van het beroep tegen het uitblijven van een besluit kon alleen worden bereikt dat het college alsnog een besluit zou nemen. Ten tijde van de aangevallen uitspraak had het college alsnog een besluit genomen op het bezwaar van appellant. Gelet hierop heeft de rechtbank op goede gronden overwogen dat daarmee het procesbelang aan het beroep van appellant tegen het uitblijven van een besluit is komen te ontvallen, maar dat aanleiding bestaat het college in zoverre in de proceskosten van appellant te veroordelen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt anderszins belang te hebben bij het alsnog gegrond verklaren van zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen.

2.2.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich, evenals vergunninghoudster en S.V. Angeren (hierna: de voetbalclub), schuldig heeft gemaakt aan misleiding door omwonenden gebrekkig te informeren. Hij voert daartoe onder meer aan dat het college ten onrechte de bouwaanvraag heeft gewijzigd en deze onjuist heeft gepubliceerd.

2.2.1.    Dit betoog faalt. Gelet op de aard van de wijziging in de bouwaanvraag, die bestaat uit het herstellen in de tekst van die aanvraag van een kennelijke verschrijving van de aanduiding van het perceel waarop het bouwplan is voorzien, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat daarvoor door vergunninghoudster geen nieuwe bouwaanvraag behoefde te worden ingediend. Zij heeft voorts op goede gronden geoordeeld dat appellant door de omstandigheid dat in de publicatie van de bouwaanvraag de beoogde locatie van de mast onjuist is vermeld, niet zodanig in zijn belangen is geschaad dat reeds om die reden het besluit van 23 november 2004 voor vernietiging in aanmerking zou dienen te komen. De rechtbank heeft hierbij betekenis mogen toekennen aan de omstandigheid dat in de kennisgeving in het gemeentelijke huis-aan-huisblad Gemeentenieuws van het voornemen om vrijstelling te verlenen van het geldende bestemmingsplan alsmede van het besluit tot verlening van de lichte bouwvergunning de bouwlocatie correct is vermeld en dat appellant tegen het besluit tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning bezwaar heeft gemaakt. De handelwijze van vergunninghoudster en de voetbalclub kan, wat daar ook van zij, niet aan het college worden tegengeworpen. Ook voor het overige heeft de rechtbank terecht en op goede gronden overwogen dat van het oogmerk van misleiding of onbehoorlijk bestuur bij het college niet is gebleken.

2.3.    Het betoog van appellant dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar alternatieve locaties voor het bouwplan, faalt eveneens.  De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college in beginsel heeft te beslissen omtrent een bouwplan, zoals het is ingediend. Indien dit bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. De rechtbank heeft in hetgeen appellant heeft aangevoerd terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat door verwezenlijking van die alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting zijn overigens verschillende locaties onderzocht, doch is gebleken dat deze locaties ofwel niet geschikt waren of (nog) niet beschikbaar.

2.4.    Voorts kan niet worden staande gehouden dat het college in de door appellant geuite vrees voor gezondheidsrisico's door straling van de antennes aanleiding had moeten vinden de tijdelijke vrijstelling en bouwvergunning voor die mast te weigeren. Uit de stukken en het betoog ter zitting van vergunninghoudster is gebleken dat de straling van de antennes ruimschoots onder de, in richtlijnen van de Internationale Commissie voor bescherming tegen Niet-Ioniserende Straling (ICNIRP) vastgestelde en door de Raad van de Europese Unie aanbevolen, strenge blootstellingslimieten blijft en voorts voldoet aan aanbevelingen van de Gezondheidsraad. Dit is door appellant niet weersproken. Het college heeft bij het nemen van zijn besluit aangesloten bij voormelde richtlijnen en aanbevelingen. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college dit niet heeft mogen doen.

2.5.    Het betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat hij heeft gesteld dat ten onrechte een toets aan het gemeentelijke antennebeleid achterwege is gelaten is terecht voorgedragen, maar leidt niet tot het ermee beoogde doel. Ter zitting is door het college te kennen gegeven dat het gemeentelijke antennebeleid overeenkomt met het nationale antennebeleid, waaraan door de rechtbank is getoetst. Dit is door appellant niet betwist. Voorts kan uit de aan het besluit van 23 november 2004 ten grondslag gelegde overwegingen worden afgeleid dat, in tegenstelling tot hetgeen appellant stelt, het bouwplan is getoetst aan het gemeentelijke antennebeleid en dat het daarmee in overeenstemming is.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met enige verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink    w.g. Hanrath

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 april 2006

313-392.