Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW2255

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-04-2006
Datum publicatie
19-04-2006
Zaaknummer
200505998/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bronkhorst (hierna: het college) geweigerd handhavend op te treden tegen het gebruik dat [partij] maakt van het perceel, kadastraal bekend gemeente Hengelo, sectie […], nr. […], plaatselijk bekend [locatie] te Hengelo (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200505998/1.

Datum uitspraak: 19 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Hengelo (Gld.),

tegen de uitspraak in zaak no. 05/61 GEMWT van de rechtbank Zutphen van 15 juni 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo, thans: gemeente Bronckhorst.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bronkhorst (hierna: het college) geweigerd handhavend op te treden tegen het gebruik dat [partij] maakt van het perceel, kadastraal bekend gemeente Hengelo, sectie […], nr. […], plaatselijk bekend [locatie] te Hengelo (hierna: het perceel).

Bij besluit van 22 december 2004 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 juni 2005, verzonden op 17 juni 2005, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 7 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op 11 juli 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 12 september 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 16 september 2005 heeft [partij] een reactie ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 februari 2006, waar het college, vertegenwoordigd door M. Jolink, ambtenaar van de gemeente, is verschenen. Voorts is daar als partij gehoord [partij], vertegenwoordigd door mr. C. Lubben, advocaat te Zoetermeer. Appellant is met kennisgeving niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    [partij] gebruikt het perceel, waarop een schuur is gelegen, ten behoeve van dagrecreatie.

2.2.    Appellant betoogt dat de rechtbank er ten onrechte van is uitgegaan dat het gebruik van het perceel ten behoeve van dagrecreatie overgangsrechtelijke bescherming geniet. Hij is van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het gebruik van het perceel reeds bestond op het moment dat het geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1984" (hierna: het bestemmingsplan) rechtskracht verkreeg, althans sindsdien niet is geïntensiveerd.

2.2.1.    Ingevolge het ter bestemmingsplan rust op het perceel deels de bestemming "Bos van landschappelijke waarde" en deels de bestemming "Agrarisch gebied".

   Ingevolge artikel 51, eerste lid, van de planvoorschriften, is het verboden opstallen en gronden te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming.

   Ingevolge het zesde lid, voor zover thans van belang, is het bepaalde in het eerste lid niet van toepassing op het gebruik van opstallen en grond strijdig met de bestemming aan de grond gegeven in het plan, voor zover dit gebruik reeds plaatsvond ten tijde van het van kracht worden van het plan, zolang het in de aard van dat gebruik geen wijziging wordt aangebracht;

2.2.2.    Het bestemmingsplan heeft rechtskracht verkregen op 25 augustus 1986 (hierna: de peildatum).

2.2.3.    Gelet op de verklaringen die door appellant onderscheidenlijk [partij] gedurende het geding zijn overgelegd, heeft de rechtbank terecht overwogen dat voldoende aannemelijk is geworden dat het perceel op de peildatum ten behoeve van dagrecreatie werd gebruikt. Daarbij is van betekenis dat één van de vorige eigenaren van het perceel heeft verklaard dat het perceel vanaf de verwerving ervan in 1968 is gebruikt als uitloopplaats voor pony's, als dagverblijf annex recreatieplek en als opslagruimte annex berging voor diverse goederen voor haar en wijlen haar echtgenoot.

   Voor zover appellant klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat de aard van het gebruik van het perceel is gewijzigd sinds [partij] het heeft verworven omdat hij het intensiever gebruikt dan de vorige eigenaar en dat onduidelijk is welk gebruik op het perceel is toegestaan, is dat tevergeefs. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat van een wijziging in de aard van het gebruik als bedoeld in artikel 51, zesde lid, van de planvoorschriften, sprake is indien op het perceel wordt overnacht of indien recreatief gebruik tot een aanzienlijke toename van het aantal bezoekers leidt. Voor het oordeel dat het college dat standpunt niet heeft mogen innemen is geen grond. Nu, naar niet in geschil is, het perceel uitsluitend door [partij] wordt gebruikt om daar gedurende de dag te verblijven, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [partij] geen wijziging heeft aangebracht in de aard van het gebruik dat plaatsvond ten tijde van de peildatum.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. Huijben

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 april 2006

313-476.